Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.2.b
2.2.b Beroepsspecifieke voorvragen
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605886:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 5 oktober 2006 (Stroomlijnen hoger beroep), Stb. 2006, 470, i.w.tr. 1 maart dan wel 1 juli 2007, Stb. 2007, 70 (Kamerstukken 30320).
Zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 51-52 en over die zinsnede ook HR 12 maart 2013, NJ 2013/178.
Wet van 31 oktober 2002, Stb. 2002, 539, i.w.tr. 1 januari 2003, Stb. 2002, 601 (Kamerstukken 28204).
Bins 1980, p. 268; Krabbe 1983, p. 163; De Waard 1989, p. 313; Wiewel 2007, p. 117; Keulen & Knigge 2016, p. 655; zie voorts Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 30; behoudens één exceptioneel geval, waarover Van Dorst 2015, p. 52 (overlijden verdachte leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging, ook als geen schriftuur is ingediend – en dus het beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard).
In appel te onderscheiden van de vraag of de rechter ook bevoegd is ten aanzien van de tenlastelegging (art. 348 Sv), aldus ook Krabbe 1983, p. 163, noot 140; uitspraken inhoudende onbevoegdverklaring ten aanzien van het beroep komen zelden voor, zie bijv. HR 14 oktober 1975, NJ 1976/148; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2014, NJFS 2015/15.
Zie bijv. HR 28 oktober 1997, NJ 1998/174 (hoger beroep wordt cassatie wordt weer hoger beroep); HR 26 maart 2013, NJ 2013/206 (conversie in beklag tegen beslag); zie hierover Krabbe 1983, p. 57-66; Elzinga 1998, p. 25-37; Van Dorst 2015, p. 48-53.
HR 17 mei 1955, NJ 1956/5, m.nt. Röling; impliciet in HR 19 september 1977, NJ 1978/85, m.nt. Van Veen; Groenhuijsen & De Hullu 1994, p. 15; Tjiong 2006a, aant. 5.1 bij art. 427 Sv; Van Dorst 2015, p. 19; het karakter van de overige toegangsbeslissingen is onduidelijk of omstreden, en hangt wellicht ook af van de omstandigheden van het geval. Hielkema & Tebbenhoff Rijnenberg 2016, aant. 2 bij art. 422 Sv, vermelden de nietigverklaring van de appeldagvaarding als einduitspraak. Krabbe en Van Dorst ver- schillen van mening over het karakter van de conversiebeslissing, zie Krabbe 1983, p. 51 en Van Dorst 2015, p. 51.
Aldus ook Krabbe 1983, p. 163 en p. 167, voetnoot 157.
Commissie Werkbelasting strafkamer Hoge Raad 1998, p. 38; Van Dorst 2015, p. 209 en 215.
Vgl. Heringa 1996, o.a. p. 1 en 17.
Krabbe 1983 vermeldt over afgezonderd onderzoek naar de toegang tot beroep ook niets; navraag in de praktijk bevestigt dit.
HR 28 juni 2011, NJ 2013/531, m.nt. Mevis; zie eerder HR 2 februari 2010, NJ 2010/88 en HR 28 september 2011, NJ 2010/536. Strikt genomen betroffen deze zaken artikel 416 lid 2 en 3 Sv, maar de gedachte lijkt mij op nagenoeg alle ontvankelijkheidskwesties van toepassing; vgl. Wiewel 2007, p. 117.
Van Dorst 2015, p. 192-193.
Van Dorst 2015, p. 193.
Zie bijv. HR 14 mei 2002, NJ 2002/403; HR 10 oktober 2006, NJ 2006/565.
Zie bijv. Van Dorst 2015, p. 101.
Stamhuis 2004, p. 446, zie nader hieronder.
Köhne noemt dit treffend het ‘dubbele toets’-model, zie Köhne 2000, p. 210.
Hierover ook Stamhuis 2004, p. 435.
