Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/2.2.4
2.2.4 Bankierseed en tuchtrecht
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268406:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2012, 678.
Art. 3:17b, tweede lid en art. 3:8, eerste en tweede lid Wft en de Regeling eed of belofte financiële sector 2015. Het betreft, kort gezegd, alle personen werkzaam in Nederland onder de verantwoordelijkheid van een bank die (a) een arbeidsovereenkomst met de bank hebben of, indien het externen betreft, (b) werkzaamheden uitvoeren die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van het bankbedrijf dan wel deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.
Zie art 3:8, eerste en tweede lid, 3:17b, 4:9, zevende lid en 4:15a Wft en de Regeling eed of belofte financiële sector 2015.
Art. 3:8, tweede lid, Wft. Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 37 en nr. 46 en Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 5.
Zie Hoofdstuk 1, par. 1.2. Zie over de opvolging van de aanbevelingen van de Commissie-De Wit ook de brief van de Minister van Financiën van 21 maart 2019, Kamerstukken II, 32 013/31 980, nr. 211.
Met ingang van 1 januari 2013 is de “bankierseed” (moreel-ethische verklaring) ingevoerd voor personen die aan geschiktheidseisen dienen te voldoen.1 De werkingssfeer van deze eed is op 1 april 2015 fors uitgebreid door deze eveneens verplicht te stellen voor, kort gezegd, alle medewerkers in dienst van een bank,2 en, buiten de bancaire sector, voor alle klantmedewerkers en leden van het tweede echelon.3 De verplichting tot het afleggen van de bankierseed geldt daarmee thans onder meer voor alle dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders bij banken, verzekeraars, betaalinstellingen, beheerders van beleggingsinstellingen en icbe’s, datarapporteringsdienstverleners en financiëledienstverleners. Deze verplichting berust op een aanbeveling van de Commissie-Maas, en kent geen Europese grondslag. Het niet afleggen of niet naleven van de eed kan van invloed zijn op de geschiktheid van de te toetsen persoon.4
Bovendien werd op 1 april 2015 voor alle bankmedewerkers bancair tuchtrecht ingevoerd, een Europees, en zelfs wereldwijd, novum. Alle bankmedewerkers, onder wie ook de dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouders en leden van het tweede echelon, zijn aan dit tuchtrecht onderworpen. Voor een bespreking van de relatie tussen dit tuchtrecht en de door de toezichthouders uit te voeren personentoetsingen zij verwezen naar Hoofdstuk 8.
Geconcludeerd kan worden dat vrijwel alle belangrijke aanbevelingen van de in Hoofdstuk 1 genoemde onderzoekscommissies tot het versterken van het systeem van personentoetsingen, en in het bijzonder die van de commissies-Maas, de Wit, Frijns en Scheltema, inmiddels een plaats hebben gekregen in de Nederlandse wet- en regelgeving.5