Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.6
7.6 Koninkrijksburgerschap als uitgangspunt: een optie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181176:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De definitie van dit deficit komt niet altijd overeen. Zo wordt in 2001 door de Raad van State van het Koninkrijk het democratisch deficit gedefinieerd als volgt: ‘[g]ewoonlijk wordt gedoeld op het ontberen van volledig gelijkwaardige democratische representatie van de bevolking van het Koninkrijk bij besluitvorming op Koninkrijksniveau’, Kamerstukken II 2001/2002, 27 570 (R 1672) A, p. 3. De Werkgroep Democratisch Deficit Koninkrijk heeft in 2000 het democratisch deficit als volgt gedefineerd: “dat er bij de besluitvorming op Koninkrijksniveau sprake is van een democratisch deficit, daar de volksvertegenwoordigers van de drie landen geen of onvoldoende inbreng hebben bij de totstandkoming van Koninkrijkswetgeving en geen of onvoldoende controle hebben op de besluitvorming van de ministerraad van het Koninkrijk”, Bijlage bij Kamerstukken I/II 1999/2000, 27 198, nrs. 267 en 1. De Werkgroep Bestuurlijke en Financiële Verhoudingen Nederlandse Antillen stelt in 2004 dat bij de totstandkoming van rijksregelgeving ‘de Caribische delen van het Koninkrijk wel inspraak hebben, maar geen medebeslissingsbevoegdheid’. In het advies van de Raad van State van 11 november 2016 over het toekennen van de bevoegdheid aan Statenleden van Aruba, Curaçao en Sint Maarten om een voordracht tot een voorstel van Rijkswet te kunnen doen (Kamerstukken II 2016-2017, 27 570 (R 1672) nr. 20, stelt de Raad van State: “Dat doet ook de vraag rijzen of gebruik van het begrip ‘democratisch deficit’ niet problematisch is; het begrip veronderstelt een consensus tussen de landen over criteria op grond waarvan vastgesteld kan worden wat in de gegeven situatie ‘democratisch’ is zodat vervolgens op basis van die criteria ook bepaald kan worden naar welke eindsituatie toegewerkt zou dienen te worden. Die consensus is er tot nu toe niet geweest en die zal – […] – naar verwachting ook niet snel bereikt kunnen worden.”
Zie voor een recente bijdrage: E. Ys, ‘Het besturen van het Koninkrijk’, in: B. van Ettenkoven e.a. (red.), Rechtsorde en bestuur. Liber Amicorum aangeboden aan Piet Hein Donner, Den Haag: Boom Juridisch 2018.
Zie de bijdrage van Bense 2016 die onder meer een uiteenzetting geeft van verschillende standpunten inzake het democratisch deficit in het Koninkrijk. M.M. Bense. ‘Democratisch deficit in het Koninkrijk’, in: Bovend’Eert e.a. (red.), De verhoudingen in het Koninkrijk der Nederlanden. Een perspectief op de toekomst, Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2016.
Bense 2016, p. 156. In 1997 noemde toenmalig Eerste Kamerlid Hirsch Ballin het een ‘democratisch weeffout in het Statuut dat er geen democratische controle is op besluiten op Koninkrijksniveau’. Ook is in een bijeenkomt in september 1997 – de zogenoemde Contactplanbijeenkomst – besloten een gemengde parlementaire werkgroep te installeren met de opdracht het democratisch tekort bij besluitvorming op het niveau van het Koninkrijk te analyseren en mogelijkheden voor oplossingsrichtingen aan te dragen. Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 261 en 1.
In 1997 heeft het Contactplan deze gemengde parlementaire werkgroep ingesteld. De opdracht van deze werkgroep is het democratisch tekort bij de besluitvormig in de statutaire rechtsorde te analyseren en eventuele oplossingen aan te dragen.
Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 4. Zie ook de notitie van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Bijleveld-Schouten van december 2007 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Kamerstukken II 2007-2008, 30 945, nr. 8.