Behoudens in de bijzonder naoorlogse rechtspleging, waarover Belinfante 1978, p. 105; de conclusie van Remmelink voor HR 14 juni 1977, NJ 1977/509.
Evenmin mag het OM bijvoorbeeld weigeren een appeldagvaarding op te stellen indien naar zijn oordeel de verdediging te laat of anderszins ongeldig hoger beroep heeft aangewend, zie HR 22 december 2009, NJ 2010/102, m.nt. Borgers; zie anders indien alleen het OM in hoger beroep is gekomen HR 9 januari 1962, NJ 1962/334, m.nt. Pompe
Zie Van Dorst 2015, p. 52-53.
HR 22 december 2009, NJ 2010/102, m.nt. Borgers; vgl. De Hullu 1989, p. 433.
Zie bijv. Stamhuis 2004, p. 446.
Zie hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7.
Art. 313 lid 1 en 2 StPO.
Stamhuis 2004, p. 446.
Stamhuis 2004, p. 446.
Artikel 53.3 lid 6 Civil Procedure Rules, zie hierover Andrews 2014, p. 76-79.
Zie over het Hooggerechtshof Heringa 1996, Van der Does 1990; Perry 1991.
Art. 33a Verwaltungsgerichtshofgesetz 1985 (vervallen in 2013); vgl. voorts art. 35 lid 3 EVRM op grond waarvan het EHRM klachten niet-ontvankelijk kan verklaren omdat de klager geen significant disadvantage ervaart van de vermeende mensenrechtenschending, hetgeen in beperkte mate een afweging van belangen mogelijk maakt. Zie daarover Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 67-72.
Aan de vernietigings- en hervormingskwesties gaan enkele beroepsspecifieke voorvragen vooraf. Voordat de beroepsrechter een beslissing kan nemen over de inhoud van het beroep, moet hij bepalen óf hij daarover wel mag beslissen.
In het Nederlandse strafrecht brengt het Wetboek van Strafvordering pas sinds 2007 tot uitdrukking dat de appelrechter een ingesteld hoger beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.1 Die beslissing ligt sindsdien besloten in de vraag “of het hoger beroep is ingesteld overeenkomstig de eisen die dit wetboek daaraan stelt” uit artikel 422 lid 1 Sv.2 De mogelijkheid om de appeldagvaarding nietig te verklaren is eveneens pas in 2007 in de wet opgenomen. En pas sinds 2003 bepaalt het wetboek dat een cassatieberoep niet-ontvankelijk kan worden verklaard (art. 440 lid 1 Sv).3 Van het ontbreken van de wettelijke grondslag om dit soort preliminaire beslissingen te nemen, heeft de praktijk zich evenwel niets aangetrokken. Het was én is onbetwist dat de beroepsrechter voorafgaand aan het nemen van vernietigings- (en hervormings)beslissingen eerst drie beroepsspecifieke voorvragen moet beantwoorden:4 (i) zijn de procesdeelnemers correct op de hoogte gesteld van het plaatsvinden van de behandeling van het beroep; (ii) is de rechter bevoegd ten aanzien van het beroep;5 (iii) is (de insteller van) het beroep ontvankelijk?6 Onder bijzondere omstandigheden moet overigens een zogeheten conversiebeslissing worden genomen, waardoor een verkeerd aangewend rechtsmiddel wordt verstaan als een correct ingesteld rechtsmiddel.7
In ieder geval de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is een einduitspraak in de zin van artikel 138 Sv.8 Het rechtsgevolg hiervan is dat de in vorige instantie genomen beslissingen in stand blijven en ten uitvoer kunnen worden gelegd nadat zij onherroepelijk zijn geworden.9 De niet-ontvankelijkverklaring van een rechtsmiddel kan dus de executeerbaarheid van de bestreden uitspraak tot gevolg hebben, ongeacht of die uitspraak deugt of niet. Tussen niet-ontvankelijkverklaring en verwerping van een beroep (in cassatie) of