De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.4.5:5.4.5 Tussenconclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.4.5
5.4.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388630:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 8 IVBPR en artikel 4 EVRM behelzen het verbod op slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid. De verdragen zelf werken deze begrippen niet nader uit. De voorbereidende stukken van het IVBPR en het EHRM verwijzen voor definities naar respectievelijk het Slavernijverdrag uit 1926, het aanvullend slavernijverdrag uit 1956 en het ILO verdrag uit 1930. Het eerstgenoemde verdrag formuleert slavernij als ‘de status of conditie van een persoon wiens eigendomsrecht hetzij in vollen omvang, hetzij in beperkte mate wordt uitgeoefend door een ander’. Een rechtens bezit over een ander komt tegenwoordig evenwel nauwelijks voor. De moderne slavernij heeft betrekking op praktische controle over een ander, in plaats van een de jure bezit. Die moderne vormen kunnen niet onder de traditionele definitie worden geschaard, waardoor het verbod thans weinig praktische waarde heeft. Duidelijk is evenwel dat slavernij een inbreuk op de persoonlijke vrijheid met zich brengt en betrekking heeft op harmful exploitation. Dienstbaarheid betreft volgens het verdrag uit 1956 ‘de verplichting van een individu om te leven en werken op andermans eigendom zonder de mogelijkheid te hebben de situatie te veranderen’. Ook dit vormt een inbreuk op de persoonlijke vrijheid en is harmful exploitation. Gedwongen arbeid behelst blijkens het ILO verdrag ‘elke arbeid of dienst die van een individu wordt vereist onder 1) dreiging van een straf en 2) waarvoor het individu zich niet uit vrije wil beschikbaar heeft gesteld’. Het EHRM maakt daarbij duidelijk dat de arbeid zowel fysiek als geestelijk van aard kan zijn. De onvrijwillige arbeid moet een disproportionele last met zich brengen gelet op de aard, omstandigheden, hoeveelheid en beloning van het werk. Als op basis van feiten en omstandigheden die disproportionaliteit blijkt, kan de onvrijwilligheid worden verondersteld ook als vooraf is ingestemd met de arbeid. De dreiging met een straf kan zowel fysiek als psychologisch van aard zijn. Gedwongen arbeid ziet in eerste instantie op harmful exploitation, de dwang schaadt de vrijheid van een ander. Maar de ruime interpretatie door het Hof van de twee vereiste elementen maakt het mogelijk dat onder omstandigheden ook situaties van mutually advantageous exploitation onder de bepaling vallen.
Ook al staat mensenhandel niet expliciet vermeld in het IVBPR en het EVRM, zowel het mensenrechtencomité als het EHRM scharen het fenomeen onder het bereik van artikel 8 IVBPR en 4 EVRM. Het mensenrechtencomité legt daarbij niet uit wat het onder mensenhandel verstaat. Het EHRM sluit in zijn definitie aan bij het VN Protocol mensenhandel. Mensenhandel betreft daarin – kort gezegd – het werven van een ander door middel van een beïnvloedingsmiddel met het oogmerk van uitbuiting. Het omvat meer dan slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid. Ook de rekruteringsfase voorafgaand aan deze praktijken betreft mensenhandel en bovendien is de component uitbuiting niet beperkt tot situaties van slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid. De uitbuiting in het protocol omvat zowel harmful exploitation als mutually advantageous exploitation en is bovendien niet nader begrensd.
Door het fenomeen mensenhandel onder het IVBPR en het EVRM te scharen is de reikwijdte van de artikelen 8 IVBPR en 4 EVRM uitgebreid. Ook niet-dwingende beïnvloedingsmiddelen kunnen leiden tot mensenhandel en uitbuiting. De ruimere reikwijdte zorgt ervoor dat ook niet-schadelijke gedragingen (volgens het schadebegrip in hoofdstuk 4) onder het verbod vallen hetgeen later in dit onderzoek van belang zal zijn.
Zowel artikel 8 IVBPR als artikel 4 EVRM behelst – naast de negatieve verplichting om burgers niet te onderwerpen aan situaties van slavernij, dienstbaarheid, gedwongen arbeid, mensenhandel en andere vormen van uitbuiting – tevens positieve verplichtingen het verbod op deze praktijken te beschermen tegen inbreuken door private personen. Staten dienen te voorzien in effectieve strafbaarstellingen. Maar dat is niet het enige. Het EHRM streeft een algemene aanpak aan om de verschillende vrijheidsbeperkende gedragingen tegen te gaan. Internationale samenwerking is vereist tussen landen van herkomst, doorvoerlanden en bestemmingslanden. Staten dienen zowel op wettelijk, administratief, politieel als judicieel niveau maatregelen te nemen om uitbuitingspraktijken te voorkomen, te bestraffen en slachtoffers te beschermen.