Art. 17 Statuut. Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 5: “Het is gebleken dat de Staten slechts zelden gebruik maken van de bevoegdheid die de Staten hebben om één of meer bijzondere gedelegeerden af te vaardigen voor de plenaire behandeling van een voorstel van rijkswet in de Staten-Generaal. Bijzondere gedelegeerden kunnen, met goede instructies van de Staten, een bepaalde zienswijze van de Staten duidelijk naar voren brengen tijdens de plenaire behandeling van het voorstel. Ook kunnen zij daarbij door de Staten wenselijk geachte wijzigingen in het onderwerp voorstellen, of moties indienen om een politieke zienswijze van de Staten kenbaar te maken. De delegaties geven de Staten in overweging om voor elk geval nauwgezet na te gaan in hoeverre de aanwezigheid van een bijzondere gedelegeerde gewenst is.” In de voorlichting van de Raad van State d.d. 5 september 2011 (Bijlage bij Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 IV, nr. 50, p. 17) wordt ingegaan op oplossingen die passen bij de huidige structuren van het Statuut. Om deze reden concludeert de Raad van State: “De Afdeling concludeert dat het Statuut de regeringen en de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten uitdrukkelijk mogelijkheden biedt om hun inbreng te hebben bij de behandeling van voorstellen van rijkswet. Daarvan zou een ruimer gebruik gemaakt kunnen worden dan tot dusverre het geval is geweest. Gelet op de grote reisafstand verdient het overweging de technische mogelijkheden van videoconferencing te benutten, zodat een deel van de vergaderingen – vooral spoeddebatten – kunnen worden gehouden zonder dat vliegverkeer noodzakelijk is.” Ook de Raad van State staat in dit kader onterecht niet stil bij de meebeslissende rol die de representant dient te vervullen – hetgeen ontbreekt bij de Nederlanders overzee in het rijksregelgevingsproces.
Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 18.
Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 24.
De delegaties van de landen konden in 1999 geen overeenstemming bereiken over de omvang en de samenstelling van een dergelijke commissie, waardoor de uitwerking van een dergelijke commissie in een patstelling terecht kwam. Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 18. Nader onderzoek naar een interparlementaire commissie heeft volgens de Werkgroep doen blijken dat een formele instelling van deze commissie niet goed mogelijk is. Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 24. De Werkgroep heeft tevens de vraag gesteld of de rol van de Staten zou worden versterkt, indien de Staten het recht van initiatief en het recht van amendement zouden krijgen in de Staten-Generaal. De vraagstelling verduidelijkt dat van meebeslissen van de representant van de overzeese burger geen sprake is. De Raad van State heeft in een voorlichting negatief geadviseerd over het toekennen van het recht van initiatief aan de overzeese Statenleden: Kamerstukken II 2016-2017, 27 570 (R 1672), nr. 20 (Advies W01.16.0217/I/Vo/K).
Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 29.
Kamerstukken I/II 1999-2000, 27 198, nrs. 267 en 1, p. 29.
De Raad van State heeft zich in een voorlichting van 18 september 2006 uitgelaten over de versterking van de democratische legitimatie van rijksregelgeving. In dit kader heeft de Raad van State het gehad over de toekenning van het kiesrecht voor de Tweede Kamer aan alle Nederlandse staatsburgers in de overzeese landen. Volgens de Raad van State is een direct gevolg hiervan dat deze burgers niet alleen meebeslissen over Koninkrijksaangelegenheden, maar ook indien het de landsaangelegenheden van het land Nederland betreft. Deze constatering door de Raad van State is, zoals blijkt uit dit hoofdstuk, terecht ongewenst te noemen. De Raad van State vervolgt en stelt dat er geen Koninkrijksparlement is, met als gevolg dat alle Nederlanders via het vertegenwoordigende lichaam van het land waar zij wonen, vertegenwoordigd zijn in de wetgevende macht van het Koninkrijk. De Raad van State benadrukt daarbij dat de Staten van de overzeese landen een rol hebben in het proces van rijksregelgeving. Onterecht staat de Raad van State niet stil bij de omstandigheid dat de vertegenwoordigende organen van de landen geen gelijke positie hebben in het rijksregelgevingsproces. Meepraten is immers geheel anders dan meebeslissen. Waar de vertegenwoordigende organen van de landen kunnen meepraten over een mogelijk voorstel tot rijkswet, geldt dat in de Staten-Generaal daadwerkelijk wordt besloten over dit voorstel van rijkswet. Bijlage bij Kamerstukken 2006-2007, 30 800 IV en 30461, nr. 3. Zie ook de voorlichting van de Raad van State in 2011: bijlage bij Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 IV, nr. 50. Hierin gaat de Raad van State louter in op mogelijke oplossingen ten aanzien van het democratisch deficit binnen de thans bestaande structuren van het Statuut
Deze commissie is door het Parlementair Overleg Koninkrijksrelaties gevraagd om een achttal vragen inzake de democratische legitimatie van besluitvorming in het Koninkrijk en de controle op de rijksministerraad te beantwoorden. Rapport van de Commissie Democratisch Deficit, Kiezen voor het Koninkrijk. Democratische legitimiteit van besluitvorming en controle op Koninkrijksniveau, 11 november 2009 (Hierna Rapport 2009).
