Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.4.4.2
5.4.4.2 Evaluatie
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186490:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover nader par. 6.4 en 6.5.
A. van Hees 1989, par. IV.4 en Fransis 2017, nr. 233 e.v.
Vgl. HR 20 maart 2015, JOR 2015/140 (Nationalisatie SNS), r.o. 4.34.4. Vgl. naar Duits recht Peters 1988, p. 688.
Zo ook Fransis 2017, nr. 235 en A. van Hees 1989, p. 104.
Zie par. 7.3.4.4 en 7.4.3.2.
Zie ook Fransis 2017, nr. 234 en Beale e.a. 2012, nr. 6.95 en 6.96.
Zo ook A. van Hees 1989, p. 104 e.v. Zie ook Spinath 2005, p. 10.
Art. 53 lid 3 Fw en Faber 2007, p. 484.
HR 18 oktober 2002, NJ 2003/503, JOR 2002/234 (Curatoren Habo/Besix). Zie ook par. 9.4.3.2.
Zie art. 3:296 lid 2 BW, par. 6.5.4.2 en par. 5.5.4.3.
214. De constructie van de juniorvordering als voorwaardelijke vordering is aantrekkelijk door zijn eenvoud, maar verhoudt zich moeizaam tot het karakter van de eigenlijke achterstelling. Een opschortende voorwaarde kan hooguit een oneigenlijke achterstelling opleveren.1 Ook Fransis en A. van Hees wijzen een dergelijke kwalificatie af.2 Hiervoor bestaan verschillende redenen.
De kwalificatie van een eigenlijk achtergestelde vordering als vordering onder opschortende voorwaarde verklaart om te beginnen de verlaging van de rang van die vordering niet. Een voorwaarde heeft immers geen invloed op de rang van de vordering.3 Daarom wordt een voorwaardelijke vordering in een rangregeling niet behandeld als een vordering met gewijzigde rang. Voorwaardelijke vorderingen worden ofwel onvoorwaardelijk erkend naar contante waarde als concurrente vordering, ofwel erkend als concurrente vordering voor het volledige bedrag met behoud van voorwaarde.4
215. In het bijzonder bij specifieke achterstellingen blijkt dat een voorwaarde andere gevolgen heeft dan rangverlaging. Het is onmogelijk om een specifieke achterstelling te kwalificeren als de toepassing van een opschortende voorwaarde omdat iedere schuldeiser van de gemeenschappelijke schuldenaar zich kan beroepen op het bestaan van de voorwaarde.5 Dat blijkt uit het volgende voorbeeld.
Beschouw een schuldenaar met drie schuldeisers A, B en C. Schuldeiser A heeft geprobeerd zijn vordering specifiek achter te stellen bij de vordering van B. Daarom heeft A aan zijn vordering een opschortende voorwaarde verbonden die in vervulling gaat bij volledige betaling van B. Dit lijkt de vordering van A specifiek achter te stellen bij die van B, maar dat is niet het geval. Als de voorwaarde niet is vervuld kan ook C erop wijzen dat aan de vordering van A een opschortende voorwaarde is verbonden. C profiteert van de voorwaarde omdat de vordering van A in een eventueel faillissement van de schuldenaar wordt behandeld als een voorwaardelijke vordering. De vordering van A wordt daarom erkend voor een lager bedrag of erkend met behoud van de voorwaarde.6 De achterstelling bevoordeelt dus niet alleen B maar ook C en eventuele andere schuldeisers.7 Met een voorwaarde kan dus geen specifieke achterstelling worden gecreëerd.
Dat is des te problematischer omdat algemene en specifieke achterstellingen beide uitingsvormen van hetzelfde verschijnsel zijn. Een kwalificatie van de eigenlijke achterstelling moet dus zowel de specifieke als de algemene achterstelling kunnen dragen.8
216. Ook uit de mogelijkheden tot verrekening blijkt dat een eigenlijk achtergestelde vordering geen vordering onder opschortende voorwaarde is. Een vordering onder opschortende voorwaarde kan tijdens faillissement slechts worden verrekend tot het bedrag waarvoor die met toepassing van artikel 130 Fw kan worden erkend.9 Een eigenlijke achterstelling staat daarentegen niet in de weg aan verrekening voor het volledige bedrag van de vordering.10
Hetzelfde treedt op bij een directe vordering tot nakoming. De schuldeiser van een verbintenis onder opschortende voorwaarde kan geen nakoming van zijn vordering afdwingen terwijl rangverlaging, zeker buiten gevallen van concursus, niet in de weg staat aan een vordering tot nakoming.11