Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht
Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.2.2:4.2.2 De interne onafhankelijkheid
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/4.2.2
4.2.2 De interne onafhankelijkheid
Documentgegevens:
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468066:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo stelt bijvoorbeeld artikel 7 Wet RO de jongere rechter(s) in staat om in alle vrijheid hun oordeel over de zaak te geven, voordat de voorzitter met zijn eindoordeel komt (zie Keulen/Knigge, p. 137). Deze bepaling kent geen pendant in het fiscale bestuurlijke boeterecht, omdat het opleggen van fiscale boeten in het algemeen een vrij solistische aangelegenheid is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit jurisprudentie van het HRC en het EHRM bleek reeds dat de strafrechter ook in rechtspositionele zin onafhankelijk dient te zijn (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.3). Zo verlangt het HRC dat de verdragsstaten in hun (grond)wetten regels opnemen ten aanzien van het aanstellen van rechters, zoals de benoemingsprocedure, de functievereisten en de aanstellingstermijn. Ook regels met betrekking tot de bevordering, overplaatsing en functiebeëindiging vindt het HRC van groot belang voor de interne rechterlijke (interne of functionele) onafhankelijkheid. De jurisprudentie van het EHRM komt in het algemeen overeen met de visie van het HRC.
In deze paragraaf ga ik nader in op de rechtspositie van de strafrechter en de belastinginspecteur. De rechtspositionele onafhankelijkheid is echter – zoals zal blijken – slechts een deelaspect van de interne dimensie van het onafhankelijkheidsbeginsel. Zo speelt bijvoorbeeld de wijze waarop de (bestuurlijke) organisatie is ingericht eveneens een rol bij een onafhankelijke oordeelsvorming.1
4.2.2.1 De rechtspositie van de strafrechter versus de rechtspositie van de inspecteur4.2.2.2 Reorganisaties en verplaatsingen4.2.2.3 Functionele en geografische mobiliteit en ‘verkleving’4.2.2.4 De organieke onafhankelijkheid