Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/4.6.4.0
4.6.4.0 Inleiding
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630458:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Parlementaire behandeling Wet van 28 juni 1926, STB. 1928, 228. Kamerstukken 1925/1926. Nr. 263-3.
HR 5 februari 1986, nr. 22 958, BNB 1986/160.
In dezelfde zin Van Brunschot in zijn noot bij BNB 1986/160.
Kuijpers vindt dat het arrest zich historisch laat verklaren vanuit de ratio – wat daar thans ook in praktisch opzicht van zij – van de vrijstelling, te weten ‘het groot algemeen belang’, dat er gelegen is in het bezit van een goeden boschstand.
Op grond van artikel 3.11 Wet IB 2001 zijn de voordelen uit het bosbedrijf objectief vrijgesteld. De kosten die betrekking hebben op het bosbedrijf vallen ook onder de bosbouwvrijstelling en komen dus niet als bedrijfslast in aanmerking bij de bepaling van de winst. Op verzoek van de belastingplichtige kan de vrijstelling buiten toepassing blijven voor een periode van ten minste tien jaar. Het voordeel hiervan is dat de belastingplichtige de verliezen uit het bosbedrijf in aftrek kan brengen. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling moet sprake zijn van een bosbedrijf. Het begrip ‘bosbedrijf’ dient in ruime zin te worden opgevat.1 In de volgende gevallen is derhalve sprake van een sfeerovergang van een bosbedrijf van de onbelaste naar de belaste sfeer:
Er is geen sprake meer van een bosbedrijf/het bos blijft niet langer intact.2
De belastingplichtig verzoekt om de vrijstelling buiten toepassing te laten.
In de wet is expliciet opgenomen dat sprake is van een vrijstelling voor het inkomen dat wordt behaald met het bosbedrijf. Dit betekent dat niet de gehele onderneming is vrijgesteld, maar slechts het bosbedrijf. Aangezien binnen één lichaam sprake kan zijn van meerdere bedrijven, dient een splitsing tussen de belaste bedrijven en het onbelaste bosbedrijf te worden gemaakt. Een belangrijk arrest met betrekking tot de toerekening van voordelen aan een bosbedrijf is HR 5 februari 1986, nr. 22 958, BNB 1986/160. In casu exploiteerde belanghebbende een kampeerterrein. Aan de rand van het kampeerterrein bevond zich een strook die was beplant met bomen. Belanghebbende verkocht het gehele terrein aan een projectontwikkelaar, die een gedeelte van de bomen kapte. In geschil was of de boekwinst op de met bomen beplante grond onder de bosbouwvrijstelling viel. A-G Van Soest concludeerde als volgt:
‘5.5. Wordt derhalve bij de verkoop van het bos een waardestijging gerealiseerd die opgetreden is ten tijde van de handhaving van zijn bestemming als bos, dan is de winst in zoverre vrijgesteld als voordelen uit bosbedrijf; is echter de winst hoger ten gevolge van de beëindiging van die bestemming dan is zij in zoverre belast.’
Het arrest van de Hoge Raad is in lijn met de conclusie van A-G Van Soest. De Hoge Raad heeft overwogen dat niet de gehele winst onder de bosbouwvrijstelling valt:
‘Indien bij de verkoop van een bos als gevolg van de omstandigheid, dat de bestemming als bos wordt beëindigd, een hogere winst wordt behaald dan bij handhaving van die bestemming het geval zou zijn geweest, kan die winst in zoverre niet worden gerekend tot de voordelen uit bosbedrijf als bedoeld in art. 8, letter a, IB ’64.’
In dit arrest rekent de Hoge Raad de in een transactie behaalde winst toe aan twee oorzaken. De eerste oorzaak is de waardeontwikkeling van de bosgrond bij ongewijzigde bestemming. De tweede is de waardesprong ten gevolge van de bestemmingswijziging.34