Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/4.3.1
4.3.1 Samenhangende verbintenissen over en weer uit dezelfde overeenkomst
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950350:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en p. 206. Zie ook § 4.2.2.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 500. Zie ook § 4.2.2.
Hof ’s-Hertogenbosch 2 februari 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:281, r.o. 3.13.4.
Zie ook § 3.4.4.
Vgl. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777, NJ 2012/244, m.nt. S.F.M. Wortmann (Gangadin/Sheoratan), r.o. 3.6.2 in § 4.2.2.
Zie § 4.2.2.
Rb. Oost-Brabant 8 april 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2034, r.o. 4.17.
Rb. Overijssel 18 oktober 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4246, r.o. 6.29.
Zie ook Rb. Gelderland (vzr.) 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:5697, r.o. 4.9 (“Tussen de vordering uit onverschuldigde betaling en de verbintenis tot uitbetaling van de declaraties over 2017 bestaat voldoende samenhang in de zin van art. 6:52 BW. Vordering en schuld spruiten in ieder geval voort uit zaken die Ciran en VGZ telkens met elkaar doen.”).
Rb. Gelderland (vzr.) 10 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1647, r.o. 5.7.
HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5 (aannemingsovereenkomst); HR 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0659, NJ 2003/112, m.nt. Jac. Hijma (Bramer/Hofman Beheer), r.o. 3.3 en 3.5 (aannemingsovereenkomst); HR 27 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0558, NJ 1992/378 (Arel/Van de Stolpe), r.o. 3.3 (opdracht); Hof Den Haag 7 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1103, r.o. 24 (aannemingsovereenkomst); Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4405, r.o. 3.8 (huurovereenkomst); Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 9 juni 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:148, r.o. 2.12 (aannemingsovereenkomst); Hof Arnhem-Leeuwarden 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2213, r.o. 4.5 (koopovereenkomst); Rb. Limburg 21 december 2022, ECLI:NL:RBMLIM:2022:10367, r.o. 4.6 (aannemingsovereenkomst); Rb. Limburg 21 december 2022, ECLI:NL:RBMLIM:2022:10368, r.o. 4.8 (aannemingsovereenkomst); Rb. Amsterdam 15 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7935, r.o. 4.1 en 4.32 (aannemingsovereenkomst); Rb. Zeeland-West-Brabant 18 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5714, r.o. 4.25-4.29 (distributieovereenkomst); GEA van Aruba 27 maart 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:188, r.o. 3.7-3.8 (aannemingsovereenkomst); Rb. Overijssel 13 februari 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:1196, r.o. 2.2-2.3, 8.18, 8.21, 8.23 en 8.31 (verschillende transportopdrachten onder dezelfde vervoersovereenkomst) en Rb. Rotterdam 20 december 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:10102, r.o. 3.11 (vervoersovereenkomst). Zie ook de arresten Ammerlaan/Enthoven (§ 2.7.2, § 3.4.4 en § 6.3.2.4), CIA/Heredium (§ 3.4.2) en Licorne/X (§ 3.4.1). Zie kennelijk anders Rb. Limburg 16 juni 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:4904, r.o. 4.5 (koopovereenkomst) en mogelijk anders Hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3917, r.o. 6.10.
HR 1 maart 1963, ECLI:NL:HR:1963:180, NJ 1963/126 (Straeter/Drema), p. 359 (koop); HR 8 maart 1946, ECLI:NL:HR:1946:131, NJ 1946/186 (Van der Plas/Westland), p. 263 (koop). Asser/Hijma 7-I 2019/573 beschouwt deze arresten eveneens als voorbeelden van ‘dezelfde rechtsverhouding’. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4030, r.o. 6.17 (aannemingsovereenkomst); Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1816, r.o. 5.8-5.9 (onderzoeksovereenkomst); Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:4782, r.o. 7.7.2 (duurovereenkomst koop); Rb. Amsterdam 8 februari 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:828, r.o. 4.11 (opdracht); Rb. Rotterdam 25 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:538, r.o. 4.40.1 (aannemingsovereenkomst); Rb. Gelderland 21 september 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:6361, r.o. 5.19 (koopovereenkomst); Rb. Limburg 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:6696, r.o. 4.18.3 (agentuurovereenkomst); Rb. Overijssel 9 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:845, r.o. 5.5 (aannemingsovereenkomst), Rb. Midden-Nederland 2 maart 2022, ECLI:NL:RMNE:2022:1051, r.o. 3.3 (‘dienstverleningsovereenkomst’); Rb. Noord-Holland 22 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:3076, r.o. 2.51 en 4.47 (aannemingsovereenkomst); Rb. Rotterdam 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6116, r.o. 5.2-5.3 (koop) en Rb. Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:711, r.o. 13-15 (dezelfde koop-/aannemingsovereenkomst). Zie ook Hof Amsterdam 12 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1346, r.o. 3.12 (dezelfde suigeneris overeenkomst of samenwerkingsovereenkomst) en Rb. Gelderland 15 april 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2255 r.o. 4.17 (dezelfde suigeneris overeenkomst).
Rb. Overijssel 8 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:700, r.o. 5.13-5.14.
