Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/6.8.4
6.8.4 Verenigde Staten (federaal): de huidige Rule 11 FRCP
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS596744:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hirt 1999, p. 1017-1018.
Hirt 1999, p. 1035-1037. Dunlop 2008 laat bovendien zien dat sommige Circuits de hogere eis van subjectieve kwade trouw hanteren als drempel voor ambtshalve sancties.
Shapard e.a. 1995, p. 1.
Waaronder twee surveys door het Federal Judicial Center in 1995 en 2005. In 1995 wilde 52% van de ondervraagde federale rechters huidige Rule 11 laten zoals die is. In 2005 was dat zelfs 81%. Zie Shapard e.a. 1995 en Rauma & Willging 2005.
Onderzoek naar de effecten van Rule 11 komt aan bod in § 7.6.1. (algemeen) en de effecten van het eigen beursje in het bijzonder worden in § 8.6 besproken.
Owens 2010, p. 25-28.
Solovy e.a. 2004, p. 728.
Solovy e.a. 2004, p. 729 e.v. Bij ambtshalve geïnitieerde sancties hanteren de meeste court of appeals echter wel een subjectieve standaard, zo blijkt uit Dunlop 2008.
Owens 2010, p. 27, figuur 6.
Hirt 1999, p. 1029, noemt Ware v. Jolly Roger Rides, Inc., 857 F.Supp. 462, 464 (D.Md.1994).
Vergelijk dit met het oordeel van de Hoge Raad dat de onbewijsbaarheid van aangevoerde feiten of ingenomen stellingen onvoldoende is om procesmisbruik aan te nemen: HR 29 juni 2007, NJ 2007, 353, r.o. 4.6. Zie ook § 3.3.3.
Christan v. Mattel, Inc., 286 F. 3d 1118, 1121 (9th Cir. 2002).
In Jenkins v. Methodist Hospitals of Dallas Inc., 478 F. 3d 255 (5* Cir. 2007) werd een advocaat bestraft wegens het onjuist weergeven van de woorden van de wederpartij, waardoor die uitspraak discriminerend leek te zijn. Er volgde overigens geen eigen beursje, maar de rechter gaf een publieke reprimande, hetgeen op basis van Rule 11 ook mogelijk is.
Owens 2010, p. 25.
Zie o.a. Dunlop 2008 en Solovy e.a. 2004. Voor de aanpassingen in 1993 was dit niet beter, zie Schwarzer 1988.
Rule 11 FRCP gaat over het indienen van pleidooien, moties en andere stukken. Deze moeten aan een aantal kwalitatieve vereisten voldoen. Ze mogen niet met een onbetamelijk doel worden ingediend, ze moeten steunen op het recht of op een goed argument om het recht aan te passen en de aangedragen feiten moeten bij verder onderzoek bewijsbaar zijn. Ook het betwisten van aangedragen feiten moet op bewijsbare gronden gebeuren of de betwisting moet redelijkerwijs gebaseerd zijn op een gebrek aan informatie. Hieronder staat Rule 11(b) weergegeven:
(b) Representations to Court.
By presenting to the court (whether by signing, filing, submitting, or later advocating) a pleading, written motion, or other paper, an attorney or unrepresented party is certifying that to the best of the person's knowledge, information, and belief, formed after an inquiry reasonable under the circumstances,
(1) it is not being presented for any improper purpose, such as to harass or to cause unnecessary delay or needless increase in the cost of litigation;
(2) the claims, defenses, and other legal contentions therein are warranted by existing law or by a nonfrivolous argument for the extension, modification, or reversal of existing law or the establishment of new law;
(3) the allegations and other factual contentions have evidentiary support or, if specifically so identified, are likely to have evidentiary support after a reasonable opportunity for further investigation or discovery; and
(4) the denials of factual contentions are warranted on the evidence or, if specifically so identified, are reasonably based on a lack of information or belief.
Wanneer een partij vindt dat de wederpartij een van bovenstaande regels overtreden heeft, kan hij op grond van Rule 11(c) een motie neerleggen bij de wederpartij. De wederpartij krijgt dan 21 dagen de kans om het betwiste stuk terug te trekken (safe harbor1). Als partij A bijvoorbeeld een stuk indient dat duidelijk alleen bedoeld is om onnodige vertraging te veroorzaken, dan kan partij B een motie neerleggen bij A, waarin hij aangeeft dat hij vindt dat A Rule 11(b) overtreden heeft. A heeft dan 21 dagen de tijd om zijn stuk terug te trekken. Zo niet, dan kan de motie door B worden ingediend bij de rechter. Oordeelt de rechter dat A inderdaad de regels uit 11(b) overtreden heeft, dan kunnen sancties volgen. De rechter mag op grond van Rule 11(c)(3) ook ambtshalve ingrijpen en een partij de gelegenheid geven te onderbouwen waarom die Rule 11(b) niet overtreden heeft, maar dit komt zelden voor.2
Rule 11(c)(1) en (4) bepalen wie gestraft kan worden en welke sancties mogelijk
zijn:
‘ (1) In General.
If, after notice and a reasonable opportunity to respond, the court determines that Rule 11(b) has been violated, the court may impose an appropriate sanction on any attorney, law firm, or party that violated the rule or is responsible for the violation. Absent exceptional circumstances, a law firm must be held jointly responsible for a violation committed by its partner, associate, or employee.
