Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.4.2
II.5.6.4.2 Taken en bevoegdheden van de bewindvoerder
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625091:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Luijten & Meijer 2014 met betrekking tot onduidelijkheid over de bevoegdheden van de door een erflater benoemde ‘executeur-afwikkelingsbewindvoerder’, zonder dat een bewind is ingesteld, terwijl de hem in de uiterste wil van erflater opgedragen taken en toegekende bevoegdheden zijn omschreven in overeenstemming met de taak van de executeur volgens de wet. Is er geen bewind ingesteld dan is er strikt genomen geen sprake van een executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Om te kunnen spreken van een testamentair bewind zal erflater immers bij uiterste wilsbeschikking een of meer door hem nagelaten of vermaakte goederen (het object) onder bewind moeten stellen (art. 4:153 BW). Het instellen van testamentair bewind heeft primair een goederenrechtelijk karakter: het bewind rust op goederen, ongeacht de persoon van de bewindvoerder. Met Luijten en Meijer ben ik dan ook van mening dat de benoeming van een ‘bewindvoerder’ niet voldoende is om aan te nemen dat de erflater een bewind heeft ingesteld. Zie ook Klaassen/Luijten & Meijer 2008 (II), nr. 371. Gaat men de uiterste wil evenwel uitleggen, dan kan toch tot het instellen van een bewind worden geconcludeerd. Bijvoorbeeld indien er een bewindvoerder wordt benoemd met zelfstandige verdelingsbevoegdheid.
Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 12 (NW 2), Parl. Gesch. Inv. p. 2078.
Van Mourik 2011, nr. 18.
Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 12 (NW 2), Parl. Gesch. Inv. p. 2078.
Vgl. art. 4:153 lid 2 BW: ‘tenzij de erflater anders heeft bepaald’, waarbij voor delegatie ten aanzien van de inhoud van de uiterste wilsbeschikking geen plaats lijkt. Het is immers, zo bepaalt de wet expliciet, de erflater die anders moet bepalen.
Zie voorts voor andere mogelijkheden om af te wijken van de wettelijke regeling: art. 4:154 BW (ten aanzien van de zaaksvervangingsregeling ), art. 4:157 BW (ten aanzien van de benoeming van een bewindvoerder, zie hiervoor paragraaf 5.6.4.1), art. 4:158 lid 2 BW (ten aanzien van een regeling voor het oplossen van geschillen tussen bewindvoerders), art. 4:159 BW (ten aanzien van het vaststellen van het loon), art. 4:164 lid 1 sub d BW (ten aanzien van het einde van de hoedanigheid van bewindvoerder). De bepaling van art. 4:160 lid 1 derde zin BW met betrekking tot de zekerheidsstelling door de bewindvoerder is naar mijn mening te restrictief geformuleerd om andermans subjectief oordeel te kunnen toelaten. Art. 4:160 lid 1 derde zin BW luidt: ‘Tot het stellen van zekerheid is hij [de bewindvoerder] slechts verplicht, indien dit bij de instelling van het bewind is bepaald .’ Vergelijk hiermee bepalingen als ‘in de gevallen als bij de instelling van het bewind is bepaald’ of ‘voor zover bij de instelling van het bewind is bepaald’, waar mijns inziens wel een mogelijkheid kan bestaan om andermans subjectief oordeel een rol te laten spelen.
Zie ook Asser/Perrick 2013 (4), nr. 725. De vruchten van het onder bewind gestelde vermogen zijn, zolang zij niet zijn uitgekeerd aan de rechthebbende, onderworpen aan het testamentaire bewind (art. 4:154 BW). In beginsel worden de vruchten telkens bij het afleggen van de rekening en verantwoording aan de rechthebbende uitgekeerd. Bij de instelling van het bewind kan evenwel anders worden bepaald (art. 4:162 lid 1 BW).
Vgl. paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’.
HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:983, NJ 2014/214. In deze beschikking ging het om de verhouding tussen testamentair bewind (art. 4:153 e.v.) en ouderlijk vruchtgenot (art. 1:253l BW). Erflaatster had in casu geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in art. 1:253m BW om het ouderlijk vruchtgenot uit te sluiten. Zij had in haar uiterste wil evenwel de volgende clausule opgenomen: ‘De bewindvoerder bepaalt of en in welke mate de inkomsten uit het onder bewind gestelde vermogen aan de eigenaar ter beschikking worden gesteld.’ De bewindvoerder maakte van de aan hem verleende bevoegdheid gebruik en bepaalde dat de gekweekte rente uit het onder bewind gestelde vermogen pas vanaf de leeftijd van 22 jaar aan de zoon mag worden uitgekeerd. Dat bracht volgens de Hoge Raad mee dat ‘deze rente, evenals het vermogen zelf, tot die tijd onder het verband van het bewind blijft rusten, zodat de zoon daarover nog niet kan beschikken. Daarom moet worden aangenomen dat ook de vader daarover niet op grond van het ouderlijk vruchtgenot kan beschikken (tenzij de kantonrechter hem daartoe toestemming zou geven), ’ aldus r.o. 3.6.1. De aanspraak van vader op grond van het ouderlijk vruchtgenot wordt door deze bevoegdheidsverlening evenwel niet illusoir gemaakt. Vader zal slechts geduld moeten betrachten tot het moment waarop de zoon meerderjarig wordt. Zie in dit kader ook Ter Haar 2012 (met betrekking tot de uitspraak Hof ’s-Gravenhage 11 april 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529); Ter Haar 2013b; Nuytinck 2014; Mellema-Kranenburg 2014.
Voor de andere mogelijkheden voor erflater om van de wettelijke regeling af te wijken, zie hiervoor in paragraaf 5.6.4.2 onder C ‘Clausule ‘tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald’ of iets vergelijkbaars’ en voetnoot 223 van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 17 (NW 2), Parl. Gesch. Inv. p. 2132.
Over het afwikkelingsbewind uitgebreider B. Schols 2007a, p. 407 e.v. Zie ook B. Schols 2004a en 2004b; B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 548 e.v.; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 745. Zie voor een overzicht van de stand van zaken in de rechtspraak ook B. Schols 2012, p. 73 e.v.
De bewindvoerder kan uiteraard wel beslissen of hij van zijn bevoegdheid gebruik maakt.
Bijvoorbeeld zoals bepaald in het KNB-model ‘Testament wettelijke verdeling (man)’ (versie 16-12-2009), waarin de woorden ‘naar eigen inzicht’ worden gebezigd: ‘Ik stel een bewind in over de erfdelen van mijn overige erfgenamen en benoem mijn echtgenote tot bewindvoerster. Dit bewind wordt ingesteld in het belang van alle betrokkenen om te komen tot een goede afwikkeling van de nalatenschap. Mijn echtgenote is daarom bevoegd om naast de in de wet vermelde beheerstaken te beschikken over de goederen van de nalatenschap zonder medewerking van mijn overige erfgenamen en zonder machtiging van de kantonrechter. Voorts is zij bevoegd als vertegenwoordiger van mijn overige erfgenamen de nalatenschap naar eigen inzicht te verdelen (curs. NB).’
Anders Van Mourik 2013, nr. 81.1.
A) Inleidend
De taken en bevoegdheden van de bewindvoerder zijn in afdeling 4.5.7 BW neergelegd.1 De bewindvoerder dient onder andere het bewind en zijn benoeming te doen inschrijven in de registers als bedoeld in art. 4:160 lid 2 BW, een boedelbeschrijving op te maken, zekerheid te stellen indien dit bij de instelling van het bewind is bepaald, de vruchten uit te keren, evenals rekening en verantwoording af te leggen (art. 4:160-162 BW). De belangrijkste taak, en de daarmee gepaard gaande bevoegdheid, van de bewindvoerder is het beheren van de onder bewind gestelde goederen.2 Deze bevoegdheid wordt door de wet aan de bewindvoerder verleend. Art. 4:166 BW bepaalt (ongeacht de strekking van het bewind):
‘De rechthebbende is naast de bewindvoerder bevoegd tot handelingen dienende tot gewoon onderhoud van de goederen die hij in gebruik heeft en tot handelingen die geen uitstel kunnen lijden. Voor het overige komt het beheer uitsluitend toe aan de bewindvoerder (curs. NB).’