Rapport 2009, p. 3. Er wordt niet nader ingegaan op deze uitspraak.
Rapport 2009, p. 15.
Rapport 2009, p. 15.
Rapport 2009, p. 49 e.v. In dit kader wordt door de Commissie, met verwijzing naar de uitspraken van onder meer de Raad van State inzake kiesrechtuitbreiding van Nederlanders overzee naar de Tweede Kamer, naar voren gebracht dat dit juridisch niet afdwingbaar is gebleken. “Het initiatief ligt waar het hoort: bij de wetgever”, aldus de Commissie op p. 51.
In dit kader wordt door de Commissie gesteld: “Deze kiesrechtuitbreiding voor de Tweede Kamerverkiezingen onderstreept bovendien dat het Koninkrijk één staatsburgerschap kent: het Nederlanderschap.” Rapport 2009, p. 53. De Commissie gaat echter niet in op de vormgeving van het Nederlanderschap. Zoals blijkt uit dit hoofdstuk is het Nederlanderschap zodanig vormgegeven dat het de landen van het Koninkrijk zijn die gaan over de rechten en plichten die gekoppeld zijn aan dit burgerschap. Het Nederlanderschap brengt geen rechtsverhouding met zich tussen de Nederlandse staatsburger en de statutaire rechtsorde.
Rapport 2009, p. 52.
Ook in de Eerste Kamer der Staten-Generaal dienen uiteraard politieke representanten van de Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen te zijn.
Art. 34 Franse Grondwet. Zie paragraaf 6.2.3 (‘Gelijkheid door middel van burgerschap: ongemakken in de postrevolutionaire praktijk’), onder ‘Het Franse parlement en wetgeving’.
Kamerstukken II 2007-2008, 30 945, nr. 8, p. 4. Deze gedachte wordt nader geconcretiseerd door de staatssecretaris: “Op basis van het inwonertal zouden Aruba, Curaçao en Sint Maarten alle drie één stemhebbende gedelegeerde kunnen sturen, waardoor 77 stemmen nodig zouden zijn voor een meerderheid in de Tweede Kamer en 40 in de Eerste Kamer, wanneer het gaat om Koninkrijksaangelegenheden die de Caribische landen raken.”
Hiermee wordt voorkomen dat eenzelfde persoon zowel in de Tweede Kamer als de Eerste Kamer de Nederlandse staatsburgers van het betrokken overzees land vertegenwoordigt.
Hiervoor is enkele keer gewezen op het feit dat in verschillende rapporten op zoek is gegaan naar oplossingen die binnen de grenzen van het Statuut vallen. Deze werkwijze is nogal contradictoir, omdat het het Statuut is dat het democratisch deficit veroorzaakt. Herziening van het Statuut teneinde het democratisch deficit te doen opheffen is derhalve noodzakelijk.
Ook zou de afgevaardigde niet gerechtelijk vervolgbaar zijn voor hetgeen hij in de vergadering van de Kamers heeft gesteld of schriftelijk overlegd (art. 17 lid 3) en bevoegd zijn bij de behandeling in de Tweede Kamer wijzigingen voor te stellen met betrekking tot het voorstel van rijkswet (art. 17 lid 4).
De bestaanszekerheid van de bijzonder gedelegeerde hangt af van het antwoord op de vraag in hoeverre het noodzakelijk wordt gevonden het geluid van de Staten van Aruba, Curaçao en Sint Maarten te horen in de Staten-Generaal. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de bijzondere gedelegeerde alsnog worden gezonden naar de Kamers, waar hij niettemin geen stemrecht heeft maar wel mee kan doen aan de beraadslaging. Aangezien de bijzonder gedelegeerde geen stemrecht heeft, kan hij niet functioneren als de politieke representant van de Nederlander van de overzeese landen.
