Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/4.7
4.7 Toekomstig recht?
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448549:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vreeswijk, diss. (1973), p. 43: 'In tegenstelling tot hetgeen wel bij een onderhands akkoord geschiedt, is het hierbij uitgesloten dat de ene concurrente schuldeiser anders wordt behandeld dan de andere. Bij surseance is de gelijke behandeling der concurrente schuldeisers een voorschrift waarvan niet kan worden afgeweken.'
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, Toelichting bij art. 6.2.9 voorontwerp Insolventiewet, p. 347.
Vgl. Verstijlen, WPNR 2008, 6760.
Art. 332 Fw spreekt van schuldeisers met voorrang, maar zondert daarvan uit de schuldeisers met een recht van parate executie. Het komt er derhalve op neer dat een gehomologeerd akkoord bindend is voor concurrente en preferente schuldeisers.
Zoals al gebruikelijk in de Verenigde Staten onder de Chapter 11-procedure.
Chapter 11 U.S.C. paragraaf 1123 (a)(4).
In gelijke zin Abendroth, Tvl 2004/special, p. 283 e.v., die onder meer een indeling geeft van verschillende klassen schuldeisers.
Vgl. Abendroth, Het dwangakkoord verdient beter, Tvl 2004/special, p. 283 e.v.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, Ten geleide, X.
In de wet wordt dwingend voorgeschreven dat gelijkgerechtigde schuldeisers gelijkelijk dienen te worden behandeld. In het Burgerlijk Wetboek wordt het gelijkheidsbeginsel verwoord in art. 3:277 lid 1 BW. Voor een akkoord in faillissement en surseance vloeit het beginsel onder meer voort uit art. 157 Fw en art. 233 Fw. Zowel in de literatuur als in de wetsgeschiedenis wordt ervan uitgegaan dat bij een akkoord het gelijkheidsbeginsel het uitgangspunt dient te zijn.1 Tegelijkertijd moet worden geconstateerd dat in de rechtspraak afwijken van de paritas creditorum onder bepaalde omstandigheden wordt toegestaan en dat niet iedere inbreuk op het beginsel ertoe hoeft te leiden dat homologatie van een akkoord wordt geweigerd. In de toelichting van het voorontwerp Insolventiewet wordt evenwel expliciet verwoord dat bij een akkoord ongelijkheid van gelijkgerechtigde schuldeisers geen uitzondering hoeft te zijn. In de toelichting wordt hierover gezegd:
"Bij een akkoord behoeft niet steeds van alle schuldeisers in gelijke mate een offer te worden verlangd. Ten aanzien van schuldeisers met voorrang ligt het veelal in de rede dat, nu zij bij uitdelingen in de insolventie een twee keer zo groot percentage ontvangen als concurrente schuldeisers, ook bij een akkoord een groter percentage ontvangen dan concurrente schuldeisers. Er kan ook op andere gronden behoefte bestaan aan verschillende percentages. Ook is het mogelijk dat de schuldenaar bepaalde schuldeisers volledig wenst te voldoen en daarvoor goede grond bestaat."2
Onderscheid maken mag dus volgens het voorontwerp Insolventiewet, indien hiervoor een goede grond aanwezig is en niet eens in beperkte mate. Het voorontwerp laat het gelijkheidsbeginsel dus veel meer los dan de wetgever indertijd heeft gedaan en sluit hiermee meer aan bij de huidige praktijk. Tegelijkertijd roept de in het voorontwerp neergelegde mogelijkheden om af te wijken van de paritas creditorum de vraag op welke rol de paritas creditorum inneemt in het insolventierecht en waar het beginsel nu eigenlijk nog voor staat.3
Naar huidig recht heeft de regeling van het akkoord - met uitzondering van het akkoord in de schuldsaneringsregeling - slechts betrekking op de concurrente schuldeisers. In het kader van de herziening van de Faillissementswet zouden we ons moeten afvragen of bij de regeling van het akkoord alle schuldeisers betrokken moeten worden. Een eerste aanzet hiertoe is inmiddels gegeven bij de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en de akkoordregeling hierin. In art. 332 Fw wordt immers onder meer tot uitdrukking gebracht dat het akkoord verbindend is voor zowel concurrente- als preferente schuldeisers.4 Deze twee groepen schuldeisers stemmen ieder afzonderlijk (zie art. 332 lid 3 Fw). Voor het akkoord in faillissement en surseance zou de akkoordregeling op zijn minst in dezelfde zin dienen te worden aangepast. Opgemerkt dient hier te worden dat het voorontwerp Insolventiewet geen onderscheid maakt tussen faillissement, surseance en de schuldsaneringsregeling. Het voorontwerp kent slechts een insolventieprocedure. De akkoordregeling in het voorontwerp ziet niet alleen op concurrente schuldeisers, maar ook op preferente schuldeissers en is gebaseerd op de akkoordregeling in de huidige schuldsaneringsregeling.
