Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.2.2.1
5.2.2.1 Ruime opvatting versus beperkte opvatting en varianten in beide opvattingen
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS446223:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Slagter (Personenassociaties III), III.1.2., Hamers & Van Vliet (2012), p. 94.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 371, Pitlo/Raaijmakers (2000), p. 175, Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 2.6.9, Huizink (2000), p. 64, Huizink (2011), p. 62, Mohr & Meijers (2009), nr. 4.5.1, Wery (2003), p. 101.
Heyman (1988), p. 12, Meijers (1996), p. 202-205, Meijers (1997), p. 171-173, Meijers (2004), p. 28, Mohr & Meijers (2009), p. 174, Slagter (Personenassociaties III), III.1.2. en III.1.4a.
Binger (1865), p. 141-179; zie 2.2.1.2.1 onder b) hierboven.
Duynstee (1940), p. 155 e.v., Duynstee (1942a), p. 103 en in Handelingen NJV (1942- 1946), p. 131-132; zie 2.2.1.2.2 onder c) hierboven.
Asser/Maeijer (1981), p. 337, Wezeman (1986), p. 654, Asser/Maeijer 5-V (1989), nr. 371, Van Olffen (1989), p. 134 (meer neigend naar de beperkte leer evenwel: Van Olffen (1990), p. 447), Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 371, Blanco Fernández (2001), p. 265; zie 2.2.1.2.3 onder c) hierboven.
Kamerstukken II 2002/03, 28 746, B (Advies Raad van State en nader rapport), p. 17, Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 3 (MvT), p. 76, Kamerstukken II, 2003/04, 28 746, nr. 5 (Nota n.a.v. Verslag), p. 29-30 en Kamerstukken I, 2005/06, 28 746, C (MvA), p. 20-21.
Zoals in hoofdstuk 2 is uiteengezet is in de huidige wettelijke regeling de reikwijdte van het bestuursverbod het grootste knelpunt: in nevelen blijft gehuld welk gedrag van een commanditaire vennoot nu precies door het wettelijke verbod wordt getroffen. Zoals in hoofdstuk 2 uitvoerig aan de orde is geweest, staan hier twee opvattingen tegenover elkaar, de beperkte en de ruime opvatting, waarbij elk van beide opvattingen in enige varianten voorkomt. Ter wille van een goed begrip herhaal ik kort de hoofdlijnen van elk van beide opvattingen en deze varianten. De beperkte opvatting leert dat het de commanditair verboden is extern namens de vennootschap op te treden. Over de omvang van dit verbod lopen de meningen uiteen. De strengste visie is dat iedere vertegenwoordigingshandeling van de commanditaire vennoot door het bestuursverbod wordt getroffen, hoe onbeduidend ook.1 Anderen gaan minder ver en menen dat het een commanditair slechts verboden is die externe handelingen te verrichten die als bestuurshandelingen kunnen worden aangemerkt. Slechts wanneer de commanditair dit soort handelingen verricht is het denkbaar dat bij derden de indruk wordt gevestigd dat hij een besturende vennoot is en daarmee hoofdelijk verbonden is voor de vennootschapsschulden.2 Ook ik behoor tot de aanhangers van deze opvatting: op basis van de geschiedenis van art. 20 lid 2 WvK zoals uitvoerig in hoofdstuk 2 beschreven en de rechtsgronden waarop deze bepaling rust komt het mij voor dat ons recht de commanditaire vennoot noch verbiedt zich slechts intern manifesterende handelingen te verrichten noch verbiedt zich extern te manifesterende handelingen te verrichten die redelijkerwijze niet als bestuurshandelingen zijn te duiden.
Interessant is dat heden ten dage een niet onbelangrijk aantal aanhangers van de beperkte leer een correctie op deze leer aanbrengt voor het geval dat de commanditair hetzij feitelijk in staat is hetzij op grond van het vennootschapscontract bevoegd is de gecommanditeerde vennoot zodanige instructies ter zake van de bedrijfsvoering te geven, dat er voor deze laatste geen enkele beleidsruimte meer overblijft.3 In deze situatie achten de meeste aanhangers van de beperkte leer het bestuursverbod overtreden, ook al verricht de commanditair geen enkele externe handeling ter uitvoering van dergelijke beleidsinstructies maar laat hij deze uitvoering geheel over aan de gecommanditeerde vennoot. Daarmee wordt een brug geslagen naar de ruime leer. Deze houdt in dat het de commanditaire vennoot niet alleen verboden is zich extern manifesterende (al dan niet bestuurs-)handelingen te verrichten, maar het hem daarnaast ook verboden is interne zeggenschap binnen de commanditaire vennootschap uit te oefenen. De meest extensieve variant van de ruime opvatting werd verdedigd door Binger. In 1865 betoogde hij dat de commanditaire vennoot geen enkele zeggenschap toekwam ten aanzien van de wijze waarop de vennootschap wordt bestuurd.4 Hij kwam tot deze opvatting als een noodzakelijk sequeel van zijn rechtshistorische bevinding dat de commanditair niet kon worden gezien als een vennoot zoals bedoeld in de wet. De dragende grond voor zijn opvatting was dus noch het risico dat de derde in verwarring zou kunnen geraken over de vennootschappelijke positie van de namens de commanditaire vennootschap optredende vennoot, noch het risico dat de commanditair met bestuursbevoegdheid al te gewaagde handelingen voor rekening van de vennootschap aan zou gaan. De eerste die na Binger de ruime leer propageerde was Duynstee, die in 1940 betoogde dat het de commanditair, die hij overigens wel als een vennoot beschouwde, in het algemeen niet vrij stond intern een directe zeggingsmacht op het bestuur uit te oefenen.5 Hij baseerde deze opvatting wèl op een van de traditionele gronden die voor het bestuursverbod worden aangevoerd: hij meende dat een intern overwicht van de commanditair het risico insloot dat de commanditair de vennootschap in commercieel onverantwoorde rechtshandelingen zou storten. Tegenwoordig wordt door de aanhangers van de ruime leer een mildere variant verdedigd: grosso modo stellen zij zich op het standpunt dat het de commanditair verboden is een ‘overheersende invloed’ uit te oefenen. Met deze pluri-interpretabele term wordt bedoeld dat de vennoten niet een situatie in het leven kunnen roepen waarbij de gecommanditeerde vennoot slechts kan handelen overeenkomstig de wensen of de instructies van de commanditaire vennoot.6 Het bestuursverbod in art. 7:837 lid 2 BW zoals voorgesteld in het wetsvoorstel Personenvennootschappen, dat de commanditaire vennoot verbood een ‘beslissende invloed’ op het handelen van de gecommanditeerde vennoot uit te oefenen, past in deze lijn. Deze bepaling had blijkens de parlementaire geschiedenis geen verdergaande bedoeling dan het bestrijden van typische misbruiksituaties, waarin de gecommanditeerde vennoot als het ware een instrument is van de commanditaire vennoot en slechts als diens stroman functioneert.7 De commanditair kan dus in de ruime opvatting zoals die heden ten dage wordt verstaan wel enige interne invloed op het bestuur worden toegekend, mits en zolang hij niet alle vennootschappelijke beslissingsmacht van de gecommanditeerde vennoot usurpeert. Zo verstaan assimileert de ruime leer zich in verregaande mate met de beperkte leer zoals die thans door een aantal aanhangers daarvan wordt verdedigd.