Het burgerschapsbegrip kent een eeuwenoude traditie. In Hoofdstuk II is dit geïllustreerd aan de hand van de bestudering van verschillende typen burgerschap, variërende van burgerschap in de klassieke oudheid tot burgerschap in de jaren van de Franse Revolutie. De aantrekkingskracht van het begrip zit in ieder geval in de omstandigheid dat het een rechtsverhouding met zich brengt tussen de burger en de rechtsorde waarvan de burger deel uitmaakt. Dit kenmerk ontbreekt in de statutaire rechtsorde. Het Nederlanderschap als burgerschap vindt geen nadere invulling in de rechtsorde van het Koninkrijk, maar in de afzonderlijke rechtsordes van de landen van het Koninkrijk. Een wezenlijk gebrek dat dit construct met zich brengt is dat enerzijds een beroep wordt gedaan op de normatieve uitgangspunten in het burgerschapsdenken (‘er is een uniform burgerschap’), terwijl anderzijds het staatsburgerschap morganatisch wordt ingevuld. Zo komen rijkswetten tot stand zonder dat de politieke representanten van de burgers van de overzeese landen meebeslissen. Adviserende bevoegdheden van overzeese vertegenwoordigende organen volstaan in dit kader niet, zoals blijkt uit het geschetste kader in Hoofdstuk II. Dientengevolge wordt in het Koninkrijk recht geschapen waar niet alle burgers door middel van hun politieke representanten een medebeslissende rol in hebben gespeeld. Deze gang van zaken komt niet voor in het Franse of het EU-bestel. De Franse constitutionele geschiedenis illustreert dat het revolutionaire gedachtegoed inzake burgerschap en politieke representatie stroperig en moeizaam in de staatkundige praktijk is gebracht. Daarbij is geworsteld met de vraag wat de constitutionele positie is van de ingezetenen van de koloniën. De uitkomst hiervan is geweest dat dit gedachtegoed inzake het burgerschapsbegrip en politieke representatie uitgebreid is naar de koloniën, waarbij de betrokkenheid van de ingezetenen van de zogenoemde vieilles colonies vlotter is gelopen dan de koloniën die zijn veroverd gedurende de tweede Franse koloniale golf. Ook in de EU wordt getracht dit gedachtegoed te absorberen. In de Unie wordt hieraan tegemoet gekomen, allereerst door de installatie van het Unieburgerschap waaraan rechten (en volgens het VwEU plichten) zijn gekoppeld. Hoewel de LGO buiten de territoriale werkingssfeer vallen van het Unierecht, lijkt na de Delvigne- uitspraak het kiesrecht voor de leden van het Europees Parlement onlosmakelijk verbonden te zijn aan de status van Unieburger. Hoewel de LGO-besluiten worden genomen door de Raad, en het Europees Parlement daarbij een adviserende rol kan spelen, worden de Unieburgers in de LGO politiek gerepresenteerd in het vertegenwoordigende orgaan van de Unie. Niettemin wordt in het meest recente LGO-besluit uit 2013 regelmatig verwezen naar bepalingen uit Unieregelgeving waar het Europees Parlement wel een medebeslissende functie heeft gehad. Waar volgens het Hof van Justitie het Europees Parlement niet kan worden aangemerkt als een wetgevend orgaan, worden de Franse burgers en de Nederlandse burgers van de LGO van Frankrijk en het Koninkrijk gerepresenteerd in dit parlement. In het Koninkrijk is sprake van een omgekeerde situatie: waar de Nederlandse Staten-Generaal de facto functioneren als het vertegenwoordigende orgaan binnen het Koninkrijk, worden de Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen in beginsel niet vertegenwoordigd in dit parlement. Eerder is in de rechtswetenschappelijke literatuur in het Koninkrijk dit gebrek gekwalificeerd als het ‘democratisch deficit’1 binnen het Koninkrijk.2 De oorzaak van dit deficit kan worden gezocht in de invulling van het burgerschapsbegrip in het Koninkrijk. Het Nederlanderschap wordt krachtens het Statuut aangemerkt als een Koninkrijksaangelegenheid, met als gevolg dat er sprake is van een ongedeeld burgerschap, terwijl de daaraan gekoppelde rechten en plichten landsaangelegenheden zijn. Indien in de statutaire rechtsorde de iure zou worden voorzien in een Koninkrijksparlement alwaar de wil van alle Nederlandse staatsburgers zou kunnen vastgesteld, dan zou het voorgaande gebrek zich niet voordoen. Een dergelijk parlement bestaat echter niet, met als gevolg dat het huidige construct aangaande het Koninkrijksburgerschap op cruciale punten tekortschiet. Het doorvoeren van wijzigingen in dit kader is derhalve noodzakelijk. Indien het Koninkrijk wil dat de burgers van de overzeese landen rijksregelgeving naleven, dan is het noodzakelijk dat hun de mogelijkheid wordt geboden door middel van hun politieke representant mee te beslissen over de totstandkoming van rijksregelgeving, dan wel dat de uitvoerende macht in het Koninkrijk over zijn handelen verantwoording verschuldigd is aan de politieke representant van de overzeese Nederlander.