de bevestiging van de bestreden uitspraak (in hoger beroep) bestaat intussen wel een belangrijk verschil. Hoewel ongegrondverklaring en bevestiging eveneens erin resulteren dat de uitspraak uit de vorige instantie in stand blijft, is een verschil dat aan die beslissingen ambtshalve beoordeling van de inhoud van het beroep kan of zelfs moet vooraf zijn gegaan. Bij niet-ontvankelijkverklaring van het beroep is dat anders, die preliminaire beslissing verhoedt van oudsher ambtshalve toetsing van de bestreden uitspraak.10
Ten behoeve van de leesbaarheid worden alle drie de beroepsspecifieke voorvragen hieronder vaak aangeduid als de ontvankelijkheidsvraag (in ruime zin) of de vraag naar toegang tot beroep.11
De behandeling van deze voorvragen is van oudsher niet afgezonderd van de ‘reguliere’ behandeling van de vernietigings- (en hervormings)vraag. Voor hoger beroep wil dit zeggen dat voorafgaand aan de eerste zitting de behandeling van de zaak in beginsel volledig wordt voorbereid en het beroep op zitting in beginsel volledig wordt behandeld.12 Dit is soms anders in evidente gevallen van niet-ontvankelijkheid van het beroep, waarin in de praktijk met beperkte bestudering van het dossier wordt volstaan en de behandeling van de zaak ter zitting tot de toegangsvraag beperkt blijft. Andersom is het niet uitgesloten dat na een volledige behandeling van de strafzaak in hoger beroep het appel alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard.13 Behandeling van het beroep hoeft dus niet parallel te lopen met beslissing op het beroep.
Ook in cassatie bestaat van oudsher geen bijzondere procedure voor de beantwoording van beroepsspecifieke voorvragen. Aan het onderzoek naar de ontvankelijkheid van beroep in cassatie is intussen bijzonder dat de Hoge Raad als feitenrechter kan optreden met betrekking tot hetgeen zich na afloop van de berechting in vorige instantie heeft voorgedaan.14 Ook veel ontvankelijkheidskwesties kunnen alleen worden beoordeeld aan de hand van dit feitenonderzoek in het “voorhof van de cassatieprocedure”, om met Van Dorst te spreken.15 Te denken valt aan de betekening van aanzeggingen, alsmede de termijnen voor het instellen van beroep en het indienen van de schriftuur.16
In veel landen zijn de gerechten die oordelen over rechtsmiddelen voorzien van wat ik een ‘kleine kamer’ of een ‘onderdeelkamer’ wil noemen: een kamer bestaand uit een deel van de rechters dat normaal gesproken over een beroep oordeelt. Zo’n enkel- of meervoudige kleine kamer kan brede of smalle bevoegdheden bezitten, zoals het volledig berechten van relatief lichte zaken,17 of het enkel beslissen over (bepaalde) ontvankelijkheidskwesties. In dat laatste geval wordt een enkelvoudige rechter ook wel als ‘rolrechter’ aangeduid.18 Illustratief zijn de kleine kamers van de strafsectoren van het Franse Cour de cassation, die volgens de gegevens van Stamhuis niet alleen bevoegd zijn de ontvankelijkheid van het cassatieberoep af te wijzen op grond van bijvoorbeeld termijnverzuim, maar ook niet serieus te nemen cassatieberoepen niet-ontvankelijk kunnen verklaren.19 Ook de procedure bij het EHRM is illustratief. Sinds inwerkingtreding van het Veertiende Protocol in 2010 kan een unus of een driekoppig comité klachten niet-ontvankelijk verklaren (art. 27 en 28 EVRM). Een EHRM-comité kan voorts uitspraak doen over de gegrondheid van een klacht (art. 28 lid 1 onderdeel b EVRM).
