Einde inhoudsopgave
De fiscale gevolgen van samenwerking door non-profitorganisaties (FM nr. 182) 2024/1.3
1.3 Samenwerkingsverbanden en fiscaliteit
M.M.F.J. van Bakel, datum 15-06-2024
- Datum
15-06-2024
- Auteur
M.M.F.J. van Bakel
- JCDI
JCDI:ADS975767:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Van Duuren 2002, p. 1.
Zoals de centra voor innovatief vakmanschap in het mbo en de centers of expertise in het hbo, waarbij samenwerking wordt aangejaagd via het Regionaal Investeringsfonds mbo en het Platform Talent voor Technologie. Een ander voorbeeld van financiële instrumenten waarmee recente kabinetten sturen op de creatie van publiek-private samenwerkingen zijn Regio Deals en het Nationaal Groeifonds.
Zoals de invoering van de integrale bekostiging in de medisch-specialistische zorg. Bij de totstandkoming van het samenwerkingsmodel tussen het ziekenhuis en vrijgevestigde medisch specialisten speelde met name het behoud van fiscale ondernemersfaciliteiten een rol. Zie TIAS 2016, p. 3 en het memo van de werkgroep Verberkt van de Belastingdienst van 5 oktober 2015 (te raadplegen via https://docplayer.nl/10226204-Vragen-en-antwoorden-fiscale-aspecten-integrale-bekostiging-medisch-specialistische-zorg-2015.html, geraadpleegd op 15 juni 2024). De gevolgen van deze wijziging voor de fiscale positie van de medisch specialist zijn uitgebreid beschreven in Essers, Moors & Stevens 2016. Anno 2024 is dit nog steeds een actueel onderwerp mede gelet op de langslepende discussie over het onderscheid zzp’ers en werknemers in de fiscaliteit.
Ter zake van de grondvorm van de samenwerking maken Kaats en Opheij 2012, p. 231 een onderscheid tussen transactioneel samenwerken, functioneel samenwerken, verkennend samenwerken en ondernemend samenwerken.
Uit de geschiedenis blijkt reeds dat samenwerking zich in allerlei gedaanten kan voordoen. De motieven om samen te gaan werken zijn divers en lopen uiteen van strategische (zoals het gezamenlijk opzetten van een opleidingscentrum om kennis te bundelen) tot operationele aard (zoals vermindering van kosten via creatie van shared service centra).1 Ook komt het voor dat samenwerking wordt gestimuleerd door een wettelijke regeling, bijvoorbeeld via subsidies2 of fiscale faciliteiten.3 Voordat een samenwerking daadwerkelijk tot stand komt, hebben de beoogde deelnemers in de meeste gevallen reeds een coöperatief proces met elkaar doorlopen. Hierbij spelen zaken een rol als het verkennen van de motieven van de samenwerking en het formuleren van een gezamenlijke ambitie, het selecteren van de juiste samenwerkingspartner(s) en het opstellen van een business case en het bepalen van de grondvorm van de samenwerking.4
Nadat partijen de eerste fase succesvol hebben doorlopen en geconcludeerd hebben dat samenwerking tot meerwaarde leidt, wordt een meer formeel terrein betreden. Hierbij komt het aan op het verdelen en vastleggen van de onderlinge taken, inbreng, verplichtingen en aansprakelijkheden. Daarnaast dient een geschikte juridische vorm voor de samenwerking te worden bepaald. In dit onderzoek hanteer ik drie juridische grondvormen van hoe samenwerkingen georganiseerd kunnen worden:
Een samenwerkingsovereenkomst: Een samenwerkingsovereenkomst is een juridische verbintenis tussen twee of meer deelnemers, waarin de voorwaarden en verwachtingen van de samenwerking worden vastgelegd. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijke samenwerkingsovereenkomsten:
Privaatrechtelijk: de overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW) en de personenvennootschap (de maatschap, de VOF en de commanditaire vennootschap).
Publiekrechtelijk: het gemeenschappelijk orgaan, de centrumgemeente, de regeling zonder meer en de bevoegdhedenovereenkomst.
