Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/1.3
1.3 Europese invloeden: het EVRM en de Europese Unie
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor een uitvoerige weergave van de diverse bestuurlijke sancties verwijs ik naar Rogier, Strafsancties, administratieve sancties en het una via-beginsel (1992), hoofdstuk 6.
Voor een korte beschrijving van het Kroonberoep en de aanloop naar het B enthem-arrest, de functie van de burgerlijke rechter als restrechter en de daaropvolgende Tijdelijke wet kroongeschillen verwijs ik naar Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk (2005), p. 17-23 en Van Wijk/Konijnenbelt & van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2008), p. 19-22. Zie voor een lofzang op Struycken, die in het begin van de twintigste eeuw met succes polemiseerde tegen de — destijds onvoldragen — plannen tot invoering van administratieve rechtspraak Michiels, 'Het gelijk van Struycken', in: Oude Meesters. Grondleggers van bestuursrecht en hun rol in het huidige recht (2009).
Zie de jurisprudentie vermeld op p. 73 e.v. in de bijdrage van Barkhuysen, 'Het EVRM als integraal onderdeel van het Nederlandse materiële bestuursrecht', in: De betekenis van het EVRM voor het materiële bestuursrecht (2004).
EHRM 21 februari 1984, NJ1988/937 (eiztiirk). Dat het nationale etiket (bestuursrecht of tuchtrecht) niet doorslaggevend is bleek overigens reeds in 1976 toen het Hof overwoog dat een militaire tuchtprocedure gelet op de aard van het delict en de ernst van de straf (vrijheidsberoving) een strafvervolging kan zijn. Met name vrijheidsberovingen als repressieve maatregel (met uitzondering van die welke geen belangrijk nadeel tot gevolg kunnen hebben) behoren in een rechtsstaat tot de sfeer van het strafrecht, aldus EHRM 8 juni 1976, NJ 1978/223 (Engel).
Zie uitgebreid over het begrip criminal charge Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten (2002), hoofdstuk 3. Zie voorts De Groot en Nuyten, 'Bestuurlijke boete en `criminal charge' in het financieel-economisch recht', in: 10 Jaar JOR. Alsnog geannoteerd (2006).
Kwalificatie van de bestuurlijke boete als strafvervolging in de zin van art. 6 EVRM betekende niet dat daarmee dan ook het nationale strafrecht van toepassing is. Zie HR 7 september 1988, BNB 1988/298 en onder meer EHRM 21 februari 1984, NJ 1988/937 (eiztiirk).
Zie HR 19 juni 1985, NJ 1986/104 en CRvB 11 maart 1992, RSV 1992/258.
Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248).
Voor een overzicht van de aldus gewijzigde wetten verwijs ik naar Vos (red), Wet boeten en maatregelen sociale zekerheid (1996). In de literatuur is overigens wel verdedigd dat ook de nieuwe maatregel punitief van aard is. Zie onder meer Hazewindus, 'Schuld en boete in de sociale zekerheid', NJB 1996, 29; Stijnen, 'Boeten, maatregelen, terug- en invordering en de Algemene bijstandswet: een aantal kanttekeningen (I)', Gst. 1997, 7056; en Van de Griend, Het oogmerk als ijkpunt (Den Haag, 2003 p. 54-59 en 71-75).
Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken // 1994/95, 23 909, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken 112002/03, 28 870, nr. 3, p. 49. Voor een kritiek op deze gedachtegang zie Noordam, `De Wet werk en bijstand, een introductie', SMA 2004/5, p. 223-224.
CRvB 30 juni 2004, RSV 2004/274 en 6 december 2005, RSV 2006/57.
Een EG-verordening heeft krachtens het EG-Verdrag rechtstreekse werking en niet over de band van de art. 93 en 94 Grondwet, aldus HR 2 november 2004, NJ 2005/80.
