Einde inhoudsopgave
Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006/9.1
9.1 Inleiding
Mr. T.J. de Graaf, datum 15-05-2006
- Datum
15-05-2006
- Auteur
Mr. T.J. de Graaf
- JCDI
JCDI:ADS406949:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 mei 1967, NJ 1967, 261 (cond. A-G Van Oosten; Saladin/HBU; m.nt. G.J. Scholten).
HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363 (concl. A-G Spier; Apeldoorn/Duisterhof; m.nt. Bloembergen).
C.E. Drion & Van Wechem 2005, p. 439 menen dat de Hoge Raad aldus oordeelt in HR 15 oktober 2004, NJ 2005, 141 (concl. A-G Timmerman; GTI/Zdrich). Strikt genomen valt dit niet uit dat arrest af te leiden. De Hoge Raad casseert het arrest van het Hof Arnhem (onder andere) omdat dit Hof niet duidelijk heeft gemaakt welk gewicht hij heeft toegekend aan het argument van GTI dat 'bij overeenkomsten tussen professioneel dan wel commercieel handelen grote partijen in de regel extra terughoudendheid gepast is waar het gaat om het op grond van art. 6:248 lid 2 BW buiten toepassing laten van exoneratiebedingen of in plaats daarvan gehanteerde bedingen, die en beperking van de verjaringstermijn ... inhouden.' Toch leid ik hieruit af dat ook de Hoge Raad iets in dit argument ziet. Anders had de Hoge Raad wel geoordeeld dat dat argument niet relevant is.
HR 18 juni 2004, NJ 2004, 585 (concl. A-G Verkade; Kuunders/Swinkels Techniek).
HR 14 juni 2002, NJ 2003, 112 (concl. A-G Langemeijer, Bramer/Colpro; m.nt. Hijma).
Partijen zijn vrij hun eventuele verplichtingen tot schadevergoeding uit hoofde van wanprestatie of onrechtmatige daad uit te sluiten of te beperken door in hun contract een exoneratie overeen te komen. Een rechter kan de exonerant slechts in uitzonderingsgevallen verbieden zich op zijn exoneratie te beroepen. Volgens het Saladin/HBu-arrest uit 1967 kan het antwoord op de vraag of de exonerant zich op zijn exoneratie mag beroepen afhankelijk zijn van de waardering van tal van omstandigheden, zoals:
· de zwaarte van de schuld, mede in verband met de aard en ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen;
· de aard en verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt;
· de maatschappelijk positie en de onderlinge verhouding van partijen;
· de wijze waarop het beding tot stand is gekomen;
· de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest.1
Exoneraties worden doorgaans getoetst aan de derogerende/beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Er zijn drie grondregels die moeten worden gerespecteerd bij een zodanige toetsing. Ten eerste, als een exoneratie aan de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wordt getoetst, is de maatstaf of het beroep op de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en dus niet of een beroep op de exoneratie in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.2 De eerste maatstaf is meer terughoudend dan de tweede maatstaf. Ten tweede, bij overeenkomsten tussen professionele of commercieel handelende partijen lijkt in de regel extra terughoudendheid gepast bij de beantwoording van de vraag of een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.3 Ten derde,
als wordt getoetst of een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is, moeten alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen.4
In dit boek heb ik de Saladin/HBu-omstandigheden geanalyseerd. Daarbij ging ik telkens uit van exoneratie in een contract naar Nederlands recht, overeengekomen tussen professionele partijen (een leverancier en een afnemer) die beide rechtspersoon zijn en in Nederland zijn gevestigd. De kennis die ik opdeed paste ik zo veel mogelijk toe op de leveranciersvriendelijke FENITvoorwaarden 2003 en 1994 en afnemersvriendelijke BiZa-contracten (met name de softwarelicentieovereenkomst). Ik kwam daarbij tot de volgende condusies.
Vroeger werden exoneraties aan de goede zeden getoetst, tegenwoordig aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Sommigen bepleiten een toetsing aan de goede zeden voordat aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt getoetst omdat dit rechtszekerheid zou bieden. Mijns inziens biedt deze toetsing geen rechtszekerheid omdat geen communis opinio bestaat over de vraag welke exoneraties wel en welke exoneraties niet in strijd zijn met de goede zeden. Om die reden heeft een voorafgaande toetsing aan de goede zeden naar mijn idee geen zin.
In de praktijk komen regelmatig situaties voor waarin de afnemer kan kiezen de exoneratie te laten toetsen aan de onredelijk bezwarendheidstoets (art. 6:233 sub a BW) of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 Bw).5 Bij de eerste toets mag alleen worden gekeken naar omstandigheden die zich voordoen vóór of bij het sluiten van de overeenkomst (inhoudstoetsing). Bij de tweede toets mag ook worden gelet op omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst voordoen (uitoefeningstoetsing). Aangezien de tweede toets naar zijn aard ook omstandigheden omvat die voor de eerste toets relevant zijn (en niet andersom) en er geen materieel verschil is tussen de criteria 'onredelijk bezwarend' en 'naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar',6 gaf ik in dit boek uitsluitend antwoord op de vraag of een beroep op een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.