Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.3.3
4.3.3 Nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomst
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950349:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 209-210, alsook p. 206. Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/276 en Asser/Hijma 7-I 2019/572.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206 met verwijzing naar Heyning-Plate 1969, p. 82 (p. 81-83).
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/276. Zie bijv. Hof Den Haag 18 augustus 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1917, r.o. 5, over een eventuele bevoegdheid tot opschorting van een ‘terugleververplichting’ op grond van art. 3:290 BW na vernietiging van een overeenkomst wegens dwaling. Ook tussen verbintenissen die verband houden met de afwikkeling van een arbeidsovereenkomst en die vastgelegd zijn in een vaststellingsovereenkomst kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen (Rb. Gelderland 20 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:4140, r.o. 5.6).
Zie ook § 4.3.1, onderdeel e, en r.o. 4.9.3 van het hof, zoals weergegeven in de conclusie van A-G A.S. Hartkamp 8 juni 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB2019, par. 2. De daartegen gerichte klachten konden op procesrechtelijke gronden niet tot cassatie leiden (HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2019, NJ 2001/432, r.o. 3.2).
Heyning-Plate 1969, p. 81-82.
Zie daarover resp. § 4.2.2 en § 4.4.
Verbintenissen over en weer die voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding zijn verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van een nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomst.1 De opschortingsbevoegdheid in dat geval rekent de wetgever tot de ‘redelijk gevoelde opschortingsrechten’, die in literatuur wel werden aangenomen, maar niet in het oude BW waren geregeld.2 Deze ongedaanmakingsverbintenissen vinden hun grondslag in artikel 6:203 en 6:271 BW of betreffen waardevergoedingen op grond van artikel 3:53 en 6:272 BW.3 In dit verband worden ook de verplichtingen over en weer tot afgifte van een zaak genoemd, die ontstaan doordat de koper vervanging op grond van artikel 7:21 lid 1 en onderdeel c BW verlangt.4 Ook een ongedaanmakingsverbintenis na ontbinding van een overeenkomst en een schadevergoedingsvordering wegens de tekortkoming die tevens grond was voor die ontbinding, vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding.5 Over de ontstane ongedaanmakingsverbintenissen heeft Heyning-Plate opgemerkt dat deze ‘eigenlijk het spiegelbeeld van de oorspronkelijke’ zijn. Volgens haar spreekt een opschortingsbevoegdheid daarom voor zichzelf:
“Wanneer de oorspronkelijke verplichtingen als een uitwisseling waren bedoeld, en zodanig met elkaar waren verbonden, dat nakoming van de een eigenlijk niet gevraagd kon worden zonder tegelijkertijd de eigen prestatie aan te bieden, dan behoort m.m. hetzelfde te gelden voor de restitutieverplichtingen, mits die aan beide zijden bestaan.”6
Om dezelfde redenen dient dit mijns inziens eveneens te gelden voor wederzijdse verplichtingen tot ongedaanmaking van hetgeen is geschied ter uitvoering van nietige, vernietigde of ontbonden overeenkomsten die een als eenheid bedoelde of te beschouwen rechtsverhouding vormden of kwalificeerden als zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.7