Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/1.4
1.4 Nieuwe ontwikkelingen: de Vierde tranche van de Awb en de Wet OMafdoening
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Otto, De Meijer, De Doelder, 'De bestuurlijke boete in perspectief en Verheij, 'Het wetgevingsbeleid inzake bestuurlijke boeten', beiden in: De bestuurlijke boete in perspectief (1999).
Van Erp en Van Ewijk, Werklast bestuurlijke boete (2005), hoofdstuk 1.
Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten, Handhaving door bestuurlijke boeten (1994).
Commissie heroverweging instrumentarium rechtshandhaving, Het recht ten uitvoer gelegd (1995).
Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving, Handhaven op niveau (1998).
Op deze plaats volsta ik met een verwijzing naar Rogier, Strafsancties, administratieve sancties en het una via-beginsel (Arnhem, 1992).
Kamerstukken II 1999/2000, 26 800. VI, nr. 67, p. 9-10.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 800. VI, nr. 67, p. 10-12.
Kamerstukken II 1999/2000, 26 800. VI, nr. 67, p. 13.
Sluysmans, 'De Mededingingswet als boetewet', in: Bestuurlijke punitieve sancties (2006), p. 100-102. Inmiddels is de wetgever tot een gewijzigd inzicht gekomen. Bestuurders zouden ingeval van zware kartelovertedingen ook celstraffen moeten kunnen krijgen. Zie Korsten en Van Wanmoij, Nederlands Mededingingsrecht (2008), p. 349-350. Zie voorts de brief van de Minister van Economische zaken van 24 juli 2008, EP/EMC/8087832.
Bffiring, De bestuurlijke boete (2005), p. 30.
Zie daarover Hartmann en Rogier, 'Bestuurlijke handhaving in het wetsvoorstel Vierde tranche Awb', NJ73 2004, 36, p. 1881.
Stb. 2006, 330. De voorbereidingen voor de implementatie waren reeds in 2006 in volle gang. Zie daarover Lamboo, 'OM-afdoening is winst voor hele keten', Justitie Magazine 2006/4. Toch heeft het tot februari 2008 geduurd dat de wet werd ingevoerd en dan nog slechts als een beperkte pilot.
Ik verwijs naar Harlmann en Van Russen Groen, Contouren van het bestuursstrafrecht (1998), p. 116118.
Het recht ten uitvoer gelegd (1995).
Groenhuijsen en Knigge (red.), Dwangmiddelen en Rechtsmiddelen: Derde interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001 (2002). Het eerste spoor ziet op de zwaarste strafzaken (gevangenisstraf van meer dan een jaar), het tweede spoor ziet op de strafzaken waarin een gevangenisstraf van niet langer dan een jaar op het spel staat en het derde spoor ziet op de zaken waarin geen vrijheidsbenemende sanctie aan de orde is.
In het derde interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, werd geadviseerd gewoon beroep open te stellen tegen de strafbeschikking, waarbij de feitsomschrijving in de beschikking fungeert als tenlastelegging. Het rechtsmiddel van verzet zou volgens het rapport onder het huidige procesrecht alleen nog een zinvolle figuur kunnen vormen bij verstekarresten in hoger beroep. Zie Groenhuijsen en Knigge (red.), Dwangmiddelen en Rechtsmiddelen: Derde interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001 (2002), p. 37-42.
Kamerstukken 1 2005/06, 29 849, E, p. 4.
Hier moet wel een nuancering worden aangebracht. Een aantal bestuurswetten voorziet wel in de mogelijkheid dat de bestuursrechter de boete in beroep of in hoger beroep hoger vaststelstelt dan het bestuur heeft gedaan, uiteraard binnen het wettelijke maximum. Zie onder meer art. 17f Kinderbij-slagwet, art. 118 Wet werk in inkomen naar arbeidsvermogen, art. 14f Toeslagenwet, art. 19d lid 4 Wet arbeid vreemdelingenwet en art. 18g lid 4 Wet minimumloon en vakantiebijslag.
Kamerstukken 1 2005/06, 29 849, E, p. 5-7.
Kamerstukken I 2009 /10, 32 123 VI, nr. I, p. 1-2.
Kamerstukken 12008/09, 31 700 VI, D, p. 6.