(.. )
(4) Nature of a Sanction.
A sanction imposed under this rule must be limited to what suffices to deter repetition of the conduct or comparable conduct by others similarly situated. The sanction may include nonmonetary directives; an order to pay a penalty into court; or, if imposed on motion and warranted for effective deterrence, an order directing payment to the movant of part or all of the reasonable attorney's fees and other expenses directly resulting from the violation.'
Tot de mogelijkheden behoort dus ook de sanctie waarbij de advocaat (en/of zijn kantoor) de kosten moet betalen die de andere partij onnodig heeft moeten maken, inclusief de kosten van de advocaat.
Ten opzichte van de oude regel die tussen 1983 en 1993 gold, zijn dit de belangrijkste veranderingen: (1) het doel is slechts nog preventie van indiening van kansloze stukken (deterrence) en niet meer compensatie; (2) een termijn van 21 dagen om kansloze stukken terug te trekken; (3) opleggen van sancties is niet meer verplicht bij een normschending, maar de rechter heeft een discretionaire bevoegdheid daartoe; (4) voor ingediende feiten hoeft geen bewijs te zijn, maar slechts een waarschijnlijkheid dat bewijs gevonden zal worden en (5) discovery-gerelateerde stukken vallen buiten de regeling.3 Er is vrij veel onderzoek gedaan naar het draagvlak voor die veranderingen,4 naar de wijze van toepassing en naar de effecten5 van zowel de oude als de nieuwe regeling.
Zoals hierboven is weergegeven, kent Rule 11 vier gronden op basis waarvan een sanctie kan worden vastgesteld. Owens heeft in het Northern District van Californië een kwantitatief onderzoek gedaan en daaruit bleek dat de meeste sanctieverzoeken ongespecificeerd waren, dus niet duidelijk op één of meer van de gronden waren gebaseerd. De ongespecificeerde verzoeken leidden meestal niet tot een sanctie, terwijl de gespecificeerde verzoeken veel vaker succes hadden. Een verzoeker die duidelijk aangeeft wat er frivool is aan het stuk van de wederpartij, heeft dus meer kans op toewijzing.6
Ten eerste is er de improper purpose. Als voorbeelden noemt de regel het doel om te tergen, om nodeloos te vertragen en om nodeloos de kosten te verhogen, maar dit is geen limitatieve opsomming. Ook fishing expeditions en het procederen met een puur politiek doel zijn op deze grond bestraft.7 De term improper purpose wekt de indruk dat de subjectieve bedoeling van de overtreder moet worden vastgesteld, maar in feite gebruiken de rechters een objectieve standaard en letten zij op de omstandigheden die in samenhang met de context op onbehoorlijkheid duiden. Denk daarbij aan identieke claims die meerdere malen worden ingediend en aan het profijt hebben van vertraging.8 In Owens Noord-Californische studie werden sancties op grond van improper purpose het minst geclaimd, maar juist het vaakst toegewezen.9
Ten tweede is er de categorie van claims en stukken die onvoldoende basis vinden in het recht of waarin geen goede argumenten worden aangedragen voor nieuwe interpretaties of aanpassingen van het geldende recht. Een voorbeeld is het aanbrengen van een zaak bij een evident onbevoegde rechterlijke instantie.10
Bij de derde en vierde grond is er een gebrek aan een feitelijke basis voor ofwel de claim ofwel de ontkenning daarvan. Er hoeft nog niet direct sluitend bewijs te zijn, maar er moet wel enige waarschijnlijkheid zijn dat dit bewijs na nader onderzoek verkregen kan worden.11 Een voorbeeld is de auteursrechtzaak, waarin de eiser claimde dat een Barbiepop inbreuk maakte op het auteursrecht van zijn ontwerp, maar waarbij al snel bleek dat Mattel al 6 jaar eerder was met haar Barbie-ontwerp. Het district court en later ook het court ofappeal oordeelden dat eiser dit redelijkerwijs had kunnen en behoren te onderzoeken voordat hij de zaak startte. De advocaat werd persoonlijk in de kosten veroordeeld.12 Overigens hoeft niet de hele claim of een heel stuk op onjuistheden gebaseerd te zijn. Sancties zijn ook mogelijk wanneer één stelling niet deugt.13
Zelfs als aan een van bovengenoemde gronden is voldaan, heeft de rechter sinds 1993 de vrijheid om alsnog geen sanctie toe te passen. Die vrijheid wordt in Noord-Californië echter weinig gebruikt: slechts in 3,8% van de gevallen oordeelt de rechter dat wel van een grond sprake is, maar dat geen sanctie wordt toegepast.14 Het is echter de vraag of deze conclusie voor heel de Verenigde Staten kan worden geëxtrapoleerd, omdat uit andere onderzoeken blijkt dat de verschillende courts ofappeal Rule 11 niet overal hetzelfde toepassen.15
Door de grotere hoeveelheid literatuur en discussies, en het aantal genoemde zaken in die literatuur, lijkt Rule 11 een grotere rol in het Amerikaanse procesrecht te spelen dan de wasted costs orders in het Engelse proces. Dit moet echter wel in zoverre genuanceerd worden, dat de wasted costs orders slechts over kostensancties tegen advocaten gaan, terwijl Rule 11 ook grondslag biedt aan andersoortige sancties en sancties gericht tegen partijen.