De akkoordregeling in de schuldsaneringsregeling waarin sprake is van 2 groepen schuldeisers zou uitgebreid kunnen worden met de andere groepen schuldeisers die ons recht kent. Er zou een indeling van schuldeisers kunnen plaatsvinden in zogenaamde classes of ereditors,' zoals dat thans in de regelgeving van de Verenigde Staten in het kader van een insolventieprocedure het geval is.5 In de zogenoemde Chapter 11-procedure worden ingediende en toegelaten vorderingen grofweg in 4 groepen geclassificeerd: 'secured claims', 'unsecured claims', 'interests' en 'administrative claims'. De claims in elke klas dienen gelijksoortig van aard te zijn. Dit heeft te maken met de paritas creditorum: de eis dat alle claims in dezelfde 'class' in beginsel ook gelijkelijk dienen te worden behandeld.6 Het spreekt voor zich dat de regels van het insolventierecht van de Verenigde Staten en de Chapter 11-procedure betreffende het akkoord in het bijzonder, niet een op een over te nemen zijn in ons rechtssysteem en er zullen ongetwijfeld genoeg mitsen en maren te bedenken zijn, tegelijkertijd bieden zij wel handvatten voor het betrekken van alle schuldeisers bij de totstandkoming van een akkoord. In navolging van het Amerikaanse recht zouden de schuldeisers al naar gelang de aard van hun vordering ingedeeld kunnen worden in groepen. Elke groep stemt afzonderlijk over het akkoord, waarbij de inhoud van het akkoord voor elke groep anders kan zijn, echter wel voor elke schuldeiser uit dezelfde groep in beginsel hetzelfde.7 Op zichzelf bezien is dit eigenlijk niet meer dan een optekening van de huidige insolventiepraktijk met dit belangrijke verschil dat niet alleen concurrente schuldeisers, maar ook preferente schuldeisers en separatisten bij het akkoord in faillissement en surseance worden betrokken en daaraan gebonden raken. Het binden van separatisten aan een akkoord zal politiek en juridisch gezien vast een brug te ver zijn. In het voorontwerp Insolventiewet is deze stap dan ook niet gezet. Tegelijkertijd is het nauwelijks te rechtvaardigen dat in een reorganisatieplan niet alle schuldeisers betrokken worden en alleen van een bepaalde groep schuldeisers een offer wordt verlangd. Waarom zouden alleen concurrente schuldeisers genoegen moeten nemen met slechts een bepaald percentage van hun vordering? Het is niet meer van deze tijd om alleen concurrente schuldeisers te laten opdraaien voor een collectief probleem.8 Een verdere verruiming van de werkingssfeer van het akkoord zou er voorts aan kunnen bijdragen, dat een van de doelstellingen van het voorontwerp Insolventiewet, te weten een versterking van het reorganisatievermogen binnen de Insolventiewet, in sterke mate wordt bevorderd.9