Ik noem hier HvJ EG 21 september 1989, 68/88 (Griekse Maïs) en 9 december 1997, C-265/95 (Spaanse Aardbeien). Voor een meer uitvoerige bespreking zie Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 266-282.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 297. Zie hierover voorts De Moor-Van Vugt, 'Bestuurlijke boete en EG-recht', in: De bestuurlijke boete in perspectief (1999). Met betrekking tot de waarborgsom merkt Michiels — mijns inziens terecht op dat de verbeurdverklaring van de waarborgsom, anders dan de inning van de dwangsom, punitief is omdat aan het verbeurd verklaren van een waarborgsom geen sanctie vooraf gaat. Zie Michiels, De boete in opmars? (1994), p. 10-11. Met Michiels acht ik niet reeds de oplegging van een waarborgsom zelf punitief, omdat bij achterwege blijven van een overtreding terugstorting plaats heeft.
Zie over de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn via de zogenoemde Lamfalussy-procedures en de daarmee samenhangende uitvoeringsmaatregelen Grundmann-Van de Krol en Kristen, 'Europese aanpak van marktmisbruik, in: Handboek Marktmisbruik (2008).
Kristen, Misbruik van voor-wetenschap naar Europees recht (2004), p. 207-208.
Zie ook preambules 38 en 39 van Richtlijn 2003/6/EG.
Zie bijvoorbeeld tabel 1.6 in het Jaarverslag 2005 van de AFM.
Die boete is overigens door de bestuursrechter herroepen omdat de transacties niet zijn bewerkstelligd door de meldingsplichtige. Zie CBb 20 december 2005, JOR 2006/19.
Met wisselend succes. Ik wijs op CBb 28 juli 2005, AB 2005/383 en op CBb 9 februari 2006, J73 2006/101.
Op 1 oktober 2005 is de Wet marktmisbruik (Stb. 2005, 346) in werking getreden. Het gaat hier om (her)codificatie van de bepalingen inzake voorwetenschap en koersmanipulatie, waaronder tevens een aantal meldingsverplichtingen, in de Wte 1995. Die bepalingen zijn uiteraard ook in de Wft opgenomen.
Uit de jaarverslagen van de AFM van 2006 (p. 57) en 2009 (p. 42) blijkt dat in 2005 vijf, in 2006 elf, in 2007 zeven, in 2008 tien en in 2009 vier aangiftes zijn gedaan ter zake van marktmisbruik en dat in 2005, één, in 2006 één, in 2007 nul, in 2008 vier en in 2009 drieëntwintig bestuurlijke boetes door AFM zijn opgelegd ter zake van marktmisbruik en het niet tijdig melden van koersgevoelige informatie. Het jaar 2009 is wellicht een keerpunt; de AFM doet marktmisbruikzaken vooral zelf af. Drie van de vier aangiftes die in 2009 zijn gedaan zien overigens op handel met voorwetenschap (zie p. 72 van het jaarverslag van de AFM van 2009).
HvJ EG 13 september 2005, C-176/03 (milieustrafrecht). Aanleiding was een geschil inzake de verbindendheid van het Kaderbesluit inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht van 5 februari 2003. Zie hierover Veldt-Foglia 'Toch strafrecht in de Eerste Pijler!', LATER 2006/1-2 en Duijkersloot en Widdershoven, 'Kroniek Europees bestuursrecht' NTB 2006/39. Een tweede arrest in die lijn is HvJ EG 23 oktober 2007, C-440/05 (verontreiniging vanaf schepen). Zie daarover voorts Rijken, 'Aftakeling van de derde pijler; reanimatie middels het Verdrag van Lissabon? Gevolgen voor harmonisatie van het strafrecht binnen de EU', SEIV 2008/167, p. 382-383 en Borgers en Sjëcrona 'Europees straf(proces)recht' in: Handboek Internationaal Strafrecht (2008), p. 106-109.
Voor een opsomming en positionering van de diverse Europese agentschappen verwijs ik naar Van Ooik en Eijsbouts, 'De wonderbaarlijke vermenigvuldiging van Europese agentschappen. Verklaring, analyse en perspectief, SEW 2006/24.
