Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.12
3.3.4.12 Statutaire uitsluiting van het agenderingsrecht
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649599:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
In gelijke zin: GS Rechtspersonen/Huizink 2020, art. 2:88 aant. 4; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 51 onder e; Garcia Nelen 2020, p. 285.
Vgl. Nowak 2004, p. 675, Oranje 2012, p. 278 en p. 285, Wolf 2013, p. 379, Slagter|Assink 2013, § 44 (die statutaire uitsluiting ‘bepleitbaar’ acht) en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 51.
In gelijke zin: Van den Ingh 1991, p. 97. Hij schrijft: “Een medewerking die slechts gericht is op het ontstaan van een deel der aandeelhoudersrechten is niet mogelijk, aangezien de hierop betrekking hebbende bepalingen die blijkens art. 25 dwingendrechtelijk van aard zijn geen ruimte tot afwijking bieden.”
In de statuten kan het agenderingsrecht van aandeelhouders (ongeacht of zij wel of geen stemrecht hebben), pandhouders en vruchtgebruikers met stemrecht en bewilligde certificaathouders (NV) niet worden uitgesloten.1 De wet kent hun immers ofwel direct, ofwel indirect (via de koppeling aan de rechten van de bewilligde certificaathouder (NV) respectievelijk het vergaderrecht (BV)) het agenderingsrecht toe. Die toekenning is dwingendrechtelijk (zie art. 2:25 jo art. 2:114a lid 2/224a lid 2 en 227 lid 2 BW).
Het agenderingsrecht van certificaathouders met vergaderrecht (BV) en pandhouders en vruchtgebruikers zonder stemrecht maar met certificaathoudersrechten (NV) respectievelijk vergaderrecht (BV), kan in de statuten wel worden uitgesloten. Deze mogelijkheid bestaat mijns inziens omdat de statuten hen van alle certificaathoudersrechten respectievelijk het vergaderrecht kunnen uitsluiten. In dat geval hebben zij ook het agenderingsrecht niet. Ik zie geen goede reden om aan te nemen dat het dan niet mogelijk is om slechts het agenderingsrecht in de statuten uit te sluiten.2
Een vervolgvraag die bij de BV speelt is of het orgaan dat op grond van de statuten bevoegd is het vergaderrecht aan certificaten te verbinden en te ontnemen, de aan het vergaderrecht gekoppelde rechten (zoals het agenderingsrecht) ook afzonderlijk aan de certificaten mag verbinden en ontnemen. In algemene zin zou ik die vraag met het oog op de rechtszekerheid ontkennend willen beantwoorden. Anders dan wanneer de statuten zouden bepalen welke aan het vergaderrecht gekoppelde rechten de certificaathouder wel en niet heeft, is het voor de certificaathouder in deze situatie volstrekt onduidelijk wanneer hij welk recht zal hebben. Wel bepleitbaar acht ik dat is toegestaan de statutaire bepaling die stelt dat aan certificaten vergaderrecht is verbonden, maar dat ten aanzien van het agenderingsrecht geldt dat het kan worden ontnomen (en weer worden toegekend) door het in de statuten aangewezen orgaan. Een vraag die voor de NV voorts nog speelt, is of zij haar medewerking aan de certificering kan verlenen onder het voorbehoud dat de certificaathouder het agenderingsrecht niet krijgt of zo men wil, kan krijgen. Ik meen dat die mogelijkheid niet bestaat. Art. 2:114a lid 2 bevat zoals gezegd dwingend recht.3 Als de NV niet wil dat de certificaathouder de mogelijkheid tot agendering krijgt, dient zij haar medewerking aan certificering te onthouden.