In enkele bijdragen van de in 1999 verschenen bundel De bestuurlijke boete in perspectief1en in de in 2005 verschenen WODC-studie Werklast bestuurlijke boete2wordt het wetgevingsbeleid inzake de bestuurlijke boete vanaf de invoering van de Awb geschetst aan de hand van de rapporten van de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten (Commissie Kortmann),3 de Commissie heroverweging instrumentarium rechtshandhaving (Commissie Korthals-Altes)4 en de Commissie bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving (Commissie Michiels).5 Ik noem hier enkele kernpunten van de uitgebrachte rapporten. De Commissie Kortmann die positief stond tegenover de bestuurlijke boete; benadrukt werd de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur voor de handhaving van het economisch ordeningsrecht — heeft in 1994 een tweetal modellen voor een boeteregeling gepresenteerd. In model A wordt — zoals in de WAHV — het strafrecht uitgesloten, tenzij sprake is van letsel of schade. Het bestuur heeft geen beleidsruimte en in de wet is de boete gefixeerd. In model B staat — net als in de AWR — voor dezelfde overtreding zowel de strafrechtelijke als de bestuursrechtelijke weg open, zij het dat niet twee sancties kunnen worden opgelegd. Het bestuur heeft beleidsruimte bij de vaststelling van de boete. De modellen zien aldus mede op de invulling van het una via-beginsel.6 De Commissie Kortmann heeft een voorkeur voor model A: de wetgever moet de norm stellen. De Commissie Korthals-Altes stond een jaar later, het economische ordeningsrecht daargelaten, niet positief tegenover bestraffende handhaving door bestuursorganen.
De bestuursorganen belast met toezicht zouden over onvoldoende afstand en objectiviteit beschikken om te worden belast met repressief toezicht. De Commissie Korthals-Altes zag meer in repressieve handhaving door een bestuurlijke tak van het openbaar ministerie, hetgeen ook weer (deels) aansloot bij de WAHV. In 1998 concludeerde de Commissie Michiels vervolgens dat er weliswaar sprake is van een handhavingstekort, maar dat dit vooral voortvloeit uit een te beperkt gebruik van bestaande handhavingsinstrumenten. Vooral bestraffende handhaving door decentrale overheden zou uit een oogpunt van rechtsongelijkheid op bezwaren stuiten.
Het kabinet ziet een drietal voordelen in de toepassing van bestuurlijke boeten:
de eigen verantwoordelijkheid van het bestuur voor de handhaving komt daarmee tot uitdrukking;
de controle neemt toe en daarmee een verhoging van de pakkans van die delicten die het bij een zuiver strafrechtelijke afweging zullen afleggen tegen ernstiger delicten;
een doelmatigheidswinst voor delicten die zonder tussenkomst van het OM kunnen worden beboet.7
Volgens het kabinet is er een aantal (typen) normen die zonder bezwaar met een bestuurlijke boete kunnen worden gehandhaafd, in de zin dat het gaat om heldere normen met een geringe normatieve lading, waarvan overtreding zich leent om te worden bestraft met vaste tarieven, waarvan documentatie met het oog op recidive niet nodig is, die niet in belangrijke mate door criminele organisaties worden gepleegd, waarvoor alleen dwangmiddelen nodig zijn om de identiteit van de dader vast te stellen. Het gaat derhalve om normen aan de randen van de harde kern van het strafrecht:
secundaire bepalingen, die het toezicht door het bestuur mogelijk moeten maken;
financiële en administratieve verplichtingen waarvan afdoening door het strafrecht geen toegevoegde waarde heeft;
normering van gedrag op door de overheid gereguleerde markten, waarbij de wetgever gespecialiseerde instellingen belast heeft met punitieve handhaving.8