Zowel in het ordeningsrecht als in de sociale zekerheid was het bestuur reeds lang toegerust met de bevoegdheid bestuurlijke sancties te treffen ingeval van regelovertreding. In het ruimtelijk bestuursrecht valt vooral te denken aan vergunningintrekking, de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom, in het kader van de uitkeringssfeer gaat het om weigering, intrekking en terugvordering van de uitkering.1 Zeker niet tegen alle bestuursbesluiten stond tot eind jaren tachtig van de vorige eeuw beroep open op een onafhankelijke (bestuurs)rechter.2 Met name twee uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden algemeen als richtinggevend gezien voor ons bestuursrecht. Met het Benthem-arrest3 werd — ook voor Nederland — duidelijk dat burgers die een 'administratieve beschikking' willen aanvechten (in laatste instantie) toegang tot een onafhankelijke rechter dienen te hebben indien burgerlijke rechten en plichten als bedoeld in art. 6 lid 1 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) in geschil zijn. Zo worden vergunningen en uitkeringen alsmede de weigering of intrekking daarvan inmiddels veelal als eigendomsrechten in de zin van art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM beschouwd.4 Ruim een jaar eerder werd met Őztürk5 duidelijk dat een strafvervolging als bedoeld in diezelfde verdragsbepaling materieel moest worden ingevuld.6 Een bestuurlijke sanctie die op leedtoevoeging was gericht diende voortaan omgeven te worden met de nodige 'strafrechtelijke' waarborgen, met dien verstande dat werd aangenomen dat een en ander kon plaatshebben binnen een bestuursrechtelijke afdoening.7
Toen na Őztürk de uit art. 6 en 7 EVRM en de art. 14 en 15 Internationaal Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR) volgende verdragsverplichtingen8 in een nieuw daglicht kwamen te staan, zijn bestaande bestuurlijke sancties — fiscale verhogingen ingevolge de AWR en premieverhogingen ingevolge de CSV daargelaten9 — niet voetstoots aangemerkt als punitief. Niettemin heeft de regering wel de jurisprudentie rond het EVRM en het IVBPR betrokken bij nieuwe wetgeving. Zo werd in de uitkeringssfeer de bestaande bevoegdheid om ook ingeval van het niet nakomen van de inlichtingenplicht de uitkering bij wijze van reparatoire maatregel te korten of geheel te weigeren met de in augustus 1996 en juli 1997 ingevoerde Wet boeten10 omgezet in een boete, terwijl de oude maatregel nu nog slechts werd gereserveerd voor het niet nakomen van andere aan de uitkering verbonden verplichten, waaronder het tijdig verstrekken van inlichtingen.11 De omzetting van de bestaande korting in een boete werd mede ingegeven door de gedachte dat het treffen van een sanctie wegens inlichtingenverzuim in de uitkeringsfeer, anders dan het zuiver herzien en terugvorderen van hetgeen teveel is verstrekt, in de context van de mensenrechten-verdragen bestraffend is.12Hier werd uniforme invoering van boeten in de uitkering-sfeer derhalve niet zuiver ingegeven door instrumentaliteit, maar ook — onder invloed van verdragsrecht — rechtsbescherming Immers, de mogelijkheid tot korting van de uitkering bij fraude bestond reeds in een aantal wetten. In zoverre betrof het geen uitbreiding van bevoegdheden, maar een verdere normering daarvan, mede gericht op procedurele waarborgen. Dit laat uiteraard onverlet dat de regering voorts voor ogen stond dat — meer dan voorheen — over de hele linie van sociale zekerheid aan fraudebestrijding zou worden gedaan en bestraffend zou worden ingegrepen door de uitvoeringsorganen en gemeenten.13
