Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.5.2.1
7.7.5.2.1 Optie belaste verhuur per afzonderlijk onroerend goed
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291327:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Omdat het civielrechtelijke begrip ‘onroerende zaak’ afwijkt van het (unie)begrip ‘onroerend goed’ (zie paragraaf 4.2.2.2.4.2) brengt een richtlijnconforme interpretatie van art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB met zich dat het begrip ‘onroerende zaken’ moet worden uitgelegd als ‘onroerende goederen’.
HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, BNB 2017/169, m.nt. Van Zadelhoff.
Uit NV, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 5, p. 15 en het goedkeurend beleid tot het besluit Staatssecretaris van Financiën van 11 augustus 2004, nr. DGB2004/4221M, V-N 2004/42.2 is af te leiden dat een gedeelte van een gebouw voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB aanvankelijk niet werd aangemerkt als afzonderlijk onroerend goed, maar als een gedeelte van een onroerend goed. Zie: resolutie van 8 november 1968, nr. D68/7720 (OB/BTW-18), V-N 1968, p. 895, paragraaf 23 lid 4, opgenomen als bijlage D bij de resolutie van 29 oktober 1968, nr. 120 (OB/BTW-14) en besluit Staatssecretaris van Financiën 19 december 1995, nr. VB95/4058, V-N 1996/136, 20, gewijzigd bij de besluiten van de Staatssecretaris van Financiën van 8 maart 1996, nr. VB96/248, V-N 1996/1121, 24, 1 april 1999, nr. VB99/708, V-N 1999/21.27 en 24 november 2000, nr. RTB2000/2814, V-N 2001/3.23. In zijn besluit van 11 augustus 2004, nr. DGB2004/4221M, V-N 2004/42.2 heeft de Staatssecretaris van Financiën dit standpunt losgelaten, aangezien hij hierin het (interpretatieve) beleidsstandpunt huldigt dat voor de toepassing van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB 1968 geopteerd kan worden voor de verhuur van een gedeelte dat blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Voormelde resolutie en besluiten zijn ingetrokken bij het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 juli 2009, nr. CPP2008/137M, V-N 2009/39.23.
HR 4 oktober 2013, nr. 12/03696, BNB 2013/243, m.nt. Bijl, r.o. 3.6.3.
Op grond van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB kan geopteerd worden voor de verhuur van onroerende zaken (lees: onroerende goederen1). De keuze voor het belasten van de verhuur kan op grond van art. 6a Uitv.besch. OB voor elk onroerend goed afzonderlijk worden gedaan. De relevante vraag is wanneer sprake is van een afzonderlijk onroerend goed. Van een afzonderlijk onroerend goed is volgens de Hoge Raad niet alleen sprake bij een fysiek (af)gescheiden onbebouwd terrein of gebouw met bijbehorend terrein dat zelfstandig wordt of kan worden gebruikt. Ook een deel van een gebouw dat juridisch of fysiek te onderscheiden is en afzonderlijk wordt of kan worden gebruikt, is een afzonderlijk onroerend goed.2 Dit betekent dat de verhuur van een gedeelte van een gebouw (zie paragraaf 5.4.3) kwalificeert als de verhuur van een afzonderlijk onroerend goed en niet als de verhuur van een gedeelte van een onroerend goed.3 Dit strookt met de uitleg van het begrip ‘goed’ in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn op grond waarvan bij de splitsing van een gebouw in appartementsrechten, de onderliggende appartementen – gedeelten van een gebouw – in beginsel als afzonderlijke (onroerende) goederen worden beschouwd (zie paragraaf 4.2.3.3.2). Steun voor deze opvatting is, zoals de Hoge Raad naar mijn mening terecht heeft geoordeeld, ook te vinden in de uitsluiting van gebouwen en gedeelten daarvan die als woning worden gebruikt.4 De uitsluiting van een gedeelte van een gebouw dat als woning wordt gebruikt impliceert immers dat op grond van art. 11 lid 1, onderdeel b, 5° Wet OB (wel) geopteerd kan worden voor het gedeelte van een gebouw dat niet als woning wordt gebruikt.