Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.3.1
2.3.1 Toenemende invloed van de Staten
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Fruin/Colenbrander 1980, p. 15 en Janse de Jonge 1993, p. 394.
Fruin/Colenbrander 1980, p. 44-49.
Fruin/Colenbrander 1980, p. 44. Volgens Fruin zou het bijeenroepen van de Staten in onbruik zijn geraakt ware het niet voor het recht om over de bede te beslissen. Fruin/Colenbrander 1980, p. 49.
De oudste bekende bijeenkomst voor een gezamenlijke bede was in 1465. Zie Fruin/Colenbrander, p. 105.
Grapperhaus 1984, p. 11 en 23.
Daarbij maakt Warmelink, terecht, wel een aantal kanttekeningen: ten eerste was geen sprake van een begroting van uitgaven waaraan de Staten hun goedkeuring moesten geven, er kan dan ook beter van belastingrecht worden gesproken. Ten tweede mocht de bede niet geweigerd worden als de vorst niet meer vroeg dan strikt noodzakelijk. Ten derde was er geen sprake van een eenheid en waren de Staten-Generaal slechts een vergadering van afzonderlijke Staten die stemden met last en ruggespraak. Warmelink 1993, p. 10 en 11.
Zie ook Buys 1883, p. 645. Bovendien tonen deze gebeurtenissen volgens Van Caenegem aan dat het verschaffen van financiële middelen aan de vorst, naast het fungeren als klankbord voor de vorst, een van de overwegende reden is geweest waarom de Staten-Generaal is opgericht. Van Caenegem 1995, p. 85.
In 1548 werden de Nederlanden als één geheel aan het Duitse Rijk verbonden. Fruin/ Colenbrander 1980, p. 9 en 20.
Grapperhaus 1984, p. 23.
In de dertiende eeuw kwamen de vorstendommen van de landsheren in toenemende mate in handen van het Bourgondische huis en groeiden uit tot grotere territoria – de latere gewesten en weer later de provinciën.1 Tegelijkertijd was er sprake van verzelfstandiging van de steden en werden de standen steeds invloedrijker, mede als gevolg van de verkregen privileges. Instemming met de buitengewone bede gebeurde door de vertegenwoordigers van de standen in de gewesten die bijeenkwamen in de Staten.2 Volgens Fruin lag de kracht van de Staten dan ook in het al dan niet toestaan van de vrijwillige bede.3
Na 1462 ontstond de gewoonte om het verkrijgen van toestemming voor de bede voor te leggen aan de gezamenlijk opgeroepen bijeenkomst van de Staten – de Staten-Generaal – en niet meer aan de Staten persoonlijk.4 Deze gezamenlijke bede werd vervolgens via een verdeelsleutel verdeeld over de gewesten.5 Deze gebeurtenissen, waarin de vorst een gezamenlijke bede voorlegt aan de Staten, ziet Warmelink als de oorsprong van het budgetrecht.6 Hoewel men hier feitelijk nog niet kan spreken van het budgetrecht wordt hier wel in de basis de bevoegdheid neergelegd voor de Staten-Generaal om te bepalen of er belastingen mogen worden geheven en vervolgens met welk doel. Dit recht om in te stemmen met belastingen vormt dan ook het fundament waaruit het budgetrecht is gegroeid.7
In 1543 kwamen de Nederlanden in handen van één vorst: Karel V.8 Onder de Bourgondisch-Habsburgse regering stegen de overheidsuitgaven snel, onder andere door de vele oorlogen die werden gevoerd.9 Hierdoor moest de vorst in toenemende mate een beroep doen op het heffen van de buitengewone bede die bovendien steeds omvangrijker werd.