Het kabinet kiest daarbij ten dele voor model B: er moet zowel strafrechtelijke als bestuurlijke handhaving mogelijk zijn, mits geen dubbele bestraffing plaats vindt.9 Daarbij wordt echter, zo blijkt bijvoorbeeld uit de Wet IDBB en de Vierde Tranche Awb, niet onverkort aangesloten bij de aan model B klevende beleidsvrijheid van het bestuur om binnen een boetemaximum een boete op te leggen. Een variant op model A vormde de Mededingingswet. Daar heeft de wetgever destijds gekozen voor uitsluitend afdoening via het bestuursrecht, maar wel voor een beleidsvrijheid van het bestuur.10 Na een lange aanloop — het voorontwerp Vierde tranche van de commissie Scheltema uit 1999 heeft bijna vijf jaar in de lade gelegen — lijkt de tijd aangebroken om in de Awb — als aanbouwwetgeving — een algemene codificatie van de bestuurlijke boete op te nemen teneinde eenheid te brengen in de oplegging van bestuurlijke boeten en de daarbij behorende waarborgen. Brfiring merkt in dit verband op dat de bestaande boeteregelingen door diverse departementen zijn voorbereid met als gevolg dat de boeteregelingen op een aantal punten uiteenlopend zijn ingevuld:
`Weliswaar heeft men steeds geprobeerd recht te doen aan de eisen van art. 6 EVRM, maar dit heeft niet kunnen verhinderen dat zich verschillen voordoen op punten als het zwijgrecht, de cautieplicht, una via, de hoogte van de boete, de executie en inning van de boete, en de schorsende werking van het aanwenden van een rechtsmiddel.'11
De Vierde tranche Awb voorziet onder meer in een nieuwe titel 4.4. genaamd Bestuursrechtelijke geldschulden (hoofdstuk 4) en in een geheel aangepast hoofdstuk 5 genaamd Handhaving. Daarin zijn de oude bepalingen inzake bestuursdwang en dwangsom deels gewijzigd. Hier is echter van belang dat voorts is voorzien in een titel inzake de bestuurlijke boete en in een aantal algemene bepalingen die van toepassing zijn op sancties. Ik noem hier kort een aantal onderwerpen dat de Vierde tranche regelt: een definitie van overtreder en overtreding, wettelijke grondslag, rechtvaardigingsgrond als uitsluitingsgrond, definitie boete, ontbreken verwijtbaarheid als uitsluitingsgrond, invordering en bestemming boete, zwijgrecht (nemo tenetur), verval en vervaltermijn boete, geen cumulatie van boeten voor dezelfde overtreding (ne bis in idem), geen cumulatie strafvervolging en boete voor dezelfde overtreding (una via), wettelijke vaststelling van het het boetemaximum, afstemming bij boetemaximum en matiging bij vaste boete, toepassing meest gunstige bepaling (lex mitior), boeterapport, zienswijze, mogelijkheid uitbreiding toepassing op andere bestraffende sancties dan boeten. Een aantal van deze onderwerpen is geregeld in het algemene deel (titel 5.1 Awb) en een aantal onderwerpen is geregeld in het deel dat specifiek ziet op boeten (titel 5.4 Awb). Opvallend is dat de regering enerzijds in de MvT aansluiting zoekt bij diverse strafrechtelijke leerstukken (daderschap, samenloop en dubbele vervolging), maar heel bewust afziet van het opnemen van bewijsregels. De regering wil ook voor bestuurlijke boetes vasthouden aan de zogeheten vrij-bewijsleer in het bestuursrecht. Maatstaf vormt hier aldus art. 3:2 Awb en art. 6 lid 2 EVRM.12
Parallel aan de verdere codificatie van de bestuurlijke boete in de Awb heeft de wetgever de invoering van de strafbeschikking door het OM ter hand genomen, dit ter vervanging van de OM-transactie. De totstandgekomen wet — de Wet OM-afdoening13 — kent een lange voorgeschiedenis. Vanaf de 1979 zijn in een aantal preadviezen en andere verhandelingen voorstellen gedaan tot omvorming van de vrijblijvende OM-transactie.14 De eerder genoemde Commissie Korthals-Altes15 betoonde zich een voorstander van een constructie waarbij de transactie na de beroepstermijn verandert in een voor tenuitvoerlegging vatbare onherroepelijke beslissing. Met het derde interimrapport onderzoeksproject strafvordering 2001 is vervolgens een nader voorstel uitgewerkt voor afdoening via het derde spoor.16De Wet OM-afdoening voorziet in de mogelijkheid van verzet tegen de strafbeschikking van de officier van justitie.17 De invoering van de strafbeschikking, die mogelijk is voor overtredingen en voor misdrijven waarop een strafmaximum van 6 jaar staat (art. 257a Sv), betekent dat het bestraffende bestuursrecht en het strafrecht verder naar elkaar toe groeien. Waar met de bestuurlijke boete in het bestuursrecht een bestraffend bestuursrecht is geïntroduceerd, wordt nu in het klassieke strafrecht bestuursrecht geïntroduceerd. Hoe verhouden de bestuurlijke boete en de strafbeschikking zich tot elkaar?
