Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.2:3.2 Oorsprong van het begrip goed koopmansgebruik
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.2
3.2 Oorsprong van het begrip goed koopmansgebruik
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS344313:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook R.E.C.M. Niessen, Op zoek naar de oorsprong van goed koopmansgebruik. Verburgbundel, Opstellen over vennootschap en belasting, Kluwer, Deventer, 1994, blz. 191-195.
Wet van 2 oktober 1893, S. nr. 149.
HR 29 juni 1918, B. 2023 en HR 12 mei 1920, B. 2456.
HR 16 december 1931, B. 5107 en HR 9 mei 1935, B. 5866.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ieder voelt bij eerste lezing van de term goed koopmansgebruik wel aan, dat die verwijst naar regels die in kringen van nette ondernemers aanvaardbaar worden geacht, maar zijn precieze achtergrond is gehuld in een nevel van geheimzinnigheid1. Waar liggen nu de wortels van deze term?
Uit de parlementaire behandeling van de Wet van 1893 op de belasting van bedrijfs- en andere inkomsten2 kan worden afgeleid dat daarin voor het eerst wordt gesproken over het schatten van baten zoals een verstandig koopman gewoon is te doen, mits die schatting te goeder trouw en met de bereikbare nauwkeurigheid is gedaan, zoals een `ordentlichter Kaufmann' betaamt. Uit deze laatste term blijkt overigens de invloed van Pruisen op onze toenmalige inkomstenbelastingwetgeving. Het criterium goed koopmansgebruik geeft in die tijd uiting aan de sterk liberale wijze waarop de 19e eeuwse wetgever ondernemers in de inkomstenbelasting wilde benaderen.
Men tilde er waarschijnlijk niet zo zwaar aan of een bate in het ene of in het volgende jaar werd belast, afhankelijk van de gekozen waardering. Pas de oorlogswinstbelasting verstoorde deze rust en maakte de winstbepaling tot strijdvraag.
De Hoge Raad spreekt aanvankelijk over de 'regelen van degelijk en eerlijk koopmansgebruik'3. In art. 10 Wet op de Inkomstenbelasting 1914 wordt het begrip 'goed koopmansgebruik' opgenomen, maar uitsluitend voor wat betreft de afschrijvingen op zaken, die voor de uitoefening van het bedrijf of beroep worden gebruikt, en de afschrijvingen op schuldvorderingen. Nadat de term `goed koopmansgebruik' in de fiscale literatuur is ingeburgerd, neemt hij uiteindelijk ook in de rechtspraak de plaats van het degelijk en eerlijk gebruik over4.
Het begrip goed koopmansgebruik gerelateerd aan de vaststelling van de jaarwinst (en niet uitsluitend aan vaststelling van afschrijvingen) krijgt in art. 7, eerste lid Besluit IB 1941 zoals dit voorschrift bij de Wet Belastingherziening 1950 werd ingevoerd, voor het eerst een wettelijke basis.