Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/1.6
1.6 De taakopvatting van de rechter
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Brenninkmeijer, Hallers, Kwak, Marseille, Mulder, Schoep (red.) De taakopvatting van de rechter (2003).
Buruma, 'De taakopvatting van de strafrechter', in: De taakopvatting van de rechter (2003).
Het betreft hier de zogenoemde Nieuwe Richting. Die startte overigens reeds eind 19' eeuw. Zie Foque en 't Hart, Instrumentaliteit en Rechtsbescherming (1990), hoofdstukken 8a en 8b.
Zie ook Buruma, De strafrechtelijke handhaving van bestuurswetten (1993), hoofdstuk 5, vooral p. 191.
Stb. 1995, 441. Deze wet voorzag onder meer in de schrapping van een aantal nietigheden in het Wetboek van strafvordering en opneming van art. 359a in Sv.
De Plukze-wetgeving (Stb. 1993, 11). Zie hierover Keyser-Ringnalda, Boef en buit (1994).
De Wet Terwee (Stb. 1993, 29), waarin meer aandacht voor de benadeelde partij in het strafproces.
Buruma, 'De taakopvatting van de strafrechter', in: De taakopvatting van de rechter (2003), p. 21.
Nijboer, De taken van de strafrechter (2000), p. 3.
Nijboer, De taken van de strafrechter (2000), p. 8-9 en 14. Zie voorts p. 100-101.
Stb. 2006, 470.
In het onderzoeksproject Strafvordering 2001 werd de voorzet hiervoor gegeven. In dat rapport werd geopteerd voor een voortbouwend appel. Zie Groenhuijsen en Knigge (red.), Dwangmiddelen en Rechtsmiddelen: Derde interimrapport onderzoeksproject Strafvordering 2001 (2002), p. 42.
Zie daarover Michiels, 'Het gelijk van Struycken', in: Oude Meesters. Grondleggers van bestuursrecht en hun rol in het huidige recht (2009), p. 11-12.
Zwart betoogt in dit verband dat juist het oude kroonberoep van voor de Tijdelijke wet kroongeschillen ervoor zorgde dat door de kroon vol werd getoetst waar sprake was van een discetionaire bevoegdheid. Zie Zwart, 'Vijftien jaar Algemene wet bestuursrecht: een alternatieve evaluatie', Trema 2010/1, p. 24.
PG Awb II, p. 174-175 p. 463-464.
Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (2011), p. 500. Geschil-beslechting gaat volgens Schueler overigens aanzienlijk verder dan controle en rechtsbescherming, in welk verband hij doelt op finale geschilbeslechting versus het bloete vemietigingsberoep. Zie Schueler, 'De drie taken van de bestuursrechter: rechtsbescherming, controle en geschilbeslechting', Milieu & Recht 2008/4, p. 207.
Zie De Bock, De omvang van het geding (2004), vooral de hoofdstukken 4 en 8.
Zie het rapport De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschil-beslechting (2004) van de VAR-Commissie Rechtsbescherming, onder voorzitterschap van J.E.M. Polak, waarin de mogelijkheden en wenselijkheden in kaart zijn gebracht met betrekking tot de mogelijkheid tot subjectivering van delen van het bestuursprocesrecht, overigens met behoud van het besluitbegrip als rechtsingang bij belangrijke delen van het bestuursrecht. Ook in de parlementaire geschiedenis van de tweede tranche van de Awb is hier reeds voorzichtig bij stil gestaan (PG Awb II, p. 174).
Zie bijvoorbeeld de korte schets die Scheltema geeft in zijn bijdrage, 'De veranderende taak van de bestuursrechter', in: De taakopvatting van de rechter (2003), p. 14-15.
Met de VAR-Commissie rechtsbescherming en Schreuder-Vlasblom zie ik overigens wel minder bezwaren tegen het loslaten van het besluitbegrip als kapstok voor rechterlijke competentie bij handelingen en beslissingen die in het verlengde liggen van genomen besluiten en de heroverweging en rechterlijke beoordeling daarvan, dus de uitvoering, invordering, schadevergoeding of terugvordering. Zie VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting (2004) en Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (2011), p. 51. Zie echter ook De Graaf en Marseille, 'De bestuursrechtelijke Schade Verzoekschrift Procedure: niet doen svp', Gst. 2007/7265.
