Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.3.5
2.3.5 Verbale gedragingen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715538:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pompe 1959, p. 204-205; Ullmann 1941, p. 44-45.
Monballyu 1990, p. 305-306.
Wel wordt in artikel 13 paragraaf 1 (en artikel 3 paragraaf 15) nog benadrukt dat de enkele kwade gedachten niet strafbaar zijn.
Monballyu 1990, p. 306-307. Terugtred van huurmoord was mogelijk tot de huurmoordenaar begon met voorbereidingshandelingen en leidde dan tot strafvermindering (Monballyu 1990, p. 308). Doorgaans leidde terugtred naar de Italiaanse strafrechtsleer overigens tot straffeloosheid, maar voor bepaalde zware misdrijven, zoals huurmoord, werd een uitzondering gemaakt. Vanwege een golf aan afpersingen onder bedreiging met brandstichting door rondzwervende soldaten in de zuidelijke Nederlanden in het midden van de 16e-eeuw werd bovendien door sommige auteurs een uitzondering gemaakt voor daders die hun voornemen tot brandstichting mondeling of schriftelijk hadden geuit (Monballyu 1990, p. 305. Zie ook: Keijzer 1983, p. 18). Deze afpersers zouden volgens deze auteurs daarvoor even zwaar moeten worden gestraft als voor het voltooide delict (Monballyu 1990, p. 312). De Vlaamse strafrechters gingen daar in de praktijk overigens meestal niet in mee (Monballyu 1990, p. 312-313).
Monballyu 1990, p. 305-306. In Frankrijk werd van deze mogelijkheid aan het eind van de 16e eeuw gebruik (of wellicht beter: misbruik) gemaakt door personen, die tijdens de biecht hun voornemen uitten om de koning te vermoorden, ter dood te veroordelen (Monballyu 1990, p. 306). Monballyu wijst als tweede voorbeeld op vrouwenroof. Hij merkt echter op dat het onduidelijk is of Damhouder daar ook de enkele uiten van de intentie als voldoende strafwaardig beschouwde. Nu Damhouder zelf enkel een voorbeeld geeft van een gedraging – het gewapend op weg gaan – laat ik dit misdrijf hier buiten beschouwing. Zie verder Monballyu 1990, p. 306, voetnoot 30.
Zo betoogden in 1920 enkele Kamerleden dat het wetsvoorstel om de strafbaarstelling van opruiing op te rekken de vrijheid van gedachten aantast, maar de minister meent dat dit niet het geval is, nu strafbaarheid pas intreedt wanneer de gedachte wordt omgezet in handelingen (Kamerstukken II 1919/20, 428, nr. 5, p. 12. Zie ook: Kamerstukken II 1919/20, 428, nr. 4, p. 5 en 9; Kamerstukken I 1919/20, 428, nr. 428, p. 754).
Handelingen II 2008/09, nr. 65, p. 5192. Zie bijvoorbeeld Rb. Alkmaar 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBALK:2012:BX6046.
Keulen 2009a, p. 71. Vanuit liberaal oogpunt is dat uiteraard wederom de omgekeerde wereld.
Reijntjes 1977, p. 422, voetnoot 11.
Op het grondfeit (artikel 141 Sr) staat een gevangenisstraf van maximaal vier jaar en zes maanden, zodat de gewone voorbereidingsregeling van artikel 46 Sr niet van toepassing is, laat staan de samenspanningsregeling. De Raad van State stelde dan ook de vraag waarom de wetgever voor dit strafbare feit een uitzondering maakt en voor andere delicten – soms zelfs met een hoger strafmaximum – niet (Bijlage bij Kamerstukken I 2009/10, 31467, G, p. 8).
Het lijkt bijvoorbeeld niet onwaarschijnlijk dat de (niet strafbare) voorbereiding van mishandeling (artikel 300 Sr) meer angst oproept dan de voorbereiding van de (strafbare) omkoping van een ambtenaar (artikel 177 Sr) of valsheid in geschrifte (artikel 226 Sr).
De vraag blijft dan wel of niet beter de strafmaxima van de gronddelicten kunnen worden heroverwogen.
