Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.2.9
8.2.9 Kosten voor gemene rekening
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS606593:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Simons, a.w., toont zich in zijn noot bij HR 23 april 1997, nr. 32 166, BNB 1997/301, een tegenstander van een separate benadering van het leerstuk. De leerstukken van de fiscale eenheid, interne dienst, kosten voor gemene rekening, prestaties in eigen kring en van doorlopende posten moeten volgens hem in samenhang worden bezien, omdat ze allen voortvloeien uit het algemene uitgangspunt van de omzetbelasting dat alleen prestaties in het maatschappelijke verkeer moeten worden belast. E.M. Vrouwenvelder, a.w., vraagt zich af of het leerstuk alleen van toepassing is in situaties waarin partijen in financieel opzicht nauw met elkaar zijn verweven, zij de uitgaven werkelijk rechtstreeks gezamenlijk kunnen doen. In dit verband acht Braun, a.w., het niet onredelijk dat de Hoge Raad strenge voorwaarden verbindt aan de toepassing van het leerstuk van kosten voor gemene rekening. Indien het bijvoorbeeld gaat om de verdeling van personeelskosten, moet worden bedacht dat wanneer er twee of meer afzonderlijke dienstverbanden waren aangegaan, er evenmin flexibiliteit was geweest.
In dezelfde zin: A-G Van Hilten in haar conclusie van 21 januari 2008, nr. 43 930, V-N 2008/22.28.
In de jurisprudentie over ‘kosten voor gemene rekening’ kan een meer algemeen verbondenheidsbegrip worden herkend. Dit leerstuk is geïntroduceerd in HR 14 september 1988, nr. 25 005, BNB 1989/213. Het houdt kort gezegd in dat prestaties die niet in de ‘eigen kring’ plaatsvinden, worden geacht te zijn verricht in het economische verkeer en dus belastbaar zijn. Dit is volgens de Hoge Raad anders, indien de vergoeding slechts een verrekening vormt van het aandeel van de afnemer in uitgaven die rechtstreeks voor gemene rekening zijn gedaan.
In HR 23 april 1997, nr. 32 166, BNB 1997/301, is het begrip ‘kosten voor gemene rekening’ nader uitgewerkt. Hierbij moeten de kosten worden gemaakt ten behoeve van verschillende ondernemers, en in eerste instantie door één van hen worden betaald en nadien voor het werkelijke bedrag over de bedoelde ondernemers worden omgeslagen volgens een tevoren vaststaande verdeelsleutel. Voorts moet het risico van de kosten alle ondernemers aangaan.
In de literatuur lopen de meningen over de juistheid van het leerstuk van de kosten voor gemene rekening overigens uiteen.1 Ik denk dat in HvJ EG 29 april 2004, nr. C77/01 (EDM), V-N 2004/26.15, wel enige steun kan worden gevonden voor de gedachte, nu in dit arrest is beslist dat er geen sprake is van leveringen en diensten voor zover met de verrichte werkzaamheden het bedrag van het overeengekomen kostenaandeel niet wordt overschreden. Het blijft echter de vraag of aan dit onderdeel van het arrest voldoende basis voor het leerstuk van kosten voor gemene rekening kan worden ontleend.2