Specifiek voor beroepsspecifieke voorvragen bestaat nog de mogelijkheid dat (een deel van) het onderzoek naar die vragen wordt verricht door de rechter wiens beslissing is aangevochten (iudex a quo). Tegen een afwijzende toelatingsbeslissing van de – wat ik hierna noem – rechter a quo staat soms weer beroep open.20 Illustratief is het Duitse strafprocesrecht, waarin de rechter in eerste aanleg oordeelt over de vraag of hoger beroep binnen de daarvoor gestelde termijn is aangewend (art. 319 StPO). Op grond van artikel 345 StPO moet de appelrechter op zijn beurt diverse ontvankelijkheidseisen beoordelen als tegen zijn oordeel Revision wordt aangewend.21 In het Nederlandse strafrecht vindt dit soort toegangsbeoordeling a quo niet plaats.22 De gerechtshoven en de Hoge Raad oordelen zelf over de toegang tot hoger beroep respectievelijk cassatie.23
Sommige toegangsbeslissingen worden informeel gegeven. Zo kan conversie van een verkeerd aangewend rechtsmiddel informeel plaatsvinden als een griffiemedewerker het dossier gewoonweg naar het juiste gerecht doorstuurt (informele of administratieve conversie).24 Definitieve afwijzende beslissingen over beroepsspecifieke voorvragen mogen evenwel niet informeel door bijvoorbeeld een juridisch medewerker worden gegeven – ook al roept het derde lid van artikel 450 Sv daarover thans twijfel op.25
Voor de uiteenzetting in paragraaf 3 van de verschillende definities van het begrip verlofstelsel zijn ten slotte de gronden voor weigering/toelating van de toegang tot beroep nog van belang. Deze toegangsvereisten kunnen op verschillende manieren worden gestructureerd. Hier lijkt het mij van belang een verschil te maken tussen de uiteenlopende ratio of strekking van ontvankelijkheidsvoorwaarden.
Sommige ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn in het algemeen inherent aan een stelsel van gewone rechtsmiddelen. Een stelsel van rechtsmiddelen kan namelijk vermoedelijk niet functioneren als geen regels zijn gegeven over de bevoegdheid van beroepsgerechten, aan de aanvechtbaarheid van beslissingen, en aan de wijze van aanwenden van beroep. Voor gewone rechtsmiddelen, die de res judicata uitstellen, lijken eisen aan de termijn voor het aanwenden van beroep eveneens inherent. Niet noodzakelijk maar wel nuttig zijn toegangseisen die de samenhang van de strafzaak bewaken en zodoende bijdragen aan de kwaliteit van de beoordeling van het beroep. Het concentratiebeginsel en de regels omtrent partieel beroep zijn hiervan een voorbeeld. Ter verbetering van de beoordeling van het beroep kan voorts worden gedacht aan de eis grieven tegen de bestreden uitspraak in te dienen, of aan een in sommige landen geldende aanwezigheidsplicht in beroep. Verder bestaan er ontvankelijkheidsvoorwaarden ter preventie of sanctionering van onbedachtzaam of ongewenst gebruik van rechtsmiddelen. Hierbij kan gedacht worden aan de heffing van griffierechten, het vereisen van een zekerheidstelling bij financiële sancties, aan de beginselen van een goede procesorde of aan de eis grieven in te dienen. Het gros van de genoemde toegangsvoorwaarden wordt ook wel ‘formeel’ genoemd.26
Het nemen van een beslissing over de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel valt evenwel niet volledig samen met een louter formele beoordeling van dat beroep. Sommige toegangsvoorwaarden vergen namelijk beoordeling van de vraag of het bestreden arrest in stand kan blijven. Dit is bijvoorbeeld aan de orde in het kader van artikel 80a RO.27 Op grond van deze bepaling kan een cassatieberoep onder meer niet-ontvankelijk worden verklaard “omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden”. Een beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep kan dus mede worden bepaald door inhoudelijke beoordeling van (maar niet: beslissing over) dat beroep. Illustratief hiervoor is ook het door Stamhuis uiteengezette Duitse