Wat onder beheer wordt verstaan, wordt door de wet in art. 3:170 lid 2 BW voorgeschreven:
‘Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties.’
Daartoe kunnen eveneens daden van beschikking behoren die door een normale exploitatie worden gevorderd.3 De bewindvoerder mag de onder bewind gestelde goederen niet aan bijzondere risico’s bloot stellen. Hij zal deze goederen juist tegen zulke risico’s moeten beschermen.4 De wet verleent én kleurt zodoende de belangrijkste bevoegdheid van de bewindvoerder, namelijk het beheren van het onder bewind gestelde vermogen, nader in. Voor andere handelingen dan beheershandelingen zijn in art. 4:169 BW de bevoegdheden van de bewindvoerder geregeld. Art. 4:170 BW geeft voorts de bevoegdheden van de bewindvoerder in het kader van de verdeling van een gemeenschap. In art. 4:172 BW en art. 4:173 BW zijn tot slot vertegenwoordigingsbevoegdheden neergelegd. De bewindvoerder die, anders dan in de vorm van medewerking of toestemming, zijn taak uitoefent, is op grond van art. 4:172 BW bevoegd daarbij de rechthebbende te vertegenwoordigen of in eigen naam te zijnen behoeve op te treden. En ingevolge art. 4:173 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in gedingen ter zake van onder het bewind staande goederen.
Kan erflater evenwel nog (andere) bevoegdheden aan de bewindvoerder verlenen, waarbij hij het aan het subjectieve oordeel van een ander of van de bewindvoerder overlaat om deze bevoegdheid of bevoegdheden nader te concretiseren?
B) Taakverdeling bij meerdere bewindvoerders
Art. 4:158 lid 1 BW handelt over de taakverdeling bij een of meer bewindvoerders:
‘Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren alleen verrichten, tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt (curs. NB).’
Deze bepaling opent een mogelijkheid om andermans subjectieve oordeel een rol te laten spelen bij de vaststelling van de taakverdeling van twee of meer bewindvoerders.
Dat andermans subjectieve oordeel een rol kan spelen, blijkt uit de bepaling zelf: ‘tenzij de kantonrechter anders bepaalt’. Ik zie evenwel ook geen bezwaren tegen een bepaling in de uiterste wil als: ‘de taakverdeling van de bewindvoerders wordt vastgesteld door bewindvoerder X’. Of bijvoorbeeld door de langstlevende echtgenote of een goede vriend. Dit, gelet op het gegeven dat de taakverdeling niet het wezen van het bewind betreft (te weten de goederen waarop het bewind rust), gelet op de zinsnede ‘tenzij de uiterste wil anders bepaalt’5 en gelet op art. 4:42 lid 3 BW dat slechts een formeel aspect tot uitdrukking brengt en geen delegatieverbod inhoudt (zie paragraaf 2.5 en hoofdstuk 3). Bewindvoerder X, de langstlevende echtgenote of een goede vriend kunnen overigens daartoe vanuit hun relatie met erflater ook beter geschikt zijn dan de kantonrechter.
C) De clausule ‘tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald’ of iets vergelijkbaars
Hetgeen ik zojuist opmerkte ten aanzien van het vaststellen van de taakverdeling bij meerdere bewindvoerders zou, voor wat de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder betreft, (met het besef dat we geen algemeen delegatieverbod kennen, gelet op de formulering en op het gegeven dat het niet het wezen van het testamentair bewind betreft) ook kunnen opgaan ten aanzien van:
Het inschrijven van het bewind en de benoeming in de registers als bedoeld in art. 4:160 lid 2 BW (‘tenzij bij de instelling van het bewind anders is bepaald’).
Het vaststellen van het tijdstip waarop rekening en verantwoording dient te worden afgelegd (art. 4:161 lid 1 BW: ‘tenzij andere tijdstippen zijn bepaald’) en het afleggen van rekening en verantwoording indien de rechthebbende of een belanghebbende niet in staat is tot het opnemen van de rekening, of het onzeker is wie de rechthebbende of belanghebbende is (art. 4:161 lid 2 BW: ‘tenzij de uiterste wil iets anders bepaalt’).