Niet alleen een actus facti, maar ook een actus verbi kan de intentie van de dader openbaren en onrust veroorzaken.1 Hoewel historisch gezien het (mondeling of schriftelijk) uiten van de intentie om een bepaald misdrijf te plegen vaak niet strafbaar was als poging, zijn dan ook de nodige uitzonderingen op deze hoofdregel aan te wijzen.2 Zo stelt de Constitutio Criminalis Theresiana in artikel 13 paragraaf 3 naast de voltooide en onvoltooide poging ook (a) het uiten van de oprechte intentie om een misdrijf te plegen en (b) het houden van voorbereidende gesprekken strafbaar.3 En ook voor sommige 15een 16e-eeuwse Nederlandse juristen was het vragen van advies over abortus reeds strafbaar als poging tot vruchtafdrijving, stond het doen van een oneerbaar voorstel gelijk aan poging tot overspel en was poging tot (huur)moord reeds strafbaar als de dader met de huurmoordenaar een overeenkomst had gemaakt.4 Ook werd wel bepleit dat (wereldlijke) majesteitsschennis reeds strafbaar moest zijn als de dader op welke wijze dan ook blijk had gegeven van zijn voornemen om dit misdrijf te plegen.5
Zeker nu ook delicten als opruiing en bedreiging enkel of primair uit verbale handelingen kunnen bestaan, is het niet vreemd om te denken dat ook verbale gedragingen aan het daadstrafrechtbeginsel moeten kunnen voldoen.6 Veel strafbaarstellingen in de voorfase bestaan ook in belangrijke mate uit verbale gedragingen. Een belangrijk onderdeel van artikel 141a Sr betreft bijvoorbeeld het voorbereiden of organiseren van geweldpleging tussen groepen.7 Die gedraging verschilt maar weinig van de voor samenspanning vereiste overeenkomst om een misdrijf te plegen. Het is ook lastig in te zien waarom het maken van een afspraak om een bepaald misdrijf te plegen minder strafrechtelijk relevant zou zijn dan het voorhanden hebben van bijvoorbeeld geld met de intentie om daarmee datzelfde misdrijf te plegen.8 Verbale gedragingen kunnen als zodanig weliswaar geen gevolgen veroorzaken, maar ze kunnen evengoed als fysieke gedragingen onrust veroorzaken en zijn wellicht zelfs geschikter om ondubbelzinnig intenties te uiten dan fysieke handelingen. Daarvoor hoeft de verbale gedraging niet eens zo heel concreet en toekomstgericht te zijn. Denk bijvoorbeeld aan artikel 1 lid 3 sub a van de Engelse Terrorism Act 2006, dat het verheerlijken van het plegen (of voorbereiden) van terrorisme verbiedt en daarbij reeds gepleegd terrorisme, nog te plegen terrorisme en terrorisme in het algemeen op één hoop gooit. Dat daarmee het enkele spreken over intenties al tot strafbaarheid kan leiden, hoeft volgens sommigen nog geen strijd op te leveren met het daadstrafrechtbeginsel. Per slot van rekening worden nog altijd geen intenties als zodanig bestraft, maar slechts de openbaring en aanvaarding van die intenties, in de vorm van een (verbale) gedraging.9
De onrust die uit de gedraging voortvloeit kan mogelijk ook verklaren waarom voorbereiding van geweldpleging (artikel 141a Sr) zelfstandig strafbaar is gesteld ondanks het lage strafmaximum op het voltooide delict, terwijl voor andere delicten – soms zelfs met een hoger stafmaximum – geen uitzondering is gemaakt.10 Het lijkt mij niet onaannemelijk dat de dreiging van grootschalige, gewelddadige confrontaties meer vrees oproept dan veel niet-geweldsdelicten, zelfs als deze met een hoger strafmaximum worden bedreigd.11 Dat kan ook verklaren waarom bijvoorbeeld grooming (artikel 248e Sr) strafbaar is gesteld. Sommige vormen van ontucht met minderjarigen voldoen niet aan het strafmaximum van acht jaar, terwijl de – uit verbale gedragingen bestaande – voorbereiding daarvan vermoedelijk wel hevige (emotionele) reacties zal oproepen. De strafbaarstelling van grooming komt aan die emoties tegemoet.12