strafrecht. Daarin wordt hoger beroep tegen strafzaken van relatief geringe ernst slechts “angenommen”, indien dat beroep “nicht offensichtlich unbegründet ist. Andernfalls wird die Berufung als unzulässig verworfen”.28 In Frankrijk hebben de kleine kamers van de strafsecties van het Cour de cassation volgens Stamhuis de bevoegdheid om “les pourvois […] non fondés sur un moyen sérieux de cassation” niet toe te laten tot cassatie.29 Voorbeelden van dit soort niet serieus te nemen klachten zijn volgens Stamhuis cassatiemiddelen die miskennen dat in cassatie geen feitenonderzoek wordt verricht, middelen zonder feitelijke grondslag of een middel “dat in strijd is met constante rechtspraak, met name wanneer het geen beschouwingen bevat, die uitnodigen tot nadere ontwikkeling of verandering van de heersende jurisprudentie”.30 Een laatste voorbeeld: in het Engelse burgerlijke recht is thans in bepaalde gevallen permission to appeal nodig. Dergelijke toestemming kan alleen worden gegeven als “(a) the court considers that the appeal would have a real prospect of success; or (b) there is some other compelling reason why the appeal should be heard”.31 In al deze voorbeelden is de waardering van de kans van slagen van het beroep relevant voor beantwoording van een beroepsspecifieke voorvraag.
De voorbeelden uit Frankrijk en Engeland maken intussen een laatste categorie van toegangsvoorwaarden zichtbaar. Het is ook mogelijk dat toegang tot beroep wordt geweigerd (of verleend) met het oog op een heel ander type zaakgerelateerde factoren dan de kans van slagen van het beroep. Het gaat hierbij om uiteenlopende kenmerken van de strafzaak zoals mediagevoeligheid, de ernst van het feit, de aanwezigheid van vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling of andere compelling reasons. Centraal staat in deze gevallen het belang, gewicht of de merites van de zaak – vanuit welk perspectief dan ook – niet de juistheid van (de totstandkoming) van de bestreden uitspraak. Exemplarisch voor dit type toegangsvoorwaarden is het certioraristelsel bij het Federaal Hooggerechtshof in de Verenigde Staten.32 Dit hof neemt van de 10.000 aanvragen per jaar gemiddeld slechts 100 zaken in behandeling, kort gezegd vooral met het oog op van het aanzienlijke belang van berechting van de zaak voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.33 Illustratief is ook het Oostenrijkse bestuurssanctierecht, waarin tot 2014 de behandeling van beroep in zaken van geringe ernst kon worden geweigerd omdat “die Entscheidung nicht von der Lösung einer Rechtsfrage abhängt, der grundsätzliche Bedeutung zukommt”. Dergelijke belangrijke rechtsvragen doen zich onder meer voor “weil der Bescheid von der Rechtsprechung des Verwaltungsgerichtshofes abweicht, eine solche Rechtsprechung fehlt oder die zu lösende Rechtsfrage in der bisherigen Rechtsprechung des Verwaltungsgerichtshofes nicht einheitlich beantwortet wird”.34 Het Nederlandse strafprocesrecht tot slot bevat voor hoger beroep en cassatie zogeheten bagateldrempels (art. 404 en 427 Sv). Als in een uitspraak ter zake van één of meer overtredingen geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een (gezamenlijke) geldboete van € 50,- of € 250,-, dan staat daartegen respectievelijk geen appel of cassatie open. De reden daarvoor is volgens de wetgever dat de kosten van behandeling van het beroep niet opwegen tegen de belangen van de betrokkenen. Opvallend aan de bagateldrempels is dat de belangenafweging zeer precies door de wetgever is gemaakt. De beroepsrechter hoeft slechts betrekkelijk eenvoudige regels toe te passen, anders dan bij open voorwaarden zoals compelling reasons. Wat van dat verschil ook zij, sommige beroepen worden dus geweigerd vanwege een minimaal gewicht, terwijl dat niets te maken heeft met uiteenlopende ‘formele’ belangen of de inhoudelijke juistheid van de bestreden uitspraak.