Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.6.6
4.6.6 Danfoss en Astro-Zeneca-arrest
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297055:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Overigens was uit overweging 56 in HvJ EG 19 september 2000, zaken C-177/99 en 181/99 (Ampafrance en Sanofi Synthelabo), V-N 2000/48.19, al af te leiden dat het Hof van Justitie EU geen moeite heeft met de aftrek van btw die drukt op uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, ontvangsten en ontspanning wanneer uit objectieve gegevens blijkt dat de uitgaven strikt beroepsmatige doeleinden dienen. De beschikking van de Commissie waarin aan Frankrijk toestemming werd gegeven om ongeclausuleerd de aftrek van btw op uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, ontvangsten en ontspanning uit te sluiten werd door het Hof ongeldig verklaard.
In het Danfoss en Astro-Zeneca-arrest ging het (o.a.) om de vraag of bij de gratis verstrekking van maaltijden in een kantine en bij vergaderingen aan zakenrelaties en aan personeel sprake is van een fictieve levering (ex art. 5, lid 6, Zesde richtlijn) of fictieve dienst (ex art. 6, lid 2, Zesde richtlijn).
A-G Sharpston komt tot de conclusie dat het door een ondernemer verstrekken van maaltijden om niet aan zakenrelaties in de eigen kantine van de onderneming valt onder de art. 5, lid 6, en/of art. 6, lid 2, Zesde richtlijn wanneer de maaltijdvoorziening hoofdzakelijk andere dan bedrijfsdoeleinden dient. Dergelijke prestaties kunnen echter ook hoofdzakelijk bedrijfsdoeleinden dienen, in het bijzonder wanneer deze beogen de doeltreffendheid te verhogen van bijeenkomsten waar de ontvangers aan deelnemen, en in zulke omstandigheden vallen zij niet onder de genoemde bepalingen. Dezelfde bepalingen zijn van toepassing op het door een ondernemer verstrekken van maaltijden om niet aan het personeel in de eigen kantine van de onderneming wanneer de maaltijden hoofdzakelijk de privédoeleinden van de werknemers dienen. Deze prestaties kunnen echter ook hoofdzakelijk bedrijfsdoeleinden van de werkgever dienen, in het bijzonder wanneer met het bedrijf verband houdende beperkingen van de werknemer verlangen dat hij keuzes prijsgeeft die hij anders zou hebben gehad, en gebruik maakt van de maaltijdvoorziening; in deze gevallen zijn genoemde bepalingen niet van toepassing. Dit standpunt (fictieve heffing in het geval dat de maaltijdverstrekking hoofdzakelijk andere dan bedrijfsdoeleinden, dus privédoeleinden, dient) heeft tot gevolg dat niet aan fictieve heffing zou worden toegekomen wanneer de maaltijdverstrekking niet hoofdzakelijk maar toch nog steeds in belangrijke mate de privédoeleinden van de zakenrelaties of werknemers dient (bijv. voor 50%). Zover wil het Hof van Justitie EU niet gaan. Het Hof van Justitie EU verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op het om niet verstrekken van maaltijden in de bedrijfskantine aan zakenrelaties in het kader van bijeenkomsten die plaatsvinden binnen de onderneming, wanneer uit objectieve gegevens blijkt – wat door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd – dat die maaltijden uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden verstrekt. Voorts is deze bepaling in beginsel van toepassing op het verstrekken om niet van maaltijden door een onderneming aan haar personeel in haar bedrijfsruimten, tenzij – wat eveneens door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld – de behoeften van de onderneming, zoals de noodzaak de continuïteit en het goede verloop van de zakelijke bijeenkomsten te garanderen, verlangen dat die maaltijden door de werkgever worden verstrekt.
Verstrekkingen om niet aan zakenrelaties (i.c. maaltijden) uitsluitend voor beroepsdoeleinden leiden dus niet tot een fictieve dienst in de zin van art. 6, lid 2, Zesde richtlijn (thans: art. 26 btw-richtlijn). Verstrekkingen om niet aan personeel leiden in beginsel wel tot een fictieve dienst tenzij de behoeften van de onderneming verlangen dat de maaltijden door de werkgever worden verstrekt. Deze laatste vaststelling is in overeenstemming met de eerdere beslissing van het Hof van Justitie EU in het Fillibeck-arrest (zie onderdeel 4.6.3).1 Anders dan de A-G is het Hof van Justitie EU dus van mening dat een fictieve heffing plaatsvindt wanneer de verstrekking bijvoorbeeld voor 50% de privédoeleinden van zakenrelatie of werknemer dient.