In het verleden zijn hiertoe verschillende voorstellen gedaan.3 Na de inwerkingtreding van het Statuut in 1954 ontstonden de eerste signaleringen rondom het democratisch deficit in het Koninkrijk vermoedelijk eind jaren negentig van de vorige eeuw.4 Nadien zijn enkele rapporten verschenen over het democratisch deficit in het Koninkrijk. In deze rapporten variëren de aangedragen oplossingen in de mate van ingrijpendheid zeer. Zo wordt door de Werkgroep Democratisch Deficit Koninkrijk5 gesteld dat de overzeese parlementen, teneinde invloed te willen in de totstandkoming van rijksregelgeving, actiever gebruik dienen te maken van hun bevoegdheden zoals deze voortvloeien uit het Statuut.6 Aan deze bevoegdheden is in paragraaf 7.3.2 (‘De rijksregelgevingsprocedures: rijkswet, algemene maatregel van rijksbestuur en ministeriële rijksregelingen’) van dit hoofdstuk aandacht besteed. Zo kunnen de Staten één of meer bijzondere gedelegeerden afvaardigen voor de plenaire behandeling van een voorstel van rijkswet in de Staten-Generaal.7 Opmerking verdient dat de gedelegeerde geen stemrecht heeft in de Kamers van de Staten- Generaal. Indien de gedelegeerde de zienswijze van de Nederlanders overzee naar voren brengt, is een relevante vraag wie namens de burgers overzee meebeslist in de Staten-Generaal. Het antwoord op deze vraag is niemand, aangezien de leden van de Staten-Generaal geen mandaat hebben van de burgers overzee om namens hen te stemmen. Daarnaast wordt gepleit voor de invoering van een interparlementaire commissie, bestaande uit delegaties van de parlementen van de landen. Volgens de Werkgroep kan het opzetten van een dergelijke interparlementaire commissie een belangrijke stap betekenen ‘voor het terugdringen van het democratisch deficit, zonder dat daarvoor per se een wijziging van het Statuut nodig is’.8 Een dergelijke commissie zou functioneren als gesprekspartner van de rijksministerraad.9 Ook dit voorstel geeft blijk van een lichtvoetige oplossing die het democratisch deficit niet opheft. Een dergelijke commissie zou een raadplegende functie krijgen, met als gevolg dat van een medebeslissende rol van de representant van de overzeese burger geen sprake is.10 Vergelijkbare voorstellen die geen wijziging in het Statuut noch de Grondwet vergen, zijn tevens gedaan in andere verslagen die zijn opgesteld ten aanzien van het democratisch deficit van het Koninkrijk.
Naast vergelijkbare etherische oplossingen, wordt in verschillende studies tevens stilgestaan bij een mogelijke installatie van een Koninkrijksparlement. Zo stelt de Werkgroep Democratisch Deficit Koninkrijk dat voor de instelling van een dergelijk parlement een ingrijpende herziening van het Statuut noodzakelijk is.11 Dit Koninkrijksparlement zal volgens de Werkgroep tot taak hebben samen met de Koninkrijksregering als de formele rijkswetgever op te treden en controle uit te oefenen op het handelen van de Rijksministerraad.12 De Werkgroep stelt in dit kader dat het niet voor de hand ligt dat er een vertrouwensband zou bestaan tussen de leden van dit parlement en de ministers van het Koninkrijk. Niettemin zou het parlement de besluiten van de Rijksministerraad moeten kunnen tegenhouden, aldus de Werkgroep. Op welke wijze het parlement dit zou moeten kunnen, wordt echter niet uitgelegd.13 In het verlengde van de installatie van een Koninkrijksparlement, is het rapport van de Commissie Democratisch Deficit van 11 november 2009 relevant.14 In dit rapport wordt enkele keren gerefereerd aan het burgerschap van het Koninkrijk. Zo wordt gesteld dat actief kiesrecht een essentiële voorwaarde is voor democratie en ‘verantwoordelijk burgerschap’.15 Bij de behandeling van het democratisch deficit in het Koninkrijk wordt gesuggereerd dat dit deficit gelegen is in de omstandigheid dat ‘de meeste burgers van de Antillen en Aruba, hoewel Nederlandse staatsburgers, het actieve kiesrecht ontberen voor de Nederlandse Staten-Generaal, die in het Koninkrijksstatuut materieel fungeren als het Koninkrijksparlement’.16 De Commissie Democratisch Deficit vervolgt: “Om een goede democratische constellatie in het Koninkrijk en een daarbij passen verantwoordelijk burgerschap te waarborgen is het kiesrecht, […], een essentiële voorwaarde.”17 Dientengevolge stelt de Commissie voor alle Nederlandse staatsburgers in de overzeese landen het kiesrecht voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal toe te kennen.18 Het primaire argument voor deze zet is volgens de Commissie gelegen in de omstandigheid dat de Staten-Generaal in de statutaire rechtsorde bindende regelgeving uitvaardigen voor de ingezetene Nederlandse burgers van de overzeese landen en de rijksministers controleren.19 Het voorgaande zou een wijziging van het Statuut noch de Grondwet noodzakelijk maken. Alleen de Kieswet, in het bijzonder het hiervoor aange haalde art. B1, zou moeten worden aangepast.20 Hoewel deze oplossing aantrekkelijk lijkt, is zij niet ideaal en wel om de volgende reden. De statutaire rechtsorde voorziet in een onderscheid tussen Koninkrijksaangelegenheden en landsaangelegenheden. Dit onderscheid is relevant bij de vraag wie waarover gaat. Een veronderstelling bij de regulering van de landsaangelegenheden is dat louter de ingezeten staatsburgers van het betrokken land door middel van hun politieke representant meebeslissen over landswetgeving. Indien Nederlandse staatsburger van de overzeese landen het kiesrecht krijgen voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dan wordt het deficit in de statutaire rechtsorde weliswaar fors verminderd,21 maar een nadelig gevolg is dat niet meer wordt toegekomen aan het principe dat bij een landsaangelegenheid de staatsburgers van het betrokken land meebeslissen. Hierdoor wordt met het uitbreiden van het kiesrecht voor de Tweede Kamer aan de staatsburgers van de overzeese landen een probleem opgelost, maar wordt tegelijkertijd ook een nieuw probleem in het leven geroepen. Een andere oplossing is derhalve aangewezen.
De oplossing hangt nauw samen met de nadere invulling van het Nederlanderschap. Dit Nederlanderschap is, zoals eerder gesteld, geen ongedeeld burgerschap. Hoewel het Statuut het Nederlanderschap bestempelt als een Koninkrijksaangelegenheid, is het Koninkrijk louter betrokken bij de vraag aan wie dit burgerschap wordt toegekend. Dat wordt immers geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dit burgerschap brengt echter, zoals hiervoor naar voren kwam, geen rechtsverhouding met zich tussen de burger en de statutaire rechtsorde. De afzonderlijke landen van het Koninkrijk zijn namelijk bevoegd rechten en plichten te koppelen aan dit burgerschap. Het gevolg hiervan is dat iedere Nederlander, afhankelijk van het land waar hij is ingezeten, verschillende rechten en plichten heeft. Zo heeft iedere Nederlander in Nederland, iedere Nederlander buiten het grondgebied van het Koninkrijk en iedere Nederlander die tien jaar in Nederland heeft gewoond een politieke representant bij de uitvaardiging van rijksregelgeving. Nederlandse staatsburgers in de overzeese landen die geen tien jaar in Nederland hebben gewoond ontberen dit recht, met alle gevolgen van dien. In 1954 is ervoor gekozen om het Nederlanderschap aan te merken als een Koninkrijksaangelegenheid. Thans lijkt het moment aangebroken om daadwerkelijk invulling te geven aan de letter van het Statuut en een ongedeeld Koninkrijksburgerschap tot uitgangspunt te nemen. Dit zou tot gevolg hebben dat met betrekking tot de fundamentele rechten in de rechtsorde van het Koninkrijk de staatsburgers van het Koninkrijk gezamenlijk worden betrokken. Zo zouden alle staatsburgers betrokken moeten worden bij de toelating en uitzetting van Nederlanders tot ieder Koninkrijksland. Deze betrokkenheid geschiedt door politieke representatie van staatsburgers in het orgaan dat in de rechtsorde van het Koninkrijk optreedt als het vertegen woordigende orgaan. Deze gedachtegang is te vinden in de Franse rechtsorde, waar het Parlement betrokken is bij de wezenlijke wijzigingen inzake burgerschap.22 De Statuutgever heeft een ondoordachte keuze gemaakt in 1954 door het Nederlanderschap aan te merken als een Koninkrijksaangelegenheid, terwijl de rechten en plichten die daaraan zijn gekoppeld vallen onder de autonome bevoegdheid van de landen van het Koninkrijk. Het gebrek aan politieke representatie van Nederlandse staatsburgers bij de totstandkoming van rijksregelgeving vormt een direct gevolg van deze niet rijpelijk doordachte keuze. Het ontbreken van politieke representatie in de statutaire rechtsorde strookt niet met de gedachte dat de overzeese staatsburgers zich dienen te houden aan verbindende voorschriften die vanwege het Koninkrijk worden uitgevaardigd.