Rb. Limburg (vzr.) 14 oktober 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:9184, r.o. 5.9.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4877, r.o. 3.30.
Rb. Gelderland 12 februari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:8229, r.o. 5.4.
Uit de toelichting op artikel 6:52 BW kan reeds worden afgeleid dat wederzijdse verbintenissen die hun oorsprong hebben in dezelfde overeenkomst voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding.1 Ook in de door mij onderzochte rechtspraak is dit een veel voorkomend geval. De verbintenissen over en weer kunnen gegrond zijn op zowel benoemde of bijzondere overeenkomsten als onbenoemde of sui generis overeenkomsten. Hierna volgen ter illustratie en bij wijze van opsomming een aantal voorbeelden uit de gepubliceerde rechtspraak sinds overwegend 2017. Ik behandel eerst wat uitvoeriger een aantal voorbeelden waarbij ik een aanvullende opmerking plaats of die mogelijk tot de verbeelding spreken. Bij de overige gevallen geef ik beknopt de wederzijdse verbintenissen en hun grondslag weer. Onder deze overige gevallen bevindt zich bijvoorbeeld ook het reeds in de parlementaire geschiedenis genoemde geval waarin de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis opschort in verband met zijn schadevergoedingsvordering op zijn schuldeiser uit hoofde van dezelfde overeenkomst.2 In onderdeel j. komt beknopt een geval aan de orde waarin de verbintenissen over en weer niet dezelfde juridische grondslag hebben.
a. Tussen verhuurders en huurder Nettorama bestonden diverse geschillen, waaronder een geschil over een bedrag aan verschuldigde huur. Ter beëindiging van dat geschil sloten partijen een vaststellingsovereenkomst, waarin afspraken zijn gemaakt over de verschuldigde huur. Tevens spraken partijen in die overeenkomst af dat verhuurders een reclamezuil zouden laten plaatsen en dat Nettorama recht heeft op de bovenste plaats op dat zuil, zonder dat verhuurders daarvoor een vergoeding in rekening zouden brengen. Nettorama schortte de huurbetalingen op in verband met haar vordering tot plaatsing van de reclamezuil. In hun grief tegen dit gehonoreerde opschortingsverweer voerden de verhuurders aan dat tussen de verbintenissen over en weer onvoldoende samenhang bestond om opschorting te rechtvaardigen. Het hof oordeelde echter dat deze verbintenissen voortvloeiden uit dezelfde rechtsverhouding als bedoeld in artikel 6:52 lid 2 en dat daarom tussen deze verbintenissen voldoende samenhang bestond om de opschorting te rechtvaardigen als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW.3
Het hof motiveerde zijn oordeel dat de verbintenissen over en weer voortvloeiden uit dezelfde rechtsverhouding niet. Van een reeds bestaande – want alleen de omvang diende nog te worden vastgesteld4 – verbintenis tot betaling van huur en een vordering tot plaatsing van de zuil kan bezwaarlijk worden aangenomen dat die beide hun oorsprong vonden in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Van dezelfde juridische grondslag lijkt mij daarom geen sprake te zijn. Mogelijk heeft het hof de vaststellingsovereenkomst beschouwd als de vastlegging van een ‘package deal’, een alomvattende regeling.5 Dan zou daarom aan het voor dezelfde rechtsverhouding vereiste van voldoende nauwe samenhang tussen de verbintenissen over en weer kunnen zijn voldaan.6
b. Van Arkel verkocht en leverde aan gedaagde een perceel grond, dat volledig werd omsloten door een perceel dat eigendom is van Van Arkel. Deze percelen vormden voorheen één geheel en dit gehele perceel beschikte over één aansluiting op nutsvoorzieningen. Het perceel van gedaagde diende te gaan beschikken over een eigen aansluiting op nutsvoorzieningen. Daarover zijn in een koopovereenkomst en addendum afspraken gemaakt. Op het perceel van Van Arkel zou ten gunste van het perceel van gedaagde een erfdienstbaarheid van kabels en leidingen worden gevestigd en gedaagde zou zorgen voor tussenmeters op zijn eigen perceel en voorzien in een eigen aansluiting op nutsvoorzieningen. Gedaagde schortte zijn verbintenissen tot plaatsing van tussenmeters en aansluiting op nutsvoorzieningen op in verband met zijn vordering tot vestiging van de erfdienstbaarheid. De rechtbank honoreerde dit opschortingsverweer niet, omdat het plaatsen van de tussenmeters en de vestiging van de erfdienstbaarheid naar haar oordeel ‘immers los van elkaar’ staan.7
De rechtbank kwam tot het kennelijke oordeel dat geen sprake was van dezelfde rechtsverhouding. De enkele omstandigheid dat de verbintenissen over en weer opgenomen waren in dezelfde overeenkomst behoefde niet tot een ander oordeel te leiden. Toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat deze verbintenissen beide hun oorsprong hebben in de splitsing van de percelen en de bedoeling van partijen dat het perceel van gedaagde ook voor wat betreft de nutsvoorzieningen van het perceel van Van Arkel zou worden gescheiden. Daarop was zowel de erfdienstbaarheid als de plaatsing van tussenmeters en aansluiting op nutsvoorzieningen gericht. In zoverre stonden deze verbintenissen niet los van elkaar en vloeiden zij voort uit dezelfde rechtsverhouding. Daaraan doet de door de rechtbank meegewogen omstandigheid dat de uitvoering van de ene verbintenis niet nodig is voor de uitvoering van de andere niet af.