De deelname of participatie in een andere organisatie: het bezit van aandelen of lidmaatschapsrechten door een deelnemer in een andere organisatie, met als doel invloed uit te oefenen op het beleid of beheer, zonder directe betrokkenheid bij de dagelijkse leiding van de organisatie. Een deelname of participatie in een andere organisatie kan zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk op verschillende manieren worden vormgegeven.
De oprichting van een joint venture: een samenwerkingsvorm waarbij twee of meer deelnemers een nieuwe, juridisch zelfstandige entiteit oprichten om een specifiek doel te bereiken, waarbij ze hun middelen, kennis en financiën inbrengen, maar buiten de joint venture onafhankelijk blijven. Deze entiteit kan als zelfstandige rechtspersoon opereren en biedt voordelen zoals een duidelijk aanspreekpunt, beperkte aansprakelijkheid voor de deelnemers en een uniform wettelijk kader. Joint ventures kunnen verschillende rechtsvormen aannemen, afhankelijk van de aard van de samenwerking en de juridische positie van de deelnemers:
Privaatrechtelijk: BV, NV, stichting, vereniging en coöperatie.
Publiekrechtelijk: openbaar lichaam en bedrijfsvoeringsorganisatie.
In paragraaf 3.4 ga ik dieper in op deze grondvormen van samenwerking.
De vorm van samenwerking die non-profitorganisaties kiezen, wordt beïnvloed door een aantal factoren. Naast civielrechtelijke, financiële en organisatorische factoren spelen fiscale factoren een rol. De reden dat fiscale aspecten meespelen bij de keuze voor een bepaalde samenwerkingsvorm is dat het aangaan van een samenwerkingsverband onvermijdelijk gevolgen heeft voor de belastingheffing. Bij samenwerking worden de inrichting van de organisatie en/of de aangegane rechtshandelingen vaak anders vormgegeven dan wanneer taken zelfstandig worden uitgevoerd. Deze gewijzigde vormgeving kan verschillende fiscale gevolgen met zich meebrengen. Een voorbeeld van een mogelijk fiscale consequentie van samenwerking is het ontstaan van vennootschapsbelastingplicht omdat de joint venture die gekozen wordt, kwalificeert als een zelfstandig belastingplichtig lichaam op basis van art. 2 Wet Vpb 1969.
Voor de heffing van omzetbelasting geldt dat samenwerking tot cumulatie van btw kan leiden. Dit houdt verband met het feit dat non-profitorganisaties veelal in grote mate vrijgestelde prestaties verrichten voor de btw. Cumulatie van belasting kan optreden als het samenwerkingsverband of de deelnemers prestaties verrichten die op zichzelf niet onder een vrijstelling vallen. De btw die drukt op deze prestaties kan dan niet of slechts gedeeltelijk worden verrekend door het samenwerkingsverband of de deelnemers. Een voorbeeld hiervan is het ter beschikking stellen van personeel aan een samenwerkingsverband dat kwalificeert als zelfstandig rechtssubject. Als hoofdregel is deze terbeschikkingstelling belast met 21% btw. Als het samenwerkingsverband uitsluitend btw-vrijgestelde activiteiten gaat verrichten, leidt de verschuldigdheid van btw over de detachering tot een verhoging van de kostprijs. Dit nadeel kan onder omstandigheden een belemmering vormen voor deelnemers om een samenwerking aan te gaan. Naast btw-gevolgen kan detachering van personeel ook consequenties meebrengen voor de loonheffingen, bijvoorbeeld op het gebied van inlenersaansprakelijkheid of het ontstaan van inhoudingsplicht op grond van een (fictieve) dienstbetrekking. Wat de hiervoor beschreven fiscale gevolgen gemeen hebben is dat zij zich niet, of in beperktere mate, zouden hebben voorgedaan indien geen samenwerking was aangegaan. In deze studie onderzoek ik of en op welke wijze de fiscale wet- en regelgeving een belemmering vormt voor samenwerking in de non-profitsector.