In gelijke zin Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (2011), hoofdstuk 1.
Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk (2005), hoofdstuk 17.
Zie ondermeer ook voornoemd advies van de VAR-Commissie Rechtsbescherming, p. 38-45.
De VAR-Commissie Rechtsbescherming noemt op p. 41 van haar rapport het vemietigingsberoep soms juist zeer effectief, bijvoorbeeld inzake een ten onrechte verleende bouwvergunning.
In gelijke zin Drupsteen, 'In discussie met Tak', in: Het model Tak: Verhoogde rechtsbescherming in het bestuursrecht? (2006), p. 44-46.
Zie in dit verband onder meer Schreuder-Vlasblom, 'Iets kroms dat verbogen is; het Nederlands bestuursprocesrecht naar de leer van prof. Tak' en Schk5ssels, 'Dimensies van belangenafweging: enige opmerkingen over besluitvorming en rechtsbescherming in het werk van prof. Mr. A.Q.C. Tak', beiden in: Het model Tak: Verhoogde rechtsbescherming in het bestuursrecht? (2006), p. 25-26 en p. 57-59.
Zie Aardema, `Bewijslastverdeling in de fiscale procedure', MBB 1996-7/8; Aardema, 'Het bewijs in de fiscale procedure', WFR 2005/6610 en de uitgebreide conclusie van A-G Overgaauw bij BR 25 november 2005, BNB 2006/83.
Zie bijvoorbeeld BR 20 juni 1990, NJ 1990/811.
Ik wijs hier op de jurisprudentie inzake de ambtshalve toetsing aan termijnen. Zie HR 29 mei 1996, BNB 1996/283; 1 april 2005, AB 2005/246; 8 juli 2005, AB 2005/407; 11 november 2005, AB 2005/436. In HR 13 mei 2011, LTNBQ4291 komt de Hoge Raad uitdrukkelijk terug van HR 1 april 2005, AB 2005/246 door te oordelen dat de belastingrechter inzake de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel gehouden is ambtshalve onderzoek te doen naar de aannemelijkheid van feiten die door een partij in dat verband worden aangevoerd, ook indien die gestelde feiten door de wederpartij worden erkend of niet worden betwist.
Zie Kooper, Wie is er bang voor aanvulling van rechtsgronden? Over de terminologie van artikel 8:69 Awb', NTB 2000/6.
Zie ook PG Awb II, p. 176-177 en Kooper, 'Ambtshalve toetsing en aanvulling van rechtsgronden', JBplus 2002/2.
Zie Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (2011), paragraaf 1.7. Het gaat hier om de vraag of de bestuursrechter het bestuur dient te controleren en ongelijkheidscompensatie dient te bieden of het geschil dient te beslechten.
Vergelijk HvJ EG 13 juli 2006, AB 2006/404 (Manfredi) met 7 juni 2007, AB 2007/228 (Van der Weerd).
Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 81-82.