Een belangrijke overeenkomst met het bestuursrecht is dat de strafbeschikking rechtskracht heeft en onherroepelijk wordt na afloop van de verzetstermijn (art. 257e Sv). De overtreder moet derhalve, net als in het bestuursrecht, in actie komen, indien hij het niet eens is met de sanctie. Ook kan net als in het bestuursrecht boeteoplegging plaatshebben door verschillende bestuursorganen, althans als een AMvB daar in voorziet, waarbij geldt dat het gebruik van die bevoegdheid plaatsheeft onder toezicht van en volgens richtlijnen van het College van procureurs-generaal (art. 257ba Sv).
Dit laatste doet denken aan art. 37 WED, dat voorziet in de mogelijkheid dat aan door de regering aangewezen 'lichamen of personen, met een publieke taak belast' de bevoegdheid krijgen om binnen te stellen grenzen toepassing te geven aan art. 74 Sr.
De verschillen met het bestuursrecht zijn echter groot. Er is niet alleen een verschil in opsporingsbevoegdheden en andere dwangmiddelen. Ook is er een verschil in strafmodaliteiten. Het OM kan met een strafbeschikking in feite dezelfde straffen opleggen als het kon overeenkomen met een transactie. Dit betreft dus meer dan enkel het verplichten tot het betalen van een geldsom. Opgelegd kunnen worden: een taakstraf, onttrekking aan het verkeer, schadevergoeding en tijdelijke ontzegging rijbewijs. Voorts kunnen nog diverse aanwijzingen in de strafbeschikking worden opgenomen (art. 257a Sv). Ook belangrijk is het verschil in toetsing. Waar de bestuursrechter bovenal toetst (art. 8:1 en 8:69 Awb), geldt ingeval van een ontvankelijk verzet dat de strafrechter de strafzaak op dezelfde wijze berecht als wanneer geen strafbeschikking zou zijn voorafgegaan.18 De omschrijving van de gedraging in de oproeping fungeert in dit verband als tenlastelegging (art. 257f Sv). Het verzet, mits dit tijdig wordt gedaan, schorst ook de tenuitvoerlegging (art. 257g lid 2 Sv). In de verzetsprocedure zijn naast de uitspraak dat het verzet niet-ontvankelijk is ook de dicta zoals we die kennen uit de art. 349, 351 en 352 Sv van toepassing. Daarbij geldt dat, indien de rechter het OM niet-ontvankelijk verklaart, de verdachte vrijspreekt of ontslaat van alle rechtsvervolging of juist veroordeelt, hij tevens de strafbeschikking vernietigt (art. 257f lid 4 Sv). Anders dan in het bestuursrecht toetst de strafrechter dus niet, maar beslist hij net zoals in strafzaken die met een dagvaarding worden ingeleid, althans voor zover het verzet ontvankelijk is. Dit betekent voorts dat anders dan in het bestuursrecht hier niet het verbod van reformatio in peius19geldt: de strafrechter kan een hogere straf opleggen dan de in de strafbeschikking vervatte straf. Het kabinet acht het wenselijk dat het OM net als in de huidige transactiepraktijk een hogere straf op de terechtzitting vordert indien geen reëel verweer wordt gevoerd.20
Echt hard liep de toepassing van de strafbeschikking de eerste jaren na invoering ervan niet. Niettemin is men van zins tot een gestage uitbreiding van de inzet van dit handhavingsinstrument te komen. In een brief van de minister van Justitie van 17 maart 2010 is te lezen:
