Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.6.2
4.6.2 De relatie tussen de hulpverlener en de patiënt
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS367507:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wijne 2017 over de geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Waarbij met name de afdelingen 6.5.2 en 3.2 BW relevant zijn en meer in het bijzonder de regels inzake aanbod en aanvaarding en wilsovereenstemming (artikel 6:217 BW en 3:33 BW). Als de wilsverklaring van de patiënt ontbreekt, komt er in beginsel geen behandelingsovereenkomst tot stand. Desalniettemin zijn de regels inzake de behandelingsovereenkomst van afdeling 7.7.5 BW van toepassing ex artikel 7:464 BW. Van het ontbreken van een wilsverklaring aan de zijde van de hulpverlener zal niet snel sprake zijn. De richtlijn ‘Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst’ van de KNMG luidt: “Een arts kan niet zonder meer besluiten geen behandelingsovereenkomst met een patiënt aan te gaan. Dat kan slechts in bepaalde gevallen”. De KNMG onderscheidt drie groepen: (1) de professionele verantwoordelijkheid weerhoudt de arts ervan een geneeskundige behandelingsovereenkomst met de patiënt aan te gaan (bijvoorbeeld: arts en patiënt kunnen het niet eens worden over de behandelmethode of de patiënt is een familielid van de arts), (2) eerdere ervaringen van de arts met de patiënt zijn aanleiding voor de arts geen behandelingsovereenkomst met de patiënt aan te gaan vanwege het ontbreken van een (voldoende) vertrouwensbasis, en (3) de arts heeft een aanmerkelijk belang bij het niet aangaan van de behandelingsovereenkomst, en wel een groter belang dan het belang van de patiënt bij het aangaan van de overeenkomst (bijvoorbeeld: de patiënt woont op te grote afstand van de praktijk van de arts). Dat de arts in beginsel gehouden is de overeenkomst aan te gaan met de patiënt, betekent niet dat hij hiertoe verplicht kan worden (vgl. Wijne 2013, p. 116-117 en Houben 2005, p. 142). Dit laat onverlet dat de arts in geval van een calamiteit verplicht is om noodhulp te bieden aan de patiënt (vgl. artikel 255 en 450 Sr). Of er in een dergelijk geval ook een behandelingsovereenkomst tot stand komt, hangt af van de omstandigheden (zoals bijvoorbeeld de vraag of de patiënt bij bewustzijn is).
Van afdeling 7.7.5 BW mag niet ten nadele van de patiënt worden afgeweken ex artikel 7:468 BW.
Zoals de grondwet.
Zoals het EVRM.
Bijvoorbeeld ten aanzien van de handelingsbekwaamheid van minderjarigen.
Zo heeft de KNMG voor artsen bindende gedragsregels en richtlijnen opgesteld waarmee, onder meer, invulling wordt gegeven aan begrippen die voortvloeien uit afdeling 7.7.5 BW, zoals ‘de zorg van een goed hulpverlener’ van artikel 7:453 BW (https://www.knmg.nl/advies-richtlijnen/dossiers/gedragsregels-van-artsen.htm).
Leenen, Dute en Legemaate 2017, p. 101: In de behandelingsovereenkomst staat de hulpverlening ten aanzien van de gezondheid van de patiënt centraal.
Sluijters, Biesaart 2005, p. 8.
Tweede Kamer 1989-1990, kamerstuknummer 21 561, ondernummer 3, p. 27 (MvT).
Idem.
Idem.
Idem. De rechtspersoon kan ook als hulpverlener (en dus als schuldenaar van de patiënt) worden aangemerkt op grond van gewekte schijn, zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 september 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AS3056, r.o. 4.9.4 – 4.9.5.
Idem.
Mogelijk is tevens dat een arts zowel in loondienst is bij het ziekenhuis als zelfstandig daarin een praktijk uitoefent. In een dergelijk geval dient op grond van de omstandigheden beoordeeld te worden in welke hoedanigheid de behandeling van de patiënt heeft plaatsgevonden (Wijne 2013, p. 114).
Idem.
Idem.
Artikel 7:446 lid 2 sub a BW (of andere handelingen in de zin van sub b).
Zie Wijne 2013, p. 99-108 voor een uitgebreide beschrijving van gevallen waarin dit uiteen kan lopen.
Voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daar niet tegen verzet. Tweede Kamer 1989-1990, kamerstuknummer 21 561, ondernummer 3, p. 46 (MvT).
Sluijters, Biesaart 2005, p. 139.
Idem.
