Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.7:5.7.7 Omvang van de vordering
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.7.7
5.7.7 Omvang van de vordering
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498832:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een rechtvaardiging voor het verrichten en behouden van een prestatie ontbreekt, staat vast dat de ontvanger zijn verrijking, die is ontstaan door de ontvangst van de prestatie, moet afdragen. De vraag die dan rijst, is wat de ontvanger precies moet teruggeven. Deze vraag is besproken in paragraaf 5.6.
Het is gebleken dat twee verweermiddelen nodig zijn waarmee wordt voorkomen dat een ontvanger die niet te kwader trouw heeft gehandeld in een nadeligere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de ontvangst van de onverschuldigde betaling. Zonder verweermiddelen zou het nodig zijn om de vereisten voor het ontstaan van de vordering uit onverschuldigde betaling beperkter op te vatten. Dit zou als nadeel hebben dat een consequente toepassing van die beperktere vereisten er in andere gevallen toe zou leiden dat een verplichting tot terugbetaling niet zou ontstaan, terwijl dat wel wenselijk zou zijn.
Ook is gebleken dat in alle gevallen waarin een prestatie is ontvangen, het wenselijk is dat de ontvanger het verweer kan voeren dat zijn verrijking, die het gevolg is van de prestatie, is verminderd in de periode waarin hij geen rekening hoefde te houden met een terugbetalingsverplichting. De ratio van deze bepaling is als volgt. De ontvanger kan worden geconfronteerd met een vordering uit onverschuldigde betaling voor de gehele marktwaarde van prestatie, terwijl hij niet langer is verrijkt. Toekenning van de vordering in een dergelijk geval zou niet langer tot gevolg hebben dat de ontvanger niet een voordeel moet afstaan dat hem is komen aanwaaien, maar dat hij een verlies gaat lijden ten opzichte van de denkbeeldige situatie waarin de onverschuldigde betaling niet zou hebben plaatsgevonden. Aan de andere kant zou de presterende partij verlies lijden als de ontvanger minder hoeft af te dragen omdat de verrijking is verminderd. Het verweer betreft daarom de toerekening van nadeel.
Ik meen dat het nadeel dient te worden gedragen door de presterende partij als de ontvanger geen rekening met een vordering uit onverschuldigde betaling hoefde te houden. Het is namelijk een vereiste voor een vlot lopend handelsverkeer dat een ieder vrij moet kunnen beschikken over hetgeen zich in zijn vermogen bevindt als hij mag menen daartoe gerechtigd te zijn. Toedeling van het nadeel aan de presterende partij voorkomt dat iedereen geld moet reserveren waaruit onverwachte vorderingen uit onverschuldigde betaling kunnen worden voldoen.
Uit deze ratio volgen de vereisten van het verweer. Het eerste vereiste is dat de ontvanger te goeder trouw is. Als de ontvanger niet te goeder trouw is, moet hij rekening houden met een verplichting tot terugbetaling. Van bescherming tegen een onverwachte vordering uit onverschuldigde betaling is dan geen sprake. Het ontbreken van goede trouw ten tijde van het veroorzaken van de vermindering van de verrijking staat daarom in de weg aan een beroep op het verweer. Het tweede vereiste is dat het vermogen van de ontvanger is verminderd. Het kan volgens mij daarbij gaan om extra uitgaven die de ontvanger niet zou hebben gedaan zonder de prestatie, of om voordelen die de ontvanger door de prestatie heeft laten schieten. Ten slotte moet de vermindering van het vermogen van de ontvanger in causaal verband staan met de ontvangst van de prestatie. De prestatie moet de vermindering hebben veroorzaakt, zodat uitgaven die ook zonder de ontvangst van de prestatie zouden zijn gedaan, niet een beroep op het verweer mogelijk maken.
Het verweer is in de wet echter alleen geregeld voor prestaties die hebben bestaan in het geven van een goed en – bij een welwillende lezing van artikel 6:210 – het verrichten van een dienst. Voor betalingen van geld is het verweer niet geregeld. Gebleken is dat artikel 6:212 voldoende ruimte biedt voor een analogische toepassing om een verweer ook in de andere dan expliciet in de wet geregelde gevallen te aanvaarden.
Ten slotte is gebleken dat de ontvanger ook als verweer moet kunnen aanvoeren dat hij de prestatie die hij heeft ontvangen, niet op haar marktwaarde waardeert. Het verweer dat voorkomt dat een besteding wordt opgedrongen aan een ontvanger die de prestatie niet heeft gewild. De persoonlijke beleving door een ontvanger van de prestatie kan immers veel minder zijn dan de marktwaarde van de prestatie waar hij niet om heeft gevraagd. Als startpunt bij de vaststelling van de omvang van de verplichting tot terugbetaling moet daarom een marktconforme vergoeding voor de prestatie worden genomen, waarna moet worden bezien hoe de ontvanger de prestatie subjectief beleeft. Ik meen dat de ontvanger altijd een beroep toekomt op het verweer, tenzij hij te kwader trouw is.