Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/9.7
9.7 Bedrijfswaarde in Europees perspectief
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS350380:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
H.J.W. Klein Wassink, Bedrijfswaarde bij structurele veranderingen, Weekblad 1974/5200, blz. 998.
Richtlijn 90/435/EEG, Pb EG 1990, nr. L 225, blz. 6 e.v.
Richtlijn 90/434/EEG, Pb EG 1990, nr. L 225, blz. 1 e.v.
Commission of the European Communities (1992), Report of the Committee of Independent Experts on Company Taxation (Ruding Committee), Luxembourg: Office for Official Publications of the European Communities, 1992.
Zie: G.J.M.E. de Bont, Een geharmoniseerd winstbegrip in Europa als utopie?, Weekblad 1993/ 6069, blz. 1330-1338. M.J. Ellis, Het veranderende internationale fiscale landschap voor ondernemers, Weekblad 1996/ 6185, blz. 219-226. A.J.M. Timmermans, Een ondernemingsvisie op internationale fiscaliteit, Weekblad 1996/6185, blz. 226-236.
Unitary taxation houdt in dat de winst van een geheel concern als eenheid wordt berekend volgens de voorschriften en de valuta van het land dat deze methode toepast. Daarna wordt de totale winst via een verdeelsleutel (bezittingen, loonsom, omzet of een combinatie van factoren) toegedeeld aan de landen waar onderdelen van de groep zijn gevestigd. Vergelijk: A.J.M. Timmermans, t.a.p., blz. 233.
Vergelijk in dit verband tevens het zogenaamde `Verona'-document van EG-commissaris Mario Monti, Belastingheffing in de Europese Unie, Sec(96) 487 final. daartegen, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 198, inleider F.W.G.M. van Brunschot, blz. 6-7, Kluwer, Deventer, 1995.
Internationale belastingvlucht van lichamen (2), Bespreking van het rapport van de commissie ter bestudering van het verschijnsel internationale belastingvlucht van lichamen en van maatregelen
Vergelijk tevens de nota naar aanleiding van het verslag bij wetsvoorstel nr. 24 696 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderdeel 2.2 Internationale context.
Reeds in 1974 wees Klein Wassink1 op het verband tussen bedrijfswaarde en de tendens tot harmonisatie van belastingen in Europa. Citaat: 'In het kader van een verdergaande harmonisatie van belastingen in de EEG is te verwachten, dat de discussie over de bedrijfswaarde, die tot nu toe beperkt bleef tot Duitse fiscale en bedrijfseconomische auteurs, nog eens via voorstellen uit Brussel in wijdere kring zal moeten op gang komen. Het lijkt dan zaak er op attent te zijn, dat niet met één pennestreek ingegeven door doctrinaire voorkeur een flexibiliteitsinstrument, waar tot nu toe met mate gebruik van gemaakt is geruisloos verdwijnt uit het arsenaal van middelen om tot een realistische fiscale winstbepaling te komen — ook in onvoorziene situaties.'
Allereerst dient te worden opgemerkt dat het Verdrag van Rome geen specifieke bepalingen bevat waarin de bevoegdheid en opdracht van de EG is vastgelegd om bij de directe belastingen tot harmonisatie te komen. Bovendien kunnen EG-maatregelen die gericht zijn op de harmonisatie van belastingheffing alleen totstandkomen op basis van de vereiste unanimiteit bij de besluitvorming in de Europese Ministerraad.
Inmiddels schrijven wij het jaar 1997 en zijn 23 jaar verder. Wat is er zoal in de tussenliggende periode gebeurt op het gebied van de harmonisatie van directe belastingen? In 1990 mochten de moeder-dochterrichtlijn2 en de fusierichtlijn3 het licht zien. Echter aangaande de harmonisatie van het winstbegrip ten behoeve van de heffing van directe belastingen in Europees verband is tot nog toe geen aanzet gegeven. Zelfs het zogenaamde Ruding-rapport4 (waarbij de samenstellers de opdracht gekregen hadden te onderzoeken of verschillen in de belastingheffing van vennootschappen tot distorsies leiden die de werking van de interne markt aanzienlijk verstoren) is inmiddels geruisloos van de fiscale agenda verdwenen. Dit maakt de roep om harmonisatie van directe belastingen in Europees verband er niet minder om5 en worden er op dit moment gedachten ontwikkeld omtrent unitary taxation6 en een op Europees niveau geheven vennootschapsbelasting.
Maar anderzijds heeft het de aanschijn dat een aantal Europese landen de fiscaliteit al te gemakkelijk gebruiken als beleidsinstrument om zodoende een groot scala van overheidsdoelstellingen te kunnen realiseren'7. In verband met de toenemende instrumentalisering van het belastingrecht (zowel op nationaal als internationaal niveau) is het noodzakelijk dat regeringen hierop bijzonder alert zijn anders zou het nog wel eens zo kunnen zijn dat landen binnen Europa elkaar met fiscale incentives en belastinguitgaven overbieden. De opmerkingen van Van Brunschot8 tijdens de bijeenkomst van de Vereniging voor Belastingwetenschap op 21 januari 1995 aangaande de 'wet van de fiscale jungle' waarbij elke land probeert een 'fair share' van de mondiale belastingkoek te bemachtigen zijn in dit verband dan ook nog steeds relevant.
Zeker zal het voor een in diverse Europese landen opererend concern moeilijk te begrijpen zijn (en in de uitvoering complicerend werken) dat er in het ene land ruimere fiscale verliesnemingsmogelijkheden zijn dan in het andere.
Het begrip bedrijfswaarde beperkt zich tot de Bondsrepubliek Duitsland en Duitsrechtelijk georiënteerde landen maar is in bijvoorbeeld Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk volstrekt onbekend. Gezien het huidige politieke klimaat binnen Europa mag evenwel niet worden verwacht dat er op afzienbare termijn EG-maatregelen tot harmonisatie van de heffingsgrondslag van de directe belastingen tot stand zullen komen 9.
Nu Europese harmonisatie op afzienbare tijd niet te verwachten is, is er geen enkele aanleiding dat Nederland eenz dig bij wet, de mogelijkheid van afwaardering van een activum op lagere bedrijfswaarde uitsluit. Temeer niet omdat deze wijze van afwaardering geheel is ingebed in de regels van goed koopmansgebruik en langzamerhand tot de Nederlandse fiscale traditie is gaan behoren.