De hulpverlener en de patiënt staan doorgaans in een contractuele verhouding tot elkaar. Zij sluiten een geneeskundige behandelingsovereenkomst die wordt gekwalificeerd als een bijzondere overeenkomst van opdracht en als zodanig is opgenomen in titel 7 van boek 7 BW.1
Of een behandelingsovereenkomst tot stand komt, dient beoordeeld te worden aan de hand van de algemene regels van het verbintenissenrecht.2 De inhoud en strekking van deze overeenkomst wordt bepaald door afdeling 7.7.5 BW inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst en – met het oog op de gelaagde structuur van het BW – door de algemene regels van het vermogensrecht.3 Tevens kunnen regels die voortvloeien uit het publiekrecht,4 het tuchtrecht, het internationale en Europese recht,5 en het personen- en familierecht relevant zijn.6 Ook protocollen, richtlijnen en gedragsregels kunnen van invloed zijn op de inhoud en strekking van de behandelingsovereenkomst.7
Artikel 7:446 BW, het eerste artikel van afdeling 7.7.5 BW, vangt aan met een omschrijving van de behandelingsovereenkomst als:
‘de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde’.8
Het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst ziet volgens het tweede lid op alle verrichtingen die rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden, zijn gezondheidstoestand te beoordelen of verloskundige bijstand te verlenen. Ook de verrichtingen die niet onder deze definitie geschaard kunnen worden, maar wel rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en door een arts of tandarts in die hoedanigheid zijn verricht, worden aangemerkt als verrichtingen op het gebied van de geneeskunst in de zin van dit artikel. Hierdoor zijn bijvoorbeeld ook cosmetische handelingen verricht door een arts aan te merken als handelingen op het gebied van de geneeskunst.9 Volgens het derde lid van artikel 7:446 BW worden ook het verplegen en verzorgen van de patiënt en het ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder de handelingen als bedoeld in lid 2 kunnen worden verricht onder de handelingen als bedoeld in lid 1 geschaard.
De hulpverlener wordt in artikel 7:446 BW omschreven als een natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf. Een natuurlijk persoon wordt alleen als hulpverlener in de zin van dit artikel beschouwd indien hij als zelfstandige de praktijk uitoefent, dus anders dan in dienst van een (rechts)persoon.10 Volgens de toelichting vallen onder meer ‘artsen, tandartsen, verloskundigen, psychotherapeuten, paramedici en personen die (…) alternatieve geneeswijzen beoefenen’ hier onder.11 Het vereiste dat de arts (of andere natuurlijke persoon) als zelfstandige zijn praktijk dient uit te oefenen, sluit niet uit dat hij die praktijk in een instelling, zoals een ziekenhuis, uitoefent.12 Dit kan op basis van een zogenaamd toelatingscontract. Is hij echter in (loon)dienst van die instelling, dan dient in het kader van dit artikel de instelling als hulpverlener te worden aangemerkt.13 Hierbij kan gedacht worden aan instellingen als ‘ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, verpleeghuizen en kruisorganisaties’, aldus de toelichting.14 Wie als hulpverlener dient te worden aangemerkt is relevant omdat de hulpverlener de schuldenaar is bij de behandelingsovereenkomst. Indien de behandelend arts zelfstandig een praktijk uitoefent, dan is hij de hulpverlener en sluit de patiënt met hem de behandelingsovereenkomst; indien hij in dienst is bij een ziekenhuis, dan is het ziekenhuis de hulpverlener en sluit de patiënt met het ziekenhuis de behandelingsovereenkomst.15 In dat laatste geval is de arts een hulppersoon van het ziekenhuis. Mogelijk is dat er meerdere behandelingsovereenkomsten tot stand komen.16 Dit zal aan de orde zijn als een patiënt wordt opgenomen in het ziekenhuis en de behandelend arts niet in dienst is bij het ziekenhuis, maar op basis van een toelatingscontract in het ziekenhuis werkzaam is.17 In dat geval komt er een behandelingsovereenkomst met het ziekenhuis tot stand ten aanzien van de verpleging en verzorging van de patiënt en het voorzien in de materiële omstandigheden waaronder de behandeling door de arts kan worden verricht.18 Daarnaast komt er een behandelingsovereenkomst met de arts tot stand die er op ziet de patiënt van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden, zijn gezondheidstoestand te beoordelen of verloskundige bijstand te verlenen.19 De aansprakelijkheidsrechtelijke implicaties van het voorgaande komen in de volgende paragraaf aan bod.
De wederpartij van de hulpverlener wordt door artikel 7:446 BW aangeduid als de opdrachtgever. Het artikel bepaalt daarnaast dat degene op wie de geneeskundige behandeling betrekking heeft wordt aangeduid als de patiënt. Doorgaans zal de opdrachtgever van een geneeskundige behandeling tevens degene zijn op wie die behandeling betrekking heeft en zal de opdrachtgever dus de patiënt zijn.20
Van belang is dat de regels uit afdeling 7.7.5 BW krachtens artikel 7:464 BW ook van toepassing zijn op situaties waarin geen behandelingsovereenkomst is gesloten, maar wel handelingen op het gebied van de geneeskunst in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf zijn verricht.21 Zo kan er geen behandelingsovereenkomst tot stand zijn gekomen met een patiënt die bewusteloos is binnengebracht of met een patiënt die in de gevangenis (gedwongen) is behandeld.22 Ook kan de situatie zich voordoen dat er wel een overeenkomst tot stand komt, maar geen behandelingsovereenkomst, zoals een arbeidsovereenkomst in het kader waarvan een onderzoek plaatsvindt.23