In de bundel De taakopvatting van de rechter1 is vanuit verschillende rechtsdisciplines gekeken naar de taak die de rechter in onze rechtsstaat heeft (of zou moeten hebben). Met betrekking tot de vraag naar de taakopvatting van de Nederlandse strafrechter in de twintigste eeuw onderscheidt Buruma in zijn bijdrage2 een vijftal perioden. In de ethische periode (1886-1926): strafrecht ging over daden die moreel verkeerd zijn. Hierbij past het rechtersbeeld van de rechter als 'de deftige man die aan onafhankelijke waarheidsvinding deed'. In de daarop volgende autoritaire periode (1926-1950) volgt professionalisering van het rechterlijk vak en komt de nadruk op de mens- en maatschappijwetenschappen te liggen.3 De daarbij aan de strafrechter toebedeelde rol was die van een verschuiving van daadgericht naar dadergerichtheid, waarbij de crimineel werd gezien als gevaar voor de samenleving. Na de oorlog breekt de functionalistische periode aan (1950-1970). Onder invloed van het existentialisme (de Utrechtse School) komt de nadruk te liggen op de resocialisatiegedachte, de reïntegratie van de dader in de door diens handelen verstoorde samenleving. De strafrechter als social engineer. In de daarop volgende periode van juridisering van het leefklimaat (1970-1995) waarin de oorspronkelijke waarheidsvinding een nieuwe dimensie kreeg: de rechter moest ook gaan controleren of de overheid zich fatsoenlijk had gedragen. Niet langer de verdachte als gevaar of slachtoffer van de omstandigheden, maar als een verdachte met individuele rechten. Strafvordering kwam meer op de voorgrond.4 De sterke nadruk daarbij op vormfouten kreeg uiteindelijk een tegenreactie met de Wet vormverzuimen van 1995.5 Hiermee zijn we in de huidige periode beland. De dader dient niet langer op basis van techniciteiten zijn straf te ontlopen. In deze paradigmawisseling past voorts dat de gevolgen van het strafbare feit zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt via ontnemingswetgeving6 en slachtofferbescherming.7 Buruma vat het als volgt samen: waarheidsvinder, maatschappijbeschermer, gesprekspartner van de dader, controleur van de overheid en nu hersteller. Deze opvolgende taken zouden elkaar nimmer volledig hebben verdrongen.8 De Wet vormverzuimen kan overigens ook in een andere sleutel worden geplaatst. Zo schrijft Nijboer:
`Mijn stelling is namelijk dat deze Wet vormverzuimen het beste gezien kan worden als een (mogelijk voorlopig) eindpunt van een complexe ontwikkeling die valt te benoemen als een zeker kwalitatiefherstel van de centrale positie van de strafrechter in het strafproces. Het betreft echter een herstel dat gepaard gaat met een deels andere taakinvulling dan in 1926 (invoering Wetboek van Strafvordering): niet langer heeft de rechter uitsluitend of voornamelijk toe te zien op de wetmatigheid van het proces en zijn vormen en zelf vooral ook de wet toe te passen — met alleen vrije waarderingsruimte in het kader van het bewijs alsmede beleidsvrijheid bij de straftoemeting. Neen, de rechter krijgt een veel grotere armslag om eigen recht te ontwikkelen, niet in de laatste plaats ook ten aanzien van rechtmatigheid van het proces. En die wijziging van taakinvulling van de strafrechter hangt volgens mij samen met een verschijnsel dat zich internationaal voordoet en dat ook buiten de landsgrenzen aandacht trekt: de constitutionalisering van het strafprocesrecht.9
Anders gezegd: een vormvrijer systeem zou aldus leiden tot een uitbreiding van de taak van de strafrechter als hoeder van mensenrechten. Volgens Nijboer zou de strafrechter juist vooral in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw te marginaal het handelen van politie en OM hebben getoetst en teveel hebben vertrouwd op het zelfreinigende systeem van interne controle. Nu het OM zich meer als procespartij opstelt ligt het dan ook op de weg van de rechter het strafrechtelijke beleid van politie en OM en de daaruit voorvloeiende beslissingen ten gronde te beoordelen.10
Het kon niet uitblijven. De oplossing van capaciteitsproblemen bij de strafrechter wordt niet alleen gezocht in ontlasting aan de poort (de OM-afdoening), maar ook in beperking van het hoger beroep en cassatie. De Wet stroomlijnen hoger beroep11 voorziet daarin. Die wet voorziet enerzijds in een vernauwing van kwantitatieve aard, namelijk door de verzetsprocedure te vervangen door een beperkte appelmogelijkheid in verstek-zaken (art. 404 Sv) en door een verlofstelsel in te voeren voor boetes tot een maximum van € 500 (art. 410a Sv). Anderzijds betreft het een kwalitatieve vernauwing: in hoger beroep zal voortaan de uitspraak in eerste aanleg uitgangspunt vormen.12 Dit voortbouwende appel bestaat uit een grievenstelsel (art. 410 Sv), aangevuld met 'hetgeen overigens nodig is' (art. 415 Sv).13 Deze kwalitatieve beperking doet veel denken aan het appel in bestuursrecht, de zogenoemde fuiken die daarin een rol spelen en de beperkte ambtshalve toetsing daarbij. Overigens is geopperd dat reeds in het voordien geldende middenstelsel, waarbij de aanvankelijke tenlastelegging uitgangspunt was, ruimte bestond voor een toespitsing van het geding op de discussiepunten tussen partijen (verdachte en OM).14