Het inzicht van de regering dat een sanctie in de uitkeringssfeer waar het inlichtingenverzuim betreft inderdaad bestraffend van aard is, is echter zeker niet een veilig gegeven. Met de invoering van de WWB in 2004 heeft de wetgever immers de boete in de bijstandssfeer weer omgezet in een korting op de uitkering, zoals voor de Wet boeten het geval was. Daarbij was de inzet van de regering dat het zou gaan om verplichtingen over en weer die specifiek zijn verbonden aan het aangaan van een uitkeringsrelatie.14 De Centrale Raad van Beroep ging hier niet in mee en creëerde een nieuw overgangsrecht naast de Invoeringswet WWB, door het korten op de bijstandsuitkering wegens een gedraging die onder de Wet boeten met een boete werden bestraft, in het licht van de art. 14 lid 7 en 15 lid 1 IVBPR aan te blijven merken als een bestraffende sanctie, zodat de materieel meest gunstige sanctie diende te worden toegepast (de zogeheten lex mitior-regel).15 Dit voorbeeld illustreert dat met betrekking tot de kwalificatie of een sanctie bestraffend is verdragsrecht, de (al dan niet wisselende) inzichten van de nationale wetgever en rechtspraak in wisselwerking met elkaar een rol spelen. Van belang voor mijn onderzoek zal zijn om tot een nadere afbakening te komen van wat wel en wat niet een zogenoemde criminal charge oplevert.
Naast de bepalingen van de Europese mensenrechtenverdragen die doorwerken via art. 93 en 94 Grondwet is er de nodige wetgeving vanuit de Europese Unie die vaak rechtstreeks doorwerkt in onze nationale rechtsorde.16 De discussie ter zake van het al dan niet wenselijk zijn van handhaving door bestuurlijke boeten naast het strafrecht is niet slechts een nationale discussie: welke regels gelden en hoe die worden gehandhaafd wordt immers ten dele door Brussel gedicteerd. Waar in het algemeen aan de lidstaten de vrijheid toekomt te kiezen tussen strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke handhaving van Europese regelgeving, volgt uit de op art. 10 EG (thans art. 4 lid 3 VEU) gebaseerde rechtspraak dat sprake is van een doelgebonden handhavingsverplichting die moet voldoen aan de eisen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid, afschrikwekkendheid en evenredigheid.17 Daar komt bij dat zeker niet altijd de keuze tussen de verschillende handhavingsinstrumenten aan de lidstaten wordt overgelaten. Zo brengt de verordening 2988/95 — een kaderverordening die regels bevat met betrekking tot bestraffing van onregelmatigheden met EG-gelden —een scala aan bestuurlijke sancties met zich. Jans c.s. merken inzake deze verordening op:
`Volgens de verordening moet iedere onregelmatigheid in de regel leiden tot ontneming van wederrechtelijke verkregen voordeel: daartoe moeten verschuldigde bedragen alsnog worden betaald, moeten wederrechtelijk geïnde bedragen worden terugbetaald en gaan zekerheden die zijn gesteld ter ondersteuning van een verzoek om toegekend voordeel, verloren. Deze maatregelen worden EG-rechtelijk niet als 'echte' sanctie beschouwd. Is de onregelmatigheid opzettelijk of door nalatigheid begaan, dan kunnen bovenop deze maatregelen (punitieve) administratieve sancties worden opgelegd. Als zodanig worden in de verordening ondermeer genoemd: de betaling van een bestuurlijke boete; de betaling van een bedrag dat hoger is dan de wederrechtelijk ontvangen of ontdoken bedragen; uitsluiting van een voordeel voor een periode die volgt op die, waarin de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden; tijdelijke intrekking van een voor deelneming aan een steunregeling noodzakelijk erkenning; het verlies van zekerheid of borgsom die is gesteld ter waarborging van de naleving van voorwaarden.'18
Ook kan worden gewezen op de Richtlijn marktmisbruik, waarin handel met voorwetenschap en koersmanipulatie via de bestuurlijke boete dient te worden tegengegaan.
