Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/9.2.6:9.2.6 Dooronderhandelen zinloos
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/9.2.6
9.2.6 Dooronderhandelen zinloos
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304205:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Blei Weissmann I, aant. 97.3.
BR 15 mei 1981, NJ 1982, 85 (Stuyvers' Beheer/Eugster).
Vgl. Blei Weissmann I, aant. 97.3 en de daar aangehaalde jurisprudentie.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere vraag die in dit verband rijst, is of een vordering strekkende tot het verkrijgen van een gebod om door te onderhandelen toewijsbaar is, indien evident is dat verder onderhandelen (zo goed als) zinloos is.1M.i. terecht merkt A-G Franz in zijn conclusie voor het arrest Stuyvers' Beheer B.V./Eugster2 op dat verder onderhandelen niet zinloos is indien een partij niet wil contracteren, omdat zijn onwil tot contracteren niet meer ter zake doet op het moment dat rechtens moet worden aangenomen dat een partij verplicht is om de onderhandelingen voort te zetten. De wil van de afbrekende partij is, anders gezegd, niet meer vrij; hij moet geacht worden op de grondslag van redelijkheid en billijkheid de onderhandelingen te willen voorzetten en, zo mogelijk, met die wederpartij te willen contracteren.
Hoewel dit dogmatisch gezien juist is, wordt in de rechtspraak een gebod om door te onderhandelen in gevallen waarin sprake is van evidente zinloosheid van het voortzetten van de onderhandelingen, toch vaak niet als een passende maatregel gezien. In dergelijke gevallen vertaalt zich noodzakelijkerwijs de verplichting om door te onderhandelen in een verplichting tot schadevergoeding. Toch mag op grond van de door de A-G voor het arrest Stuyvers' Beheer B.V./Eugster genoemde argumenten omtrent de niet meer van belang zijnde wil van de afbrekende partij ter zake voorzetting van de onderhandelingen, m.i. niet te snel geconcludeerd worden dat een gebod om door te onderhandelen zinloos is. Daarbij moet immers bedacht worden dat het gebod versterkt kan worden met een dwangsom, waarvan een flinke financiële prikkel kan uitgaan om de partij die de onderhandelingen in beginsel niet wenst voort te zetten, tot andere gedachten te brengen. Voorts moet bedacht worden dat een gebod om door te onderhandelen de teleurgestelde partij een extra steuntje in de rug kan geven indien het voor hem eerder van belang is om alsnog te trachten tot een overeenkomst te komen dan om schadevergoeding te ontvangen. Zoals hiervoor immers is uiteengezet, is het aan de feitenrechter om te beoordelen of een partij die tot dooronderhandelen is veroordeeld, hieraan in redelijkheid gevolg heeft gegeven. Doet de teleurgestelde partij zijn tot dooronderhandelen verplichte wederpartij een redelijk compromisvoorstel, maar weigert de tot dooronderhandelen verplichte partij dat te aanvaarden, althans daarop in te gaan, dan is alsnog denkbaar dat de tot dooronderhandelen verplichte partij, al dan niet via de weg van reële executie, veroordeeld wordt om dat compromisvoorstel alsnog te aanvaarden.3