Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/3.5.1
3.5.1 De leer van Demogue-Besier en vergelijkbare leerstukken
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284611:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Aanhangers zijn met name Wolfsbergen (o.a. Wolfsbergen 1946, p. 99), Slagter (o.a. Slagter 1952, p. 214 en 325) en Kerkmeester & Visscher (Kerkmeester & Visscher 1999).
Demogue 1924, nr. 366.
Zie met name conclusie A-G Besier voor HR 25 mei 1928, ECLI:NL:HR:1928:100, NJ 1928/1688, m.nt. E.M. Meijers (De Marchant et d’Ansembourg/Staat).
Lankhorst (Lankhorst 1992, p. 57) en Kortmann (Kortmann 2005, p. 260-261) lijken bijvoorbeeld van deze uitleg uit te gaan. Ook Den Hollander (Den Hollander 2016, p. 93) onderscheidt deze variant. Den Hollander onderscheidt, met Lankhorst (Lankhorst 1992, p. 60), overigens ook nog een uitleg van de leer waarbij – begrijp ik hen goed – niet de gedraging zélf wordt vervangen door een andere rechtmatige gedraging, maar het recht aldus wordt aangepast dat diezelfde gedraging rechtmatig zou zijn. Zou de schade in dat geval ook zijn ingetreden, dan ontbreekt het causaal verband. Ook deze laatste variant vind ik lastig te volgen, omdat de uitkomst daarvan logischerwijs steeds is dat de schade dan ook zou zijn ingetreden. Er is dan nooit aansprakelijkheid.
Zie hierover bijv. Deutsch 1995, p. 122; Koziol 2012, 279-286; Van der Kooij 2019, nr. 71.
Zie bijv. Kerkmeester & Visscher 1999, p. 838; Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 143; Parl. Gesch. Boek 6, p. 635.
Kerkmeester & Visscher 1999, p. 837-838.
Hart & Honoré 1995, p. 372. Zie ook bijv. Wright & Puppe 2016, p. 476.
95. De meest besproken alternatieve leer is ongetwijfeld de leer van Demogue-Besier.1 Deze leer is oorspronkelijk ontwikkeld door Demogue in zijn Traité des Obligations.2 Zij vereist causaal verband tussen de ‘onrechtmatigheid’ van de onrechtmatige daad of het ‘onrechtmatig element’ daarvan en de schade. A-G Besier heeft in een aantal conclusies, waaronder met name die voor het d’Ansembourg-arrest, voorgesteld deze leer in Nederland over te nemen.3
Wat is de casus? De Staat neemt een onteigeningsbesluit met betrekking tot aan graaf d’Ansembourg toebehorende gronden. Dat besluit is volgens hem onrechtmatig, omdat de Staat de voor het besluit vereiste nieuwbouw- en uitbreidingsplannen niet op de juiste wijze ter inzage heeft gelegd. De graaf stelt dat hij als gevolg van dat besluit schade heeft geleden, omdat hij zijn percelen later voor een lagere prijs heeft moeten verkopen. Zonder het besluit zou hij de percelen al eerder – gedurende de periode dat het onteigeningsbesluit gold – voor een hoger bedrag hebben kunnen verkopen. Het vermogensverschil tussen die latere opbrengst en de opbrengst die hij zou hebben gehad als hij eerder had kunnen verkopen is zijn schade. Besier onderschrijft de overweging van het hof dat het causaal verband tussen de ‘onrechtmatigheid’ en de schade ontbreekt:
“In het onderhavige geval ontbrak dus het voor de toepassing van art. 1401 B.W. noodzakelijke verband tusschen de onrechtmatigheid van het Kon. Besluit en de daardoor veroorzaakte schade. De schade zou toch evengoed zijn ingetreden, indien dit besluit niet op een onvoldoenden grondslag had berust, doch de neerlegging der plannen van het werk behoorlijk had plaats gehad.”
96. In de voorbeeldcasus over de schietbaanincidenten en de kartwedstrijd (§3.1) zou men iets vergelijkbaars kunnen bepleiten: de band tussen de ‘onrechtmatigheid’ en de schade ontbreekt, omdat de schade ook steeds zou zijn ontstaan als met een wel toegelaten geweer zou zijn geschoten, bocht B2 normconform zou zijn geweest resp. rechtmatig in de knie zou zijn geschoten.
97. In de juridische literatuur verschilt men van mening hoe deze leer precies moet worden toegepast. De verschillende interpretaties overlappen op hun beurt met andere voorgestelde alternatieve causaliteitstoetsen.
Sommigen leggen de leer van Demogue-Besier zo uit dat moet worden nagegaan of, het normschendend handelen weggedacht, de schade ook op een rechtmatige wijze had kunnen worden veroorzaakt. Een subvariant hiervan is dat men wegdenkt dat het gedrag onrechtmatig is. Het causaal verband ontbreekt als de schade dan óók zou zijn ontstaan. De eerste variant van deze ‘ruime’ uitleg van de leer4 is in essentie weer gelijk aan de leer van de in Duitsland ontwikkelde leer van het Rechtmäβiges Alternativverhalten.5 De literatuur wijst er met name – en mijns inziens terecht – op dat deze toets te breed is, omdat het steeds de mogelijkheid geeft een willekeurig rechtmatig alternatief aan te reiken dat eveneens tot schade zou hebben geleid. Dat heeft tot gevolg dat aansprakelijkheid vrijwel steeds kan worden afgewend. Er laat zich namelijk vrijwel steeds wel een situatie bedenken waarin de laedens de schade op rechtmatige wijze zou hebben kunnen toebrengen. Hetzelfde geldt voor de subvariant waarin men wegdenkt dat de gedraging onrechtmatig is. Ook dan komt men er steeds op uit dat het causaal verband ontbreekt.6 Dat is ook begrijpelijk: de schade wordt immers veroorzaakt door het gedrag, niet door de ‘onrechtmatigheid’ ervan. Deze varianten van de leer van Demogue-Besier moet daarom wegens onvoldoende onderscheidingskracht verworpen worden.
Anderen begrijpen de leer van Demogue-Besier zo dat moet worden nagegaan wat de vermogenssituatie zou zijn geweest als de geschonden norm zou zijn nageleefd. Is de vermogenssituatie hetzelfde, dan ontbreekt het causaal verband. Het gaat hier om een beperktere uitleg van de leer. Het verschil met de ‘ruime’ variant is aanzienlijk. Er mag namelijk geen willekeurige rechtmatige schadeveroorzakende gedraging worden bijgedacht. Evenmin gaat deze variant uit van de rechtmatigheid van de daadwerkelijk verrichte gedraging. Met Kerkmeester & Visscher7 acht ik het zeer aannemelijk dat Besier deze variant voor ogen had.
Eenzelfde causaliteitstoets wordt bijvoorbeeld in de Amerikaanse literatuur bepleit. Hart en Honoré8 vereisen bijvoorbeeld causaal verband tussen de schade en het ‘tortious aspect’ van het onrechtmatige gedrag:
“The comparison is not what would have happened had the defendant done nothing, but what would have happened if he acted properly (…). The reason why this is the appropriate substitution is that the aim of the legal inquiry is to discover not whether the defendant’s conduct as such made a difference in the outcome, but whether the fact that it was wrongful did so.”