Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/1.8:1.8 Onderzoeksafbakening en probleemstelling
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/1.8
1.8 Onderzoeksafbakening en probleemstelling
Documentgegevens:
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste vergelijking die ik tussen het Nederlandse bestraffende bestuursrecht en het Nederlandse strafrecht wil maken ziet op de rechterlijke activiteit. Centraal staat dus de rechtsbescherming die ik hiervoor heb gedefmieerd. Verschillende processuele, maar ook materieelrechtelijke thema's wil ik dan ook aan de orde stellen aan de hand van de taak van de bestuurs- en de strafrechter waar het gaat om de (beoordeling van het besluit tot) strafoplegging. In bestuursrechtelijke termen gaat het dan om de omvang van het geding (de art. 8:1 en 8:69 Awb), waaronder zowel de kwantiteit (reikwijdte) als de kwaliteit (inhoud) van de toetsing van een besluit valt. In het strafrecht gaat het om de beslissingen op de grondslag van de tenlastelegging (de art. 348 en 350 Sv). De beschrijving van die toetsing of beslissingen in beide rechtsgebieden, waarbij voorts oog voor de onderscheiden functies die het OM en de strafrechter en het bestuur en de bestuursrechter in de rechtsstaat innemen, kan voorts de vervolgvragen opleveren in hoeverre die verschillen zijn te verklaren, of telkens wordt voldaan aan verdragsverplichtingen en of anderszins nog belangrijke bezwaren opdoemen uit een oogpunt van consistentie in normering en handhaving. Met beide vormen van rechtsbescherming is voorts verweven de toegang tot en de toetsing door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Unierechter. Ook de taak en positie van het EHRM en het Hof van Justitie (en het Gerecht) zal ik derhalve in dit onderzoek betrekken, zij het minder uitgebreid dan de toegang tot en toetsing door de nationale straf- en bestuursrechter. De probleemstelling die hier op aansluit is:
1. Hoe is de toegang gewaarborgd tot en wat is de reikwijdte en inhoud van de toetsing die de bestuursrechter dient te verrichten indien het gaat om bestraffende sancties en in hoeverre komt dit overeen met of verschilt dit met de toegang tot en de beoordeling door de strafrechter?
De tweede vergelijking die ik tussen het Nederlandse bestraffende bestuursrecht en het Nederlandse strafrecht wil maken betreft de onderliggende materiële en procedurele normen die van toepassing zijn op bestraffing. Het gaat hier ten eerste om verdedigingsrechten, waaronder het zwijgrecht van de verdachte of belanghebbende, afgezet tegen opsporings- en toezichtsbevoegdheden van opsporingsambtenaren en toezichthouders en eventuele inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen van de betrokkene. Ten tweede gaat het om de materiële normstelling, waarbij het legaliteitsbeginsel en bepaaldheidsgebod een rol spelen, alsmede leerstukken in het straf- en bestuursrecht omtrent daderschap, deelneming en schuldgradaties (vormen van aansprakelijkheid). Ten derde gaat het om de bewijslastverdeling en de bewijsmaatstaf in het straf- en bestuursrecht. Ten vierde gaat het om de inzet van sancties en de strafvervolging alsmede de op te leggen straf, waarbij ook aandacht uit zal gaan naar de hoogte van de boete in beide rechtsgebieden. Deze vier procedurele en materiële aandachtsgebieden bepalen de inzet van de procedure en het resultaat daarvan en raken dus alle aan de rechtsbescherming. Veel van deze procedurele en materiële normen (vooral in het bestraffende bestuursrecht) zijn terug te voeren op mensenrechtenverdragen (EVRM en IVBPR) en de EU en de jurisprudentie van het EHRM en het Hof van Justitie (en het Gerecht), zodat daar ruime aandacht aan zal worden besteed. De probleemstelling die hierbij aansluit is:
2. Welke verdedigingsrechten, toezichts- en opsporingsbevoegdheden, materiële normstelling en rechtsmacht, aansprakelijkheid, bewijskwesties, en vraagstukken omtrent de inzet en hoogte van de straf zijn van belang in het bestraffende bestuursrecht en in hoeverre komen die overeen of verschillen die met het strafrecht?