Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481381:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De juridische fusie, waar het wél de ondernemer is die het besluit neemt (art. 2:317 lid 1 BW) en uitvoert (art. 2:318 lid 1 BW), laat ik op deze plaats als vorm van overdracht van de zeggenschap in de ondernemer buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de vervreemding of verkrijging van doorslaggevende zeggenschapsrechten in de vorm van het in het leven roepen resp. het doen tenietgaan van bijzondere statutaire of contractuele rechten of anderszins in de vorm van een wijziging van de statuten (ik verwijs naar het slot van par. 5.3.1). Bij naleving en sancties richt ik mij met name op aanspraken jegens de derden die het besluit nemen en/of uitvoeren. Het aspect van die derden maakt het besluit tot overdracht van de zeggenschap namelijk zo bijzonder ten opzichte van andere besluiten. Bij overdracht van de zeggenschap op grond van een openbaar bod besteed ik bijzondere aandacht aan andere facetten dan de uitvoering van het bestuursbesluit steun uit te spreken voor het bod.De juridische fusie, waar het wél de ondernemer is die het besluit neemt (art. 2:317 lid 1 BW) en uitvoert (art. 2:318 lid 1 BW), laat ik op deze plaats als vorm van overdracht van de zeggenschap in de ondernemer buiten beschouwing. Hetzelfde geldt voor de vervreemding of verkrijging van doorslaggevende zeggenschapsrechten in de vorm van het in het leven roepen resp. het doen tenietgaan van bijzondere statutaire of contractuele rechten of anderszins in de vorm van een wijziging van de statuten (ik verwijs naar het slot van par. 5.3.1). Bij naleving en sancties richt ik mij met name op aanspraken jegens de derden die het besluit nemen en/of uitvoeren. Het aspect van die derden maakt het besluit tot overdracht van de zeggenschap namelijk zo bijzonder ten opzichte van andere besluiten. Bij overdracht van de zeggenschap op grond van een openbaar bod besteed ik bijzondere aandacht aan andere facetten dan de uitvoering van het bestuursbesluit steun uit te spreken voor het bod.
Betrokkenheid van de ondernemer zou zich kunnen voordoen in de situatie waarin de overdracht van aandelen onderworpen is aan de goedkeuring van een orgaan van de ondernemer (art. 2:195 lid 4 BW).
De ondernemer is verplicht de uitvoering van zijn besluit op te schorten indien hij in zijn definitieve besluit het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel volgt (art. 25 lid 6 WOR). Daaronder wordt mede begrepen het geval dat hij het besluit heeft genomen zonder dat hij de ondernemingsraad de gelegenheid of de tijd (vgl. ook art. 25 lid 2 WOR) heeft geboden een advies uit te brengen. Verklaart de Ondernemingskamer het tegen het besluit ingestelde beroep gegrond, dan kan hij de ondernemer bij wege van (voorlopige) voorziening verplichten het in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken, en kan hij de ondernemer een verbod op leggen het besluit of onderdelen daarvan uit te voeren (art. 26 lid 5 WOR). De opschorting strekt er hoofdzakelijk toe de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen tot hun volle recht te laten komen. Dat is bij de totstandkoming van de wetswijziging van 1979 als volgt verwoord:
‘De opschortingstermijn moet dus beschouwd worden in samenhang met het beroepsrecht van de ondernemingsraad. … Wil het beroepsrecht van de ondernemingsraad echter effect kunnen sorteren, dan is opschorting van het besluit van de ondernemer totdat de rechter een (voorlopige) voorziening heeft getroffen zeer gewenst, opdat niet óf de ondernemingsraad voor een voldongen feit wordt geplaatst (b.v. doordat derden al rechten hebben verworven), óf de ondernemer genoodzaakt wordt reeds uitgevoerde besluiten alsnog ongedaan te maken (b.v. een reeds tot stand gebrachte reorganisatie van de onderneming).’.1
De opschortingsplicht geldt voor de ondernemer. Met betrekking tot de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan opleggen geldt hetzelfde. Hoe pakken de artt. 25 lid 6 en 26 lid 5 WOR uit bij een besluit tot overdracht van de zeggenschap in de ondernemer, en dan met name in die gevallen waarin anderen dan de ondernemer de (belangrijkste) actoren zijn, zowel waar het de besluitvorming betreft als de uitvoering?2 Ik maak bij het zoeken van een antwoord op deze vraag een onderscheid tussen de overdracht op grond van een onderhandse transactie en die op grond van een openbaar bod. Bij de onderhandse transactie beperk ik mij tot een overdracht van aandelen waar de ondernemer noch bij de besluitvorming noch bij de uitvoering betrokken is.3 Ingeval van een overdracht van de zeggenschap op grond van een vriendelijk openbaar bod, heeft het advies van de ondernemingsraad wél betrekking op een besluit van de ondernemer, namelijk het besluit het bod te steunen. Dat besluit vormt evenwel slechts een bescheiden onderdeel van een biedingsproces. Het hangt uiteindelijk van derden (de bestaande aandeelhouders en de bieder) af of de zeggenschap wordt overgedragen. Ik zal mij ook en met name op het bredere biedingsproces richten.