Het burgerschap van het Koninkrijk zou politieke representatie met zich moeten brengen ten aanzien van rijksregelgeving. De vraag op welke wijze dit moet worden vormgegeven, leidt naar de discussie over het democratisch deficit in het Koninkrijk. De oplossingen die zijn aangedragen, zoals dat de overzeese Staten in het rijksregelgevingsproces vaker gebruik moeten maken van hun bevoegdheden krachtens het Statuut toegekend, zullen het democratisch deficit echter niet doen verdwijnen. Dit deficit zal pas verdwijnen indien de politieke representant van de overzeese burger namens deze burger meebeslist. Dit is gangbare praktijk in de Franse Republiek, zoals is geïllustreerd in het vorige hoofdstuk. De Franse burgers van alle collectivités territoriales worden vertegenwoordigd in het Franse parlement. In de verkiezingen van 2017 zijn van de 577 leden 556 leden gekozen door kiesgerechtigden in de metropool en de DrOM. Tien leden van de Assemblée worden gekozen door de Franse burgers van de COM en Nieuw-Caledonië. Tot slot worden elf leden gekozen door Franse burgers buiten het grondgebied van de Republiek. Voor de indirecte verkiezingen van de Senaat geldt evenzo dat zetels worden gereserveerd voor de Franse burgers van de DrOM, COM, Nieuw-Caledonië en van buiten de Republiek. Een enigszins vergelijkbare oplossing kan ook worden aangedragen voor Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen die geen tien jaar in Nederland hebben gewoond. Overeenkomstig de wijze van representatie van Franse burgers van de DrOM in de Assemblée nationale respectievelijk de Senaat, worden Nederlandse staatsburgers van de BES-eilanden gerepresenteerd in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Voor de COM en Nieuw-Caledonië geldt naar Frans recht dat zij meer autonomie bezitten dan de DrOM. Niettemin is de toegekende autonomie geen reden om de Franse burgers van de COM en Nieuw-Caledonië niet te vertegenwoordigen in het vertegenwoordigende orgaan van de Republiek. Daaraan staat de uniformiteit achter het Franse burgerschapsdenken namelijk in de weg. Ook in het Koninkrijk geldt dat de overzeese landen meer autonomie genieten dan de BES-eilanden. Evenals voor de COM en Nieuw-Caledonië geldt in de Republiek, kan worden voorgesteld dat direct gekozen representanten van Koninkrijkslanden stemrecht hebben in de Tweede Kamer der Staten-Generaal indien de Tweede Kamer beraadslaagt over Koninkrijksaangelegenheden. Voor de Eerste Kamer kan worden voorgesteld dat indirect gekozen representanten van de burgers van de overzeese landen namens deze burgers stemrecht hebben in de Eerste Kamer der Staten-Generaal, indien de Eerste Kamer beraadslaagt over Koninkrijksaangelegenheden. Op welke wijze kan deze gedachte worden geconcretiseerd? Vooropgesteld dient te worden dat de positie van de Staten-Generaal complex is. De Staten-Generaal fungeren namelijk enerzijds als vertegenwoordigend orgaan bij landsaangelegenheden van Nederland en functioneren anderzijds de facto als vertegenwoordigend orgaan bij Koninkrijksaangelegenheden van het Koninkrijk. Een mogelijke oplossing dient conform deze uitgangspunten te zijn. Dat wil zeggen dat, indien de Staten-Generaal functioneren als landsparlement, de staatsburgers van de overzeese landen daarin niet dienen te zijn vertegenwoordigd. Indien echter de Staten-Generaal optreden als vertegenwoordigend lichaam van het Koninkrijk, dienen de staatsburgers van de overzeese landen hierin te zijn vertegenwoordigd door middel van een politieke representant die meebeslist.
