Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4.2
2.4.2 Geen arbeid, toch loon op grond van schuldeisersverzuim
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855399:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het recht op loon ontstaat in beginsel ook pas nadat de prestaties zijn verricht (Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 333).
Boot e.a., De zzp’er (MSR nr. 64) 2014/3.7; Boot 2016, p. 16; Van Slooten 2018, p. 46; Bouwens, Houwerzijl & Roozendaal, Schets van het Nederlandse arbeidsrecht 2021/3.4.1.4.
De opdrachtnemer die de werkzaamheden niet verricht vanwege eigen ‘verzuim’, kan op grond van art. 6:58 BW geen aanspraak maken op loon. Het verrichten van werkzaamheden wordt dan namelijk niet verhinderd doordat de opdrachtgever de noodzakelijke medewerking niet verleende en ook niet doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, waardoor niet wordt voldaan aan de vereisten van art. 6:58 BW. Voorbeelden zijn de opdrachtnemer die de werkzaamheden niet verricht, omdat hij met autopech langs de kant staat of ziek is.
HR 1 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8648 (APR/Lavrijsen).
Beargumenteerd kan worden dat ‘toerekening’ strikt genomen geen vereiste van de hoofdregel ex art. 6:58 BW is, maar een uitzondering daarop vormt, omdat deze is opgenomen in een tenzij-clausule. Desondanks spreek ik in dit verband over de ‘toerekeningseis’. Zie min of meer ook Streefkerk, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2018/7.1, die toerekening aan de schuldeiser (opdrachtgever) een voorwaarde van schuldeisersverzuim (art. 6:58 BW) noemt.
Sieburgh noemt als (overige) vereisten: (i) de afwikkeling van de verbintenis is niet mogelijk zonder medewerking van de schuldeiser (opdrachtgever); (ii) de schuldenaar (opdrachtnemer) moet tot de prestatie in staat en gereed zijn, althans daarmede zover zijn gevorderd als zonder de medewerking van de schuldeiser kon geschieden; (iii) in de regel moet de schuldenaar (opdrachtnemer) de schuldeiser (opdrachtgever) hebben doen weten dat diens medewerking verlangd wordt; en (iv) de medewerking van de schuldeiser moet zijn uitgebleven(Asser/Sieburgh 6-I 2020/293-296). Streefkerk acht deze indeling in meerdere opzichten achterhaald en minder gelukkig dan de door hem genoemde vereisten: (a) er moet sprake zijn van een verhindering van nakoming en (b) deze verhindering wordt uitsluitend veroorzaakt door een beletsel van de kant van de schuldeiser (opdrachtgever) (Streefkerk, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2018/7.1).
Het algemene verbintenisrechtelijke uitgangspunt is dat de schuldeiser de prestatie mag weigeren, zolang hij de tegenprestatie maar voldoet (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 219 en 230). Dit uitgangspunt sluit aan bij de (oorspronkelijke) aard van de overeenkomst van opdracht (zie impliciet Kamerstukken II 1982/83, 17 779, 3, p. 2 en 5, en expliciet in de rechtsliteratuur Bolt & Spier 1996, p. 120; Boot 2005, p. 239-240; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/92). Mocht de opdrachtgever wel verplicht zijn de opdrachtnemer toe te laten tot het werk en hierin tekortschieten, dan kan de opdrachtnemer het loon vorderen op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW).
Voor de totstandkoming van deze ‘toerekeningseis’ zijn m.n. Willeumier en Cavadino cruciaal geweest. Zie voor een behandeling van deze totstandkomingsgeschiedenis Abas, RMThemis 1975/2; Streefkerk, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2018/10.2.
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 222.
In die situatie wordt wel van ‘schuldeisersovermacht’ of ‘crediteursovermacht’ gesproken (zie bijv. Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 222; Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 6 1990, p. 1240; Asser/Sieburgh 6-I 2020/297).
Schoordijk 1979, p. 156-157; Schut 1984, p. 76; Zondag 2001, p. 105 en 601; Rogmans 2007/56; Streefkerk, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2018/11.1.
In de vorige paragraaf stond het probleem van een vertraagde loonbetaling in het middelpunt. Een ander probleem dat zich bij de loonbetaling kan voordoen, is het niet-betalen van het loon vanwege het feit dat de opdrachtnemer geen werkzaamheden heeft verricht, terwijl dat niet-werken is gelegen in een omstandigheid die voor risico van de opdrachtgever komt. Het leerstuk van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW) kan de opdrachtnemer in zo’n geval hulp bieden. Dit leerstuk staat in deze paragraaf centraal.