Ons bestuursprocesrecht was lange tijd — en is in mindere mate nog steeds — een lappendeken. Van oudsher stond in veel gevallen geen beroep open.15 In de jaren tachtig van de vorige eeuw bleek het in het bestuursrecht onontkoombaar toch een vorm van rechtspraak in te voeren in al die gevallen waarin art. 6 EVRM van toepassing was. Met betrekking tot de ontwikkelingen inzake de taakopvatting van de bestuursrechter speelt — laten we niet al te ver teruggaan in de tijd — dat de raden van beroep, zodra er beroep werd ingesteld tegen een besluit veelal zelfstandig en ten volle aan het toetsen gingen.16 Niet van belang was wat werd aangevoerd tegen het besluit, maar dat beroep tegen een besluit werd ingesteld. De rechterlijke activiteit werd aldus niet primair opgehangen aan de beroepsgronden. De wetgeving gaf hiertoe ook wel aanleiding, omdat die toetsingsgronden voor de bestuursrechter bevatte. Dit liet uiteraard wel onverlet dat ook toen verschillende toetsingsmodaliteiten werden gehanteerd naargelang er sprake was van beoordelingsruimte (bij de vaststelling en kwalificatie van de feiten), beleidsvrijheid van het bestuur of een volstrekt gebonden bevoegdheid.17
Met de invoering van Awb in 1994 kwam vooral het bieden van rechtsbescherming als ijkpunt naar voren als de activiteit van de bestuursrechter en raakte de handhaving van het objectieve recht meer op de achtergrond.18 Rechtsbescherming klinkt heel mooi, maar men moet zich hier realiseren dat hiermee juist een beperking van de rechterlijke activiteit werd beoogd. De bestuursrechter diende niet (langer) ambtshalve de rechtmatigheid van het hele besluit en de totstandkoming daarvan aan zijn oordeel te onderwerpen, maar diende zich (voortaan) te beperken tot de beoordeling van de beroepsgronden, zodat rechtsbescherming hier eigenlijk moet worden opgevat als geschilbeslechting.19 Deze lijn is met name door de Afdeling ingezet.20 Voorts geeft de Awb, die duidelijk onderscheid maakt tussen de bestuurlijke heroverweging en de rechterlijke toetsing en die geen rechtstreekse toetsingscriteria voor de rechter biedt, maar normen bevat voor het bestuur, wel aanleiding voor het primaat van individuele rechtsbescherming boven handhaving van het objectieve recht. Die tendens tot het benadrukken van de rechtsbescherming inter partes boven het centraal stellen van de erga omnes-werking van besluiten heeft ook voedsel gegeven aan de gedachte om niet langer het besluitbegrip centraal te stellen voor de rechtsingang naar de bestuursrechter.21 In de meest vergaande variant van dit wederkerigheidsdenken wordt (bijna) uitsluitend nog gedacht in een relatie tussen de individuele burger en het bestuursorgaan.22 Dit doorslaan23 in horizontalisering ontneemt mijns inziens wel het oog op de taak van het bestuur, namelijk de behartiging van het algemeen belang en de daarmee samenhangende eis dat het bestuur gelijke gevallen gelijk behandeld.24 Van een andere orde is de analyse van Tak.25 Terecht maakt hij scherp onderscheid tussen de erga omnes-werking van besluiten en de inter partesgeschillenbeslechting door de rechter.26 Anders dan Tak zie ik echter geen bezwaar tegen de toetsing van besluiten door de bestuursrechter.27 Sterker nog, juist een machtenverdeling met de nodige checks and balances vereist te allen tijde de mogelijkheid van een rechtmatigheidstoetsing door de (bestuurs)rechter van de beschikking van het bestuursorgaan.28 Niet kan worden volstaan met louter een vaststelling van rechten en plichten in de zin van art. 6 lid 1 EVRM in de relatie tussen de burger en het bestuur, waarbij de rechter in feite niet meer kan doen dan het bestuur dwingen tot compensatie, omdat het besluit zelf voor de rechter onaantastbaar blij ft.29 Dat de bestuursrechter bij die rechtmatigheidstoetsing terughoudendheid dient te betrachten ingeval van beoordelingsruimte met betrekking tot de feitenwaardering of ingeval van een discretionaire bevoegdheid, is inherent aan het bestuursrecht. De rechter dient er immers voor te waken op de stoel van het bestuur te gaan zitten.