De uitkering van de netto-opbrengst en het tijdstip ervan (art. 4:162 lid 1 BW: ‘voor zover bij de instelling van het bewind niet anders is bepaald’). Evenals ten aanzien van de bepaling dat zolang onzekerheid bestaat wie op de netto-opbrengst recht heeft of de rechthebbende niet tot ontvangst in staat is, de netto-opbrengst onder het bewind blijft (art. 4:162 lid 2 BW: ‘tenzij de uiterste wil of de kantonrechter anders bepaalt’).6
Met deze ‘tenzij’-clausules stelt de wet uitdrukkelijk erflaters testeervrijheid (in materiële zin; zie paragraaf 1.2.2.1) voorop. Dat wil zeggen de vrijheid om de inhoud, werking en voorwaarden van een uiterste wilsbeschikking naar eigen inzicht te bepalen. Vanuit dit oogpunt bekeken en met het besef dat art. 4:42 lid 3 BW geen delegatieverbod impliceert (hoofdstuk 3), kan de vraag worden gesteld waarom erflater bij uiterste wil niet bijvoorbeeld het volgende zou kunnen bepalen:
‘De bewindvoerder schrijft het bewind en zijn benoeming in de registers als bedoeld in art. 4:160 lid 2 BW in, voorzover mijn erfgenamen dit allen naar hun redelijk oordeel nodig achten’ (art. 4:160 lid 2 BW).
‘De bewindvoerder legt rekening en verantwoording af aan de rechthebbende op door de rechthebbende te bepalen tijdstippen, doch maximaal één keer in het jaar’ (art. 4:161 lid 1 BW).
‘De bewindvoerder bepaalt in hoeverre de vruchten van het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende worden uitgekeerd’ (art. 4:162 lid 1 BW).7
Dit alles, ter voorkoming van willekeur, met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid.8 Getuige de formulering van de clausules (‘de uiterste wil’, ‘bij de instelling van het bewind’, enz.) is het van belang dat erflater expliciet in zijn uiterste wil vastlegt hoe het ‘anders regelen’ of ‘anders bepalen’ eruitziet. Erflater dient anders gezegd reeds zelf in zijn uiterste wil te hebben bepaald of en in hoeverre andermans subjectieve oordeel een rol kan spelen. Of dit ook geldt voor de clausule ‘tenzij andere tijdstippen zijn bepaald’ blijkt mijns inziens niet duidelijk uit de formulering.
De toelaatbaarheid van het laatste voorbeeld (‘De bewindvoerder bepaalt in hoeverre de vruchten van het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende worden uitgekeerd’) volgt overigens uit HR 18 oktober 2013, NJ 2014/214.9 Naar mijn mening zou deze bevoegdheid evenwel niet alleen aan de bewindvoerder kunnen worden verleend, maar bijvoorbeeld ook aan de langstlevende echtgenoot, een goede vriend of aan de executeur. Dit laatste dan, indien deze bevoegdheid aan de executeur in hoedanigheid van executeur (niet tevens afwikkelingsbewindvoerder) is verleend, gelet op het wettelijke takenpakket van de executeur, in de vorm van een testamentaire last. Dat een dergelijke bevoegdheidsverlening, om te bepalen in hoeverre de vruchten van het onder bewind gestelde vermogen aan de rechthebbende ter beschikking worden gesteld, aan de bewindvoerder kan worden verleend en niet botst met diens wettelijk takenpakket en de daarbij behorende bevoegdheden, wordt uitdrukkelijk bevestigd in art. 4:171 BW. Deze bepaling opent namelijk de mogelijkheid om de bevoegdheden en de verplichtingen van de bewindvoerder bij de uiterste wil nader te regelen en daarbij ruimer of beperkter vast te stellen dan uit de voorgaande bepalingen van afdeling 4.5.7 BW voortvloeit. Aan art. 4:171 lid 1 BW besteed ik hierna nader aandacht.