‘Art. 14 lid 1 van Richtlijn 2003/6/EG luidt als volgt: 'Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties, zorgen de lidstaten ervoor dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan de verantwoordelijke personen indien krachtens deze richtlijn vastgestelde bepalingen niet worden nageleefd. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.'
De Europese wetgever heeft in de Richtlijn marktmisbruik19 gekozen voor het verplicht stellen van bestuurlijke sanctionering met de mogelijkheid van strafrechtelijke handhaving, omdat ervan uit werd gegaan dat de Europese Gemeenschap niet bij richtlijn strafrechtelijke handhaving kan voorschrijven en harmoniseren.20 Als voordelen van bestuursrechtelijke handhaving werd — naast de mogelijkheid van harmonisering — gezien dat bestuursrechtelijke sancties sneller en efficiënter zijn en dat op die wijze de samenwerking tussen de lidstaten werd vereenvoudigd om een gelijke toepassing van sancties te waarborgen.21
De Wte 1995, die per 1 januari 2007 is vervangen door de Wft, zag met betrekking tot de handhaving van de regels inzake voorwetenschap (art. 46 en 46a Wte 1995) in de keuzemogelijkheid tussen een bestuurlijke boeteoplegging en strafrechtelijke handhaving (het zogenoemde B-model). Gelet op de bewijsproblematiek, de in dit verband benodigde strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden en wellicht ook de morele lading van dit delict, zag de AFM af van het bestuurlijke handhavingstraject indien zij handel met voorwetenschap (art. 46 Wte 1995) vermoedde. Zij deed in die gevallen aangifte.22 Slechts inzake het van art. 46 Wte 1995 afgeleide art. 46a Wte 1995 (meldingsplicht transacties) heeft de AFM indertijd eenmaal zelf een boete opgelegd.23 Met betrekking tot koersmanipulatie, welk verbod destijds in de Nadere Regeling van de AFM zelf was neergelegd, werd volstaan met bestuurlijke handhaving.24 De invoering van de Wet marktmisbruik25 heeft geleid tot een toename van het aantal aangiftes en boeteopleggingen door de AFM.26
De strafrechtelijke handhaving van EG-recht is echter niet langer slechts een intergouvernementele aangelegenheid via de derde pijler. Ten eerste heeft het Hof van Justitie in enkele arresten bepaald dat de Gemeenschapswetgever bevoegd is lidstaten voor te schrijven strafrecht in te zetten bij de handhaving van Gemeenschapsrecht.27 En ten tweede is met het Verdrag van Lissabon, dat op 1 december 2009 in werking is getreden, de derde pijler ondergebracht in de eerste pijler, welke pijler thans onderdeel uitmaakt van het Unierecht.
Tenslotte kan hier nog worden gewezen op handhaving door de Europese Commissie zelf. Zo geeft art. 5 verordening 1/2003 niet alleen de nationale mededingingsautoriteiten de bevoegdheid onder meer boeten en dwangsommen op te leggen ter zake van overtreding van art. 81 en 82 EG (thans art. 101 en 102 VWEU), maar voorziet die ook in soortgelijke bevoegdheden voor de Europese Commissie (art. 23 en 24 verordening 1/2003). De boete die de Europese Commissie kan opleggen inzake het niet nakomen van de in de verordening neergelegde inlichtingenplicht bedraagt ten hoogste 1% van de omzet van de ondernemer of ondernemingsvereniging, terwijl de boete wegens het maken van inbreuk op art. 81 of 82 EG (respectievelijk kartelverbod en misbruik machtspositie) maximaal 10% van de omzet van de ondernemer of ondernemingsvereniging bedraagt. Op diverse andere terreinen van Gemeenschapsrecht zijn zogenoemde agencies, al dan niet toebedeeld met de bevoegdheid om handhavend binnen de lidstaten op te treden, actief.28 Deze vorm van toezicht door Europese zbo' s heeft plaats naast het toezicht door (markt)autoriteiten binnen de lidstaten.