Overigens dient te worden bedacht dat met name de belastingrechtspraak zich nog langere tijd buiten de kaders van het algemene bestuursrecht — voor zover men daar alleen al gelet op het aantal appelinstanties van kan spreken — heeft kunnen voltrekken, en dat de Hoge Raad als vanouds hoogste civiele rechter en hoogste strafrechter juist voor wat betreft belastingrechtspraak aansluiting heeft gezocht bij burgerlijke rechtsvordering30 aangevuld met strafrechtelijk georiënteerde rechtsbescherming waar het belastingverhogingen betreft.31 Ook na het van toepassing worden van de Awb op belastingsrechtspraak en de invoering van de rechtbank als eerste feitelijke instantie in die zaken plaatst de Hoge Raad de belastingrechter soms in een spagaat tussen partij autonomie en ambtshalve toetsing aan bepalingen van openbare orde.32 De verschillen tussen de belastingrechtspraak en de overige bestuursrechtspraak zijn overigens ook weer niet zo groot, waarbij bedacht moet worden dat art. 8:69 Awb is ontleend aan art. 48 Rv (oud).33 Hoewel het straf- en het bestuursrecht beiden publiekrecht zijn, lijkt het bestuursprocesrecht veel meer op het civiele procesrecht dan op strafvordering.34
Van belang voor mijn onderzoek is een beschouwing enerzijds van de ontwikkelingen in het bestuursprocesrecht in het algemeen, denk aan de jurisprudentie inzake argumentatieve, bewijs- en onderdelenfuiken, en anderzijds de beschouwing van de rol die de bestuursrechter — mede in licht van die algemene ontwikkelingen — als toetser van bestuurlijke bestraffende sancties dient te vervullen, daarbij kijkend naar de taak van de strafrechter.35 Met betrekking tot de rechtsbescherming inzake de bestuurlijke boete speelt de tegenstelling tussen de objectieve en subjectieve leer36 net als in het overige bestuursrecht. Ook kunnen in dit verband (mogelijke) functieverschillen in rechtspraak in eerste aanleg en hoger beroep van belang zijn.
Met betrekking tot de taakopvatting van de — voor het Nederlandse recht relevante Verdragsrechters volsta ik hier met enkele opmerkingen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gaat in de aan hem voorgelegde zaken na of de ingeroepen verdragswaarborgen in de nationale procedure voldoende in acht zijn genomen. Het EHRM buigt zich derhalve niet over het rechtssysteem van de individuele lidstaten als zodanig, maar geeft een autonome interpretatie van de verdragsrechten. Een casuïstische benadering is derhalve onontkoombaar. Hetzelfde geldt voor het Hof van Justitie van de Europese Unie voor zover aan hem een zaak wordt voorgelegd van een lidstaat waarbij Unierecht een rol speelt. In beginsel laat de Europese Unie immers de vrijheid aan de lidstaten om zelf te bepalen hoe het door het Unie- of Gemeenschapsrecht beoogde resultaat moet worden bereikt. De casuïstische jurisprudentie van het Hof inzake gelijkwaardigheid en doeltreffendheid van nationale rechtsmiddelen inzake het verwezenlijken van aanspraken die voortvloeien uit het Gemeenschapsrecht spreekt in dit verband boekdelen.37 Waar het Hof van Justitie de 'wettigheid' van handelingen alsook een nalaten van de Gemeenschapsinstellingen beoordeelt of als ambtenarenrechter wordt geadieerd treedt hij op als bestuursrechter en niet als 'constitutionele rechter' .38