In dit verband kan worden gewezen op de notitie die de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in december 2007 heeft gestuurd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. In deze notitie wordt stilgestaan bij de mogelijke opties voor de versterking van de democratische legitimatie van rijksregelgeving van het Koninkrijk. De staatssecretaris stelt:
“Ook zou gekeken kunnen worden naar de mogelijkheid om een aantal van de bijzondere gedelegeerden stemrecht te geven in de Tweede en Eerste Kamer als er voorstellen van rijkswet worden behandeld die hun land raken of er andersom aangelegenheden van het Koninkrijk aan de orde zijn die hun land raken. Het verlenen van deze bevoegdheden – waarvoor in ieder geval Statuutswijziging nodig is – zou wellicht meer recht doen aan het beginsel dat de aangelegenheden van het Koninkrijk gemeenschappelijk worden behartigd. Door een dergelijke uitbreiding van de bevoegdheden […] bijzondere gedelegeerden zou zich in de praktijk een parlement van het Koninkrijk kunnen ontwikkelen, zonder dat hiervoor een apart orgaan ingesteld hoeft te worden. Er moet dan wel rekening worden gehouden dat bij een oververtegenwoordiging van de Caribische landen, het beginsel van meerderheidsbesluitvorming in het gedrag zou kunnen komen. Het stemgewicht van de gedelegeerden dient in redelijke verhouding te staan tot de bevolkingsomvang van de landen.”23
Aangezien de gedelegeerde door de Staten wordt gekozen, wordt de verkiezing van gedelegeerde als afgevaardigde namens de burgers van een overzees Koninkrijksland enigszins indirect. Voorgesteld kan worden dat bij de reguliere verkiezingen van de Staten de Nederlandse staatsburgers van het betrokken land tevens hun representant dienen te kiezen die namens hen meebeslist in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Nederlandse staatsburgers kunnen zich bij deze verkiezing kandideren voor ofwel afgevaardigde in de Tweede Kamer ofwel afgevaardigde in de Eerste Kamer.24 Degene met de meeste stemmen wordt uitgekozen als de representant voor de Tweede Kamer. Ten aanzien van de Eerste Kamer dient er sprake te zijn van een getrapte verkiezing. Door middel van stemming in een kiescollege kan iemand die zich heeft gekandideerd worden voorgedragen. Deze representanten van de staatsburgers van de overzeese landen hoeven geen lid te zijn van de Kamers. Aan hen kan het stemrecht in beide Kamers worden verleend, indien de Kamers stemmen over een Koninkrijksaangelegenheid en dus optreden als het vertegenwoordigende lichaam van het gehele Koninkrijk. Aangezien in een dergelijk geval de samenstelling van de Staten-Generaal verandert, kan worden gesteld dat de Staten-Generaal in een dergelijk geval niet meer fungeren als louter landsorgaan, maar tevens Koninkrijksorgaan.
Indien een Koninkrijksaangelegenheid zich derhalve voordoet, stemmen deze bijzondere afgevaardigden mee in zowel de Eerste als de Tweede Kamer. Hiervoor is een herziening van het Statuut noodzakelijk.25 Gezien het inwonertal van de overzeese landen en het inwonertal van de overzeese landen, zoals opgemerkt door toenmalige staatssecretaris Bijleveld-Schouten, kan worden gerechtvaardigd dat ieder land één afgevaardigde heeft in beide Kamers. Deze afgevaardigden zullen in de Kamers der Staten-General de rol op zich nemen die de Gevolmachtigde Minister in de Kamers vervult. Anders dan het huidige art. 17 lid 1 Statuut leest, zou de afgevaardigde in de Kamers de behandeling van het voorstel bijwonen, de Kamers voorlichting verstrekken én tezamen met de Kamerleden het stemrecht kunnen uitoefenen.26 Op deze wijze wordt de rol van de Gevolmachtigde Minister beperkt tot die in de Rijksministerraad. Daartegenover staat dat de bevoegdheden die de Gevolmachtigde Minister thans heeft in de Kamers, niet verdwijnen, maar op de schouders komen van iemand die daarvoor bevoegd is: de direct gekozen representant van de staatsburgers van de overzeese landen in de Tweede Kamer en de indirect gekozen representant in de Eerste Kamer.27
Het voorgaande heeft gevolgen voor niet alleen de statutaire rechtsorde, maar tevens de rechtsorde van het land Nederland. Dit is onvermijdbaar, omdat zoals gezegd de Staten-Generaal de iure het vertegenwoordigende orgaan zijn van Nederland. Dit parlement van Nederland vervult echter ook een rol in de statutaire rechtsorde. Indien in beide Kamers der Staten-Generaal een vertegen woordiging is van de overzeese landen, in beginsel gelijk aan het inwonertal, dan wordt daarmee tegemoetgekomen aan de legitimatie van rijksregelgeving. Op deze wijze worden, bijvoorbeeld, rijkswetten tot stand gebracht waarbij de Nederlandse staatsburgers van de overzeese landen door middel van hun politieke representant een medebeslissende rol hebben in het proces van rijksregelgeving.