c. Op grond van een tussen partijen bestaande overeenkomst was VAOP onder meer gehouden al het op het grondgebied van de gemeente Almelo ingezamelde glas af te nemen. De curator van VAOP vorderde van de gemeente betaling van de boekwaarde van bepaalde ondergrondse containers en openstaande facturen. Vast kwam te staan dat de gemeente gedurende de looptijd van de overeenkomst ook had betaald voor containers die buiten haar gemeentegrenzen stonden. In verband met deze vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling schortte de gemeente haar betalingsverplichtingen jegens de curator op. De rechtbank oordeelde dat tussen de verbintenissen over en weer voldoende samenhang bestond, ‘nu deze immers uit dezelfde overeenkomst voortvloeien en over en weer zien op het bedrag dat de gemeente Almelo (al dan niet) aan VAOP diende te voldoen wegens de verkoop van glas verrekend met een vergoeding voor de containers’.8
Deze uitspraak is een wat vreemde eend in de bijt. Over het antwoord op de vraag of de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde overeenkomst kan worden getwist. De vordering op grond van onverschuldigde betaling is er immers juist op gebaseerd dat voor de betaling van de containers buiten de gemeentegrenzen géén grond bestond in de ‘glaszamelingsovereenkomst’. Dat de gemeente in de gegeven omstandigheden een opschortingsrecht toekomt, is denk ik evenwel billijk, vanwege de eveneens door de rechtbank meegewogen strekking van de betalingen.9
d. Tussen erfgenamen is een overeenkomst tot verdeling van de inboedel van wijlen hun moeder tot stand gekomen. Daarin zijn partijen onder andere overeengekomen dat alle foto’s, video’s en andere memorabilia, zowel in geprinte vorm als op gegevensdragers, waaronder de iPad en mobiele telefoon van moeder, worden bewaard in één doos, die door partijen wordt bewaard door middel van een roulatiesysteem. De procespartijen zijn broers. De ene broer heeft aangegeven bereid te zijn om bepaalde dia’s, waarop jeugdherinneringen en herinneringen aan de overleden moeder zijn vastgelegd, toe te voegen aan de doos. Ter zitting heeft de andere broer laten blijken niet bereid te zijn tot het afgeven van de iPad en mobiele telefoon aan de ene broer als die de dia’s zou afgeven. Daarop heeft de ene broer zijn verplichting tot overhandiging of laten rouleren van de dia’s opgeschort. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze verbintenissen voortvloeien uit dezelfde overeenkomst en dat die ene broer ‘een gerechtvaardigd beroep op zijn opschortingsrecht ex artikel 6:263 dan wel artikel 6:52 BW [heeft] gedaan voor wat betreft zijn verplichting tot het afgeven/laten rouleren van de dia’s’.10
e. De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten in verband met een vordering uit hoofde van wanprestatie onder dezelfde overeenkomst.11
f. De schuldenaar is bevoegd de nakoming van zijn prestatie of een deel daarvan op te schorten in verband met een vordering tot betaling van een reeds uitgevoerde prestatie uit hoofde van dezelfde overeenkomst.12
g. De schuldenaar kan bevoegd zijn om zijn uit een opdracht voortvloeiende verplichting tot teruggave van bedrijfseigendommen bij het einde van deze opdracht op te schorten in verband met een vordering tot betaling van loon uit hoofde van die opdracht.13
h. De schuldenaar kan bevoegd zijn om zijn verplichting tot afgifte van een paardenpaspoort en vier bijbehorende stickers op te schorten in verband met een vordering tot betaling van stallingskosten voor de bij dat paspoort behorende merrie.14
i. De schuldenaar kan bevoegd zijn om zijn verplichting tot inlevering van een leaseauto op te schorten in verband met de betaling van bedragen die op grond van een arbeidsovereenkomst zijn verschuldigd.15
j. Tussen een verbintenis tot betaling van facturen ter zake van dienstverlening op het gebied van accountancy en een vordering tot betaling van huurpenningen kan onvoldoende samenhang bestaan om deze opschorting te rechtvaardigen: “De betreffende verplichtingen komen voort uit ook naar aard heel verschillende overeenkomsten.”16
Verbintenissen over en weer die hun oorsprong hebben in dezelfde overeenkomst vloeien voort uit dezelfde rechtsverhouding. Tussen deze verbintenissen kan voldoende samenhang bestaan om opschorting te rechtvaardigen. Voor het antwoord op de vraag of is voldaan aan het samenhangcriterium lijkt niet van belang of die verbintenissen over en weer gegrond zijn op een benoemde of bijzondere overeenkomst, dan wel op een onbenoemde of sui generis overeenkomst. De in deze paragraaf behandelde rechtspraak vormt daarvan een illustratie.