Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.4.3.1:3.4.3.1 Feiten die de politie min of meer toevallig op het spoor komt
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.4.3.1
3.4.3.1 Feiten die de politie min of meer toevallig op het spoor komt
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715438:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Om welke feiten het dan precies gaat, is niet helemaal duidelijk. Er is – zoals eerder al werd opgemerkt – maar weinig bekend over de aard van de zaken die de politie voorheen noodzakelijkerwijs stukmaakte. Zie voetnoot 831.
Zie ook voetnoot 1203.
Dat wil overigens nadrukkelijk niet zeggen dat vanuit het oogpunt van andere beginselen (in het bijzonder het ultimum remedium-beginsel, zie §4.4) niet alsnog terughoudendheid moet worden betracht.
Prakken & Roef 2004, p. 253-254. Zie ook: Lintz 2007, p. 244.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Veel van de hierna in §4.4 nog te bespreken praktische nadelen van strafbaarstelling van voorfasedelicten veronderstellen dat de politie actief op zoek moet gaan naar strafbaar gestelde gedragingen. De Nederlandse overheid is echter – buiten gevallen van positieve mensenrechtelijke verplichtingen – niet verplicht alle strafbepalingen ook daadwerkelijk te handhaven. De actieve opsporing en vervolging van alle voorfasedelicten is erg kostbaar, maar van de voorfasehandelingen die de politie toevalligerwijs op het spoor komt valt goed te betogen dat deze ook daadwerkelijk effectief moeten kunnen worden bestraft, aangenomen dat dat opportuun wordt geacht.1 De kosten van opsporing zijn dan immers zeer laag of zelfs afwezig. Bovendien zijn politie en justitie ook dan nog niet verplicht om te vervolgen. Zij kunnen zelfs uit opportuniteitsoverwegingen kiezen om het meest geschikte moment om in te grijpen af te wachten.2 Wat dat betreft is de conclusie al snel dat het net beter voldoende breed kan worden uitgeworpen, zodat de strafbaarstelling in ieder geval beschikbaar is in de gevallen waarin de toegevoegde waarde wél aanwezig is.3
In het verlengde daarvan is ook het grote aandeel misdrijven tegen collectieve rechtsgoederen waarbij de voorfase is strafbaar gesteld vanuit functionalistisch perspectief te verklaren. Bij misdrijven tegen collectieve rechtsgoederen is er immers niet steeds een eenvoudig aanwijsbaar individueel slachtoffer dat een reden heeft zich bij de politie te melden. De politie kan dan niet wachten op een aangifte, maar moet naar de aard van de zaak proactief aan de slag.4 Het zou weinig efficiënt zijn als zij vervolgens, nadat ze een dergelijke zaak op het spoor is gekomen, weer zou moeten wachten tot er daadwerkelijk gevolgen zijn opgetreden. Vooral bij terrorismegerelateerde delicten is dat duidelijk. De uitdijing van strafbaarheid in de voorfase is vanuit dit perspectief mogelijk niet zozeer een doel op zich, maar ‘slechts’ de praktische keerzijde van een toenemende aandacht voor de bescherming van collectieve rechtsgoederen.