`De Wet OM-afdoening (wet van 7 juni 2006, Stb. 330) wordt geleidelijk ingevoerd, zodat de betrokken instanties zich goed kunnen voorbereiden op deze stelselwijziging in het strafrecht. In het bijzonder de aanpassing van ICT-systemen vraagt daarbij tijd en zorg. (...) De stand van zaken met betrekking tot de invoering van de strafbeschikking op 1 februari jl. is als volgt. De zaken die thans met een OM-strafbeschikking (257a Sv) worden afgedaan, zijn rijden onder invloed (artikel 8 Wegenverkeerswet 1994) en — in een aantal gemeenten waaronder Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag — overlastfeiten uit de algemene plaatselijke verordening en de plaatselijke afvalstoffenverordening. In 2010 komt gefaseerd de politiestrafbeschikking (257b Sv) beschikbaar en kunnen ook de buitengewoon opsporingambtenaren van de andere gemeenten strafbeschikkingen uitvaardigen voor de genoemde overlastfeiten. In 2011 wordt de bestuurlijke strafbeschikking ingevoerd. Ook dat vindt gefaseerd plaats. (...) De belastingdienst/douane start naar verwachting eind 2010 met het zelfstandig uitvaardigen van (fiscale) strafbeschikkingen. Deze eigenstandige strafbeschikking van de belastingdienst is een uitvloeisel van de aloude transactiebevoegdheid van het bestuur van 's Rijksbelastingen. Op milieuterrein wordt de bestuurlijke strafbeschikking verkozen boven de bestuurlijke boete om te voldoen aan de wens om het bestuur een eigen punitief instrument te geven. Toepassing van de bestuurlijke strafbeschikking (257ba Sv) op milieugebied per 1 januari 2012 wordt voorbereid.'21
Ondanks de mogelijkheid die de Wet OM-afdoening biedt aan bestuursorganen om strafbeschikkingen op te leggen, ziet het kabinet voldoende bestaansrecht voor de bestuurlijke boete. In de Kabinetsnota over de uitgangspunten bij de keuze van een sanctiestelsel wordt de keuze voor het naast elkaar laten bestaan van verschillende sanctiestelsels toegelicht. Vuistregel lijkt te zijn dat in een open context, alsook bij zware overtredingen in een besloten context, in beginsel het primaat ligt bij het strafrecht, waaronder de strafbeschikking. In een besloten context en waar in een open context sprake is van gespecialiseerd toezicht, zoals in het mededingingsrecht, zou vooral de bestuurlijke boete aangewezen zijn. Voorts zou (dit ter verdediging van de Wet bestuurlijke boete overlast in de openbare ruimte) ook in andere gevallen in een open context de bestuurlijke boete, afhankelijk van de lokale omstandigheden, een rol kunnen hebben. Met betrekking tot de besloten context wordt onder meer het volgende overwogen:
`Niet zelden zijn [er tussen overheid en burger] rechtsbetrekkingen die als specifiek zijn aan te duiden: er is in het kader van de uitvoering van de wet een rechtstreekse verbinding tussen een overheidsorgaan en de burger of het bedrijf. De burger is dan belastingplichtige of uitkeringsgerechtigde, de ondernemer heeft met allerlei vergunningen te maken. De overheid heeft tot taak om binnen zulk een "besloten context" gericht toezicht te houden op de naleving van de wet door burgers en bedrijven; die kennen uit dien hoofde het desbetreffende bestuursorgaan, net zoals dat orgaan zijn doelgroep kent. Met dat gerichte toezicht kan de overheid optreden tegen schending van de regels: door de burger of het bedrijf daarop aan te spreken, door een waarschuwing te geven, of door met kracht een einde te maken aan de regelovertreding (door "reparatoire sancties" zoals last onder dwangsom en last onder bestuursdwang). In deze "besloten context" bestaat een voorkeur voor bestuursrechtelijke sanctionering, dat wil zeggen dat als uitgangspunt wordt genomen de idee van een brede verantwoordelijkheid voor de handhaving van het betrokken bestuursorgaan dat met de uitvoering van de wet is belast. De bestuurlijke boete is hier functioneel en kan de andere (bestuursrechtelijke) handhavingsinstrumenten kracht bijzetten in het tot uitdrukking brengen van de afkeuring van de regelovertreding en daarmee verdere overtreding ontmoedigen. Bovendien biedt de bestuurlijke boete soms snellere en eenvoudigere mogelijkheden dan reparatoire sancties.'22