Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.2.a
2.2.a Vernietiging en hervorming
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604686:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het onderscheid tussen de laatste twee vragen Hovens 2005, p. 259-261.
Zie bijv. HR 14 juni 1974, NJ 1974/436, m.nt. Van Veen; HR 4 maart 1975, NJ 1975/241, m.nt. Van Veen; HR 16 oktober 1987, NJ 1988/841, m.nt. Scheltema & Corstens en hierover bijv. Korthals Altes 1977; Van Kempen 2003, p. 93.
Van Veen 1974, p. 17.
Voor hoger beroep kan dit anders worden benaderd, namelijk door de beslissing over de strafzaak/(gewijzigde) tenlastelegging centraal te stellen en daaraan een noodzakelijke beslissing toe te voegen over de ‘verwerking’ van het vonnis uit eerste aanleg. De hervorming staat dan voorop, de vernietigingsbeslissing vloeit hieruit (soms) voort. Zie in deze termen Krabbe 1983, p. 168-170. Dit is inderdaad een adequatere beschrijving van de praktijk van hoger beroep, wellicht ook van de doeleinden van hoger beroep, maar volgens mij niet van het wettelijk systeem van beslissen. Om in deze inleidende paragraaf de overeenkomst met cassatie te benadrukken en de uiteenzetting niet onnodig genuanceerd te maken, heb ik ervoor gekozen hoger beroep en cassatie in termen van beslissingsvolgorde gelijk te stellen. Deze benadering anticipeert bovendien beter op de plannen voor modernisering van het hoger beroep. Deze plannen gaan namelijk in de richting van een (aangescherpt) grievenstelsel, waarin de vernietigingsvraag niet alleen systematisch maar ook feitelijk aan de hervormingsvraag voorafgaat. Zie over deze plannen Contourennota Modernisering Strafvordering 2015b, p. 114-118 en Pesselse 2015.
Mevis & Reijntjes 2013, p. 299-303; Pesselse 2015.
Hovens 2005, p. 261, voetnoot 25.
Behoudens in de gevallen genoemd in art. 422a en 423 Sv en enkele in de rechtspraak omschreven gevallen, waarover de noot van Reijntjes onder HR 7 juni 2005, NJ 2005/ 426.
Als in eerste aanleg of hoger beroep een einduitspraak in de zin van artikel 138 Sv is gegeven, en een rechtsmiddel openstaat, kunnen de verdachte en het openbaar ministerie beroep instellen. Zij kunnen daartoe hoger beroep of beroep in cassatie aanwenden op de wijze omschreven in de artikelen 449 e.v. Sv. Tenzij een ingesteld rechtsmiddel tijdig wordt ingetrokken, is een gerechtshof of de Hoge Raad gehouden op het beroep enige beslissing te nemen.
Welke beslissingen de rechter in beroep kan nemen, kan worden afgeleid uit de artikelen 422, 422a en 423 Sv voor hoger beroep en artikel 440 Sv voor cassatie, in samenhang met jurisprudentie. Als wordt geabstraheerd van nuances en uiteenlopende bewoordingen, dan duiden deze bronnen in de kern op drie opeenvolgende clusters van vragen en daarop te geven beslissingen:
beslissingen over de beroepsspecifieke voorvragen;
beslissingen over de bestreden uitspraak (vernietigingsvraag);
beslissingen over de verdere afdoening van de strafzaak na vernietiging (hervormingsvraag).1
Per definitie kenmerkend voor rechtsmiddelen is de tweede vraag, namelijk of de bestreden uitspraak moet worden vernietigd of in stand kan blijven. Omdat het stelsel van rechtsmiddelen gesloten is, is het alleen via rechtsmiddelen mogelijk om uitspraken te laten vernietigen.2 De precieze strekking van het oordeel over de vernietigingsvraag hangt samen met de omvang en intensiteit van het onderzoek daarnaar: in appel kan de bestreden uitspraak worden bevestigd of vernietigd, in cassatie slechts in stand gelaten of vernietigd.3 Zodra de bestreden uitspraak is vernietigd, kan de beroepsrechter beslissen over hervorming van de strafzaak, dat wil zeggen over de verdere afdoening van de strafzaak op de grondslag van de tenlastelegging. Vanuit het perspectief van de in beroep te nemen beslissingen staat in beroep niet primair de tenlastelegging en de strafzaak centraal, maar het oordeel daarover van de lagere rechter.4
De behandeling van de vernietigings- en hervormingsvraag is in de praktijk uiteenlopen vormgegeven. In sommige rechtsmiddelen wordt de vernietigingsvraag afzonderlijk behandeld van de hervormingsvraag. Een voorbeeld daarvan is de cassatieprocedure, waarin de Hoge Raad voornamelijk aan de hand van de ingediende klachten en zonder eigen feitenvaststelling rechtstreeks beoordeelt of de bestreden uitspraak moet worden vernietigd of het beroep moet worden verworpen. Daartoe vindt in beginsel schriftelijke behandeling van het beroep plaats, openbare behandeling op een zitting is hoogst uitzonderlijk. Indien de bestreden uitspraak wegens schending van het recht of verzuim van vormen wordt vernietigd, verricht de Hoge Raad niet zelf het voor hervorming vaak noodzakelijke feitenonderzoek, maar draagt hij verdere berechting van de strafzaak doorgaans over aan een gerechtshof (art. 440 lid 2 Sv).
In andere rechtsmiddelen is de vernietigingsvraag als het ware versluierd achter de behandeling van de hervormingsvraag. Een voorbeeld hiervan is de appelprocedure in strafzaken. Daarin wordt net als in eerste aanleg in beginsel het beslisschema van de artikelen 348 en 350 Sv doorlopen. Het eigen feitenonderzoek dat hiervoor nodig is, wordt verricht volgens de regels van de eerste aanleg, tenzij de wet anders bepaalt. Zo kan een gerechtshof sinds de Wet stroomlijnen hoger beroep uit 2007 de behandeling ter zitting primair richten op de opgegeven bezwaren in plaats van op het gehele dossier (art. 415 lid 2 Sv), al moet de appelrechter daarnaast niettemin ambtshalve onderzoek verrichten en ambtshalve over bepaalde vraagpunten beslissen.5 Ook al staat dus in termen van de te nemen beslissingen het oordeel van de appelrechter over het rechtbankvonnis voorop (art. 423 Sv), de strafrechter in hoger beroep behandelt de strafzaak in feite gewoonweg opnieuw. Duitstalige auteurs noemen dit treffend Kassation durch Reformation, vernietiging dóór hervorming, in tegenstelling tot Kassation plus nachfolgende Reformation zoals in cassatie.6 Na vernietiging in hoger beroep wordt de strafzaak doorgaans door de appelrechter zelf afgedaan, het onderzoek naar de vragen van artikel 348 en 350 Sv is immers toch al verricht.7