De overeenkomst van opdracht is in deze studie een wederkerige overeenkomst: de opdrachtnemer verricht werkzaamheden en de opdrachtgever betaalt daarvoor loon. Vanuit deze gedachte zou de opdrachtgever niet hoeven te presteren (het loon betalen) als de opdrachtnemer geen werkzaamheden verricht.1 Dit kan genuanceerder liggen, nu het algemene verbintenissenrecht de opdrachtnemer een loonaanspraak kan geven in de situatie dat hij de werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die aan de opdrachtgever is toe te rekenen. Deze bescherming kan worden gevonden in het leerstuk schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW).2 De opdrachtgever die het verrichten van de werkzaamheden kan afdwingen (en in dat opzicht dus schuldeiser is), komt in ‘verzuim’3 indien de bereidwillige opdrachtnemer deze verplichting niet kan nakomen doordat de opdrachtgever de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of op andere wijze de nakoming verhindert, tenzij de oorzaak van de verhindering niet aan de opdrachtgever kan worden toegerekend (artikel 6:58 BW). Als de werkzaamheden niet worden uitgevoerd door verzuim van de opdrachtgever (schuldeiser),4 blijft hij in principe de tegenprestatie (het loon) verschuldigd. De opdrachtnemer die op grond hiervan loon vordert, moet stellen, en zo nodig bewijzen, dat het verrichten van werkzaamheden werd verhinderd doordat de opdrachtgever de noodzakelijke medewerking niet verleende of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt. De opdrachtgever die zich erop beroept dat de oorzaak van de verhindering niet aan hem kan worden toegerekend, draagt daaromtrent de bewijslast.5
In het vervolg van deze paragraaf focus ik mij op de vraag of de oorzaak van het niet-werken aan de opdrachtgever (schuldeiser) kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:58 BW. Bij deze bespreking ga ik ervan uit dat aan de (overige)6 vereisten van dit artikel is voldaan.7 Ook neem ik aan dat de opdrachtgever (schuldeiser) niet verplicht is de opdrachtnemer (schuldenaar) de werkzaamheden te laten uitvoeren.8
Voor schuldeisersverzuim is geen verwijtbaarheid van de niet-nakoming vereist. Ook een toevallige verhindering kan voor risico van de opdrachtgever (schuldeiser) komen. Wel is vereist dat deze toevallige verhindering hem volgens artikel 6:58 BW kan worden toegerekend.9 Het is de taak van de rechter om aan de hand van de toerekeningseis de grenzen van het schuldeisersverzuim af te baken, zodat een redelijke uitkomst wordt bereikt.10 Oftewel: het gevolg van schuldeisersverzuim – in dit geval: het (door)betalen van het loon zonder arbeid te hebben ontvangen – treedt niet in als de opdrachtgever (schuldeiser) een geslaagd beroep doet op ‘overmacht’ aan zijn zijde.11 Het standaard overmachtsartikel (artikel 6:75 BW) mist hier overigens directe toepassing, aangezien dat artikel uitgaat van de normaalsituatie dat moet worden beoordeeld of overmacht aan de zijde van de schuldenaar bestaat. De vraag is aldus wanneer de oorzaak van het niet-werken aan de opdrachtgever (schuldeiser) kan worden toegerekend.
In artikel 6:58 BW zijn geen criteria te vinden aan de hand waarvan het begrip ‘toerekening’ kan worden ingevuld. Het leerstuk wanprestatie kent een vergelijkbare gedachtegang: een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis leidt niet tot een schadevergoedingsverplichting indien de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend (artikel 6:74 lid 1 BW). In dit verband is sprake van toerekening als (i) de tekortkoming is te wijten aan schuld of krachtens (ii) de wet, (iii) rechtshandeling of (iv) verkeersopvattingen voor rekening van de schuldenaar komt (artikel 6:75 BW). Op artikel 6:75 BW kan echter slechts de schuldenaar zich beroepen. Bovendien blijkt uit de wetsgeschiedenis dat toerekening aan de schuldeiser en schuldenaar niet geheel plaatsvindt op basis van dezelfde regels, omdat toerekening telkens mede wordt bepaald door de aard van de concrete situatie.12 Niettemin wordt in het algemeen aangenomen dat ook naar de toerekeningsgronden van artikel 6:75 BW moet worden gekeken als de vraag voorligt of de oorzaak van het niet-werken aan de opdrachtgever (schuldeiser) kan worden toegerekend in het kader van het leerstuk schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW).13 Ik deel deze visie, omdat de genoemde gronden naar mijn overtuiging voldoende ruimte bieden om rekening te houden met de aard van de concrete situatie. Toerekening op grond van schuld en krachtens verkeersopvattingen zijn immers open normen.
Hierna loop ik de vier toerekeningsgronden stuksgewijs langs (paragraaf 2.4.2.1-2.4.2.4). Ik besteed daarbij de meeste aandacht aan toerekening krachtens verkeersopvattingen (paragraaf 2.4.2.4) en rond af met een aantal bevindingen (paragraaf 2.4.2.5).
2.4.2.1 Toerekening op grond van schuld2.4.2.2 Toerekening krachtens wet2.4.2.3 Toerekening krachtens rechtshandeling2.4.2.4 Toerekening krachtens verkeersopvattingen2.4.2.5 Afrondende bevindingen