D) Art. 4:171 BW
Art. 4:171 lid 1 BW bepaalt dat:
‘Bij de uiterste wil kunnen de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader worden geregeld; zij kunnen daarbij ruimer of beperkter worden vastgesteld dan uit de voorgaande bepalingen van deze afdeling voortvloeit (curs. NB).’
Hiermee biedt art. 4:171 BW erflater eveneens een mogelijkheid om ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder van de wettelijke regeling af te wijken.10 Erflater kan bijvoorbeeld in zijn uiterste wil bepalen dat de bewindvoerder periodiek uitkeringen uit het bewindsvermogen aan de rechthebbende moet doen.11 Of bijvoorbeeld dat de bewindsvoerder zelfstandig (zonder de medewerking van de rechthebbende en zonder machtiging van de kantonrechter) beschikkings- of verdelingsbevoegd is. Vergelijk in dit kader ook het afwikkelingsbewind (art. 4:155 lid 4 jo. art. 4:171 BW) en een belangrijke toepassing hiervan: de quasi-wettelijke verdeling.12 Bij de quasi-wettelijke verdeling is de bewindvoerder gebonden aan het tot stand brengen van een verdeling ‘alsof’ de wettelijke verdeling zou gelden. Hierbij is zodoende nagenoeg geen ruimte voor het subjectieve oordeel van de afwikkelingsbewindvoerder13 en geen ruimte voor, noch sprake van, wilsdelegatie. De bevoegdheid om de bewindvoerder zelfstandig én naar diens oordeel (zonder richtsnoer)14 een verdeling tot stand te laten brengen, kan erflater op grond van art. 4:171 BW evenwel ook aan de bewindvoerder verlenen.15 Art. 4:171 BW bepaalt immers dat erflater bij uiterste wil de aan de bewindvoerder wettelijk toebedeelde taken en bevoegdheden (art. 4:153-170 BW), zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid om met toestemming van de rechthebbende over de goederen te beschikken (art. 4:169 BW) of de verdeling te vorderen en met toestemming van de rechthebbende mee te werken aan de verdeling (art. 4:170 BW), nader kan regelen. Ten aanzien van deze wettelijke taken en bevoegdheden geldt door het bepaalde in art. 4:171 BW zodoende regelend recht. Ofwel: art. 4:171 BW stelt met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder erflaters vrijheid om de inhoud, werking en voorwaarden van een uiterste wilsbeschikking naar eigen inzicht te bepalen, voorop (vgl. hoofdstuk 1). De goederenrechtelijke aard van het testamentaire bewind verzet zich, door het bepaalde in art. 4:171 BW, met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder zodoende niet tegen een soepele opvatting van het bepaaldheidsvereiste met ruimte voor subjectieve elementen.
Art. 4:171 BW kent binnen de kaders van afdeling 4.5.7 BW ten aanzien van de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder een grote testeervrijheid aan erflater toe. Erflater kan op grond van art. 4:171 BW de aan de bewindvoerder wettelijk toebedeelde taken en bevoegdheden (art. 4:153-170 BW) ruimhartig nader regelen. Erflater kan op grond van art. 4:171 BW echter niet tornen aan buiten de kaders van afdeling 4.5.7 BW gelegen bepalingen, zoals de bepalingen met betrekking tot de erfstelling of het legaat (afdeling 4.5.1 en 4.5.2 BW). Noch aan bepalingen binnen de kaders van afdeling 4.5.7 BW die evenwel niet de taken en bevoegdheden van de bewindvoerder als zodanig betreffen. Ik doel hiermee op bepalingen die zien op het wezen van het testamentair bewind (art. 4:153 BW). Dat wil zeggen de goederen waarop het bewind rust. Erflater kan het op grond van art. 4:171 BW dus niet aan de bewindvoerder overlaten om te bepalen welke goederen tot het bewind behoren en daarmee wat de strekking van het bewind is. Kan erflater dit evenwel (toch) op grond van art. 4:153 BW of een andere bepaling? Ofwel kan erflater het aan andermans subjectief oordeel, zoals het oordeel van de bewindvoerder of het oordeel van een derde, overlaten om te bepalen welke goederen tot het bewind behoren? Het antwoord op deze vraag behandel ik in de volgende paragraaf.