Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.2.3.b
VII.4.2.3.b Het algemene kader voor aansprakelijkheid in een one tier board
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242792:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243 m.nt. Willems (Fortis), r.o. 4.53.
Idem Willems in zijn noot onder Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243.
Zie HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21 m.nt. Maeijer; JOR 2008/260 m.nt. Borrius (Willemsen/NOM). Zie hierover § VII.4.2.2.b.
Rb. Utrecht 15 februari 2012, JOR 2012/243 (Fortis), r.o. 4.53.
Onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 53.2, p. 1208; De Jong, Ondernemingsrecht 2012/51; Olaerts, TvOB 2012, afl. 6, p. 176; en Strik, Ondernemingsrecht 2012/91.
Anders dan De Jong, Ondernemingsrecht 2012/51, vind ik het dan ook niet opvallend dat de rechtbank niet enkel de formele taakverdeling in acht neemt.
Idem Strik 2010, p. 127; en Hanegraaf, MvO 2019, afl. 1-2, p. 24. Zie hierover uitvoerig § VII.3.2.5.b.
Voordat de rechtbank overgaat tot het beantwoorden van de vraag of de niet-uitvoerende bestuurder aansprakelijk is, schetst zij het algemene beoordelingskader voor de aansprakelijkheid van niet-uitvoerende bestuurders. De rechtbank stelt voorop dat de maatstaf waaraan het handelen van een bestuurslid in een one tier board moet worden gemeten, in zijn systematiek niet verschilt van de maatstaf die geldt binnen een two tier board.1
Het destijds geldende recht maakte geen onderscheid tussen de verschillende soorten bestuurders.2 Hoewel dit onderscheid naar huidig recht wel valt te maken, heeft dit mijns inziens geen gevolgen voor de normstelling waaraan het handelen van een bestuurslid moet worden getoetst. Zoals ik hiervoor al schreef, is een individuele bestuurder zowel in een monistisch als in een dualistisch bestuursmodel slechts aansprakelijk jegens een aandeelhouder, indien zijn handelen of nalaten ten opzichte van de aandeelhouder zodanig onzorgvuldig is, dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft, het vraagstuk van de afgeleide schade even daargelaten. Of hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, moet van geval tot geval worden beoordeeld, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.3
De rechtbank overweegt vervolgens:
“Die systematiek dient evenwel te worden ingevuld aan de hand van de positie die de desbetreffende bestuurder bekleedt, daaronder begrepen de taken van de bestuurder die behoren bij de taakverdeling zoals deze binnen het bestuur naar formeel voorschrift is geregeld en zoals deze – al dan niet in aanvulling op of in afwijking van dat formele kader – feitelijk vorm hebben gekregen. Dat betekent dat bij een bestuurder die lid is van een als one tier board aan te merken Raad van Bestuur, bij de bepaling van het voormelde toetsingskader dient te worden bezien – telkens in formele en feitelijke zin – in hoeverre de individuele bestuurder uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder is, welke taakverdeling er binnen de groep uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders bestaat en welke taken en bevoegdheden aan de Raad van Bestuur als collectief zijn toebedeeld. (…) Daarbij zal in zijn algemeenheid veel minder snel sprake zijn van een persoonlijk ernstig verwijt wanneer het gaat om een niet-uitvoerend bestuurder, dan wanneer het gaat om een uitvoerend bestuurder.”4
In navolging van verschillende auteurs juich ik het toe dat de rechtbank uitdrukkelijk rekening houdt met de bijzondere positie van de niet-uitvoerende bestuurder.5 Ik acht het juist dat de rechtbank niet alleen betekenis toekent aan de formele taakverdeling binnen het bestuur, maar ook aan de feitelijke werkzaamheden van de individuele bestuurders. Ik breng in herinnering dat de rechter alle omstandigheden van het geval in ogenschouw behoort te nemen bij het beantwoorden van de vraag of de niet-uitvoerende bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft. De formele taakverdeling binnen het bestuur is mijns inziens slechts een van de relevante omstandigheden.6 Een beroep op een dergelijke taakverdeling baat de niet-uitvoerende bestuurder niet zonder meer, wanneer hij in aanvulling op of in afwijking van dat formele kader werkzaamheden heeft verricht.7