Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.3.3
2.3.3 De Republiek
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Fruin/Colenbrander 1980, p. 174.
Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen. Ook Drenthe aanvaardde de soevereiniteit, maar werd niet vertegenwoordigd in de Staten-Generaal.
De andere inkomsten van de Republiek bestonden uit de generaal opgebrachte in- en uitvoerrechten (de zogenaamde convooien en licenten), de inkomsten uit de Generaliteitslanden (de bijzondere provincies) en de toevallige inkomsten. Janse de Jonge 1993, p. 408-409.
Veenendaal 1994, p. 117.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 124-125.
Janse de Jonge 1993, p. 409.
De generaliteitspetitie zou later vergezeld gaan van de staat van oorlog, een soort memorie van toelichting, waarin meer duidelijkheid werd gegeven over de kosten van het leger voor de provinciën.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 126-127.
Dit betekende echter wel een indirecte autorisatie voor het doen van uitgaven. Warmelink 1993, p. 13.
In 1607 werd overeenstemming bereikt over een instructie voor de Generaliteitsrekenkamer. In 1608 begon de Generaliteitsrekenkamer haar werkzaamheden. Huussen Jr. 1989, p. 69.
De provincie Holland nam veelal de last van de andere provinciën over.
De Fruin/Colenbrander 1980, p. 314-316.
Na verschillende pogingen om een nieuwe vorst te vinden aanvaardden de zeven gewesten uiteindelijk in 1588 zelf de soevereiniteit.1 De Republiek der Verenigde Nederlanden was geboren.2 Er werden geen algemene belastingen ingevoerd, zoals was neergelegd in de Unie van Utrecht. De inkomsten van de Republiek werden onder andere geïnd via een quotenstelsel dat was gebaseerd op provinciale belastingen.3 Elk gewest kon zelf bepalen hoe zij de belastingen inden.4 Vanaf 1593 tot 1796 is de Staten-Generaal onafgebroken bijeen. Er was echter geen sprake van een eenheid, de Staten-Generaal was voornamelijk een bijeenkomst van de afgevaardigden van de Staten. De afgevaardigden waren gebonden aan de wensen uit hun gewest. Bovendien was eenparigheid van stemmen vereist bij het vaststellen van de financiële bijdragen, die overigens per gewest verschilden.5
Er heeft lange tijd strijd gewoed tussen de gewesten over de verdeling van de quoten. Deze werd in eerste instantie vastgesteld op basis van de inkomsten uit de provinciale belastingen. Vooral voor de gewest Holland betekende dit dat het opdraaide voor meer dan de helft van de kosten. Uiteindelijk werd over de verdeling van de quoten in 1616 overeenstemming bereikt.6
Het algemeen bestuur was in handen van de Raad van State die de inkomsten beheerde. De Raad kwam jaarlijks met een uitgavenvoorstel – de generaliteitspetitie7 – dat ter bekrachtiging werd voorgedragen aan de Staten-Generaal.8 Dit voorstel bevatte een overzicht van de verdeling van de lasten per provincie. Bekrachtiging van het voorstel betekende dat de Raad van State de gelden mocht innen. Van directe autorisatie voor het doen van uitgaven was nog geen sprake.9 Het toezicht op het financieel beheer werd uitgevoerd door de Generaliteitsrekenkamer.10
De Republiek had door de vele oorlogen in de zeventiende eeuw een grote schuld opgebouwd. In de achttiende eeuw werd duidelijk dat het financiële systeem, in het bijzonder het quotensysteem, niet werkte. Zo betaalden niet alle gewesten hun quote.11 Ook de convooien en licenten – in- en uitvoerrechten – werden niet naar behoren vastgesteld en geïnd.12 Een poging tot het herziening van het quotenstelsel eind achttiende eeuw leidde uiteindelijk tot een kleine aanpassing ervan.