Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.6:2.5.6 Latere wijzigingen
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.5.6
2.5.6 Latere wijzigingen
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484995:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Wet van 1 februari 1990, Stb. 1990, 91, in werking getreden op 1 april 1990.
Kamerstukken II 1996-1997, 24 615, nr. 19.
SER-advies 92/07, p. 33.
Zo zal een besluit tot winstbestemming pas aan de orde komen nádat de jaarrekening is vastgesteld, en dus vast staat wat de winst is.
Zie onder meer Kamerstukken II 1996-1997, 24 615, nr. 9, p. 16; Kamerstukken II 1996-1997, 24 615, nr. 28, p. 31 e.v.; en Handelingen II 1996-1997, p. 7086.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Wet op de ondernemingsraden is nadien nog enige malen gewijzigd. Slechts een beperkt aantal wijzigingen acht ik van belang in het kader van mijn onderzoek. Ik noem de herziening, in 1990,1 van de regeling betreffende de instelling van een gemeenschappelijke ondernemingsraad door twee of meer in een groep verbonden ondernemers. Relevant acht ik ook de invoering, in 1998, van een regeling met betrekking tot gedetacheerde werknemers en van de verplichting om in de overlegvergadering mededeling te doen van bepaalde besluiten die de ondernemer in voorbereiding heeft, teneinde afspraken te maken over het moment en de wijze waarop de ondernemingsraad in de besluitvorming zal worden betrokken (art. 24 lid 1 WOR). Tenslotte verdient zelfs een voorstel, bij wege van amendement, dat de streep níet haalde vermelding, omdat de redenen die de minister tegen het amendement aanvoerde interessant zijn. Het betrof het voorstel van de Kamerleden Schimmel en Middel om de ondernemingsraad een adviesrecht toe te kennen met betrekking tot de winstbestemming.2 Een meerderheid van de SER had zich eerder al voorstander van een dergelijke uitbreiding van het adviesrecht getoond.3 De meest principiële bezwaren van de minister tegen een dergelijk adviesrecht geven treffend blijk van de spanning tussen medezeggenschaps- en ondernemingsrecht die in mijn studie centraal staat: de samenhang tussen de besluiten inzake de vaststelling van de jaarrekening en de winstbestemming, beide behorend tot de competentie van de algemene vergadering van aandeelhouders, zou in onbalans raken.4 Bovendien zou sprake zijn van inbreuk op een bevoegdheid die uitdrukkelijk aan de algemene vergadering van aandeelhouders toekomt. Tenslotte zou toekenning van een adviesrecht met betrekking tot de winstbestemming impliceren dat er na de uitoefening van dat recht tegen dát besluit een beroepsgang mogelijk zou zijn bij de Ondernemingskamer, hetgeen volgens de minister een merkwaardige figuur zou zijn.5