Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/8.6.1
8.6.1 Algemeen
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692118:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik laat de executieverjaring (art. 3:324 BW) onbesproken.
Vgl. Koopmann in GS Vermogensrecht, art. 3:306 BW, aant. 1.3.1. en Asser/Sieburgh 6-II 2017/359 en 387.
De Jong, Krans & Wissink 2018/283.
Opmerkingen op de zitting als ‘dat is wel erg lang geleden, vindt u niet?’ dienen dus ook achterwege te blijven. Volgens Wissink is dit overigens omstreden, De Jong, Krans & Wissink 2018/301, voetnoot 26. Ik ben er niet zeker van dat hierover door rechters in brede zin nog steeds eenduidig wordt gedacht. Zie ook Klomp 2020. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is opgenomen dat een rechter wel, als een partij zegt zich iets niet meer te kunnen herinneren omdat het wel erg lang geleden is, dit impliciete beroep op verjaring op de mondelinge behandeling aan de orde kan stellen. De rechter mag echter niet zelf een ‘draai aan het partijdebat geven’. Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3, p. 35.
Koopmann in GS Vermogensrecht, art. 3:306 BW, aant. 2.2.1. In gelijke zin Smeehuijzen 2008, p. 115.
Hierover nader: Van Es 2018.
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141, m.nt. H.J. Snijders (gemeente Heusden).
Koopmann in GS Vermogensrecht, art. 3:307 BW, aant. 2.1. Asser/Sieburgh 6-II 2017/404. Koopmann 2020, p. 24.
HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2194, NJ 2016, 308, m.nt. H.J. Snijders.
Aldus ook Koopmann 2020, p. 29.
PG Boek 3, p. 929. Verheul twijfelt aan de juistheid van de redenering van de wetgever, Verheul 2020, p. 277.
PG Boek 3, p. 929.
PG Boek 3, p. 929. Zie ook: Koopmann in GS Vermogensrecht, art. 3:314 BW, aant. 2.1.
506. Een ander relevant verweermiddel van een schuldenaar tegen een vordering die strekt tot het uitspreken van een bevel of verbod, kan de (bevrijdende) verjaring zijn. De verjaringsregeling is in dezelfde titel van Boek 3 neergelegd als art. 3:296 BW, namelijk in titel 11 over rechtsvorderingen. Ik ga in deze paragraaf in op de vraag of de verjaringsregeling voldoende is toegespitst op het rechterlijk bevel en verbod en of de verjaring een onoverkomelijk probleem is voor de effectiviteit van de remedie. Daartoe moet ik eerst op hoofdlijnen uiteenzetten hoe de verjaring van de verschillende rechtsvorderingen in Boek 3 BW is geregeld.
507. Daarbij past een opmerking vooraf: gelet op het feit dat ik eerder heb betoogd dat het primaire doel van een remedie moet zijn om schade te voorkomen, lijkt het minder voor de hand te liggen om verjaring te bespreken. Verjaring impliceert immers het verstrijken van tijd en dat verhoudt zich niet goed tot het door mij voorgestane preventieve karakter van het bevel en verbod. Bij nader inzien ligt het genuanceerder. Ook nadat de inbreuk op bijvoorbeeld een subjectief recht jarenlang heeft geduurd (denk aan grensoverschrijdende bebouwingen) kan het nodig zijn om die inbreuk op korte termijn te beëindigen om bijvoorbeeld verdere schade te voorkomen. En ook als de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst jaren te lang op zich heeft laten wachten, kan er nog belang bestaan bij die nakoming op korte termijn om verdere schade te voorkomen. Ook dan heeft de remedie dus nog een zekere preventieve functie, ondanks het tijdsverloop. Een geslaagd beroep op verjaring kan die functie doorkruisen.
508. In titel 11 wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende rechtsvorderingen. De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis of een verplichting wordt bestreken door art. 3:307 en 3:313 BW, de verjaring van rechtsvorderingen in verband met, of tot herstel van, tekortkomingen door art. 3:311 en 3:312 BW en rechtsvorderingen tot opheffing van een onrechtmatige toestand door art. 3:306 en 3:314 BW. Ik laat de verjaring van de rechtsvorderingen uit onverschuldigde betaling (art. 3:309 BW), tot schadevergoeding (artikel 3:310 BW), en die tot opeising van een nalatenschap (art. 3:315 BW) onbesproken aangezien die voor het rechterlijk bevel en verbod minder relevant zijn.
509. De hoofdregel met betrekking tot de termijn van verjaring is in art. 3:306 BW neergelegd: indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van 20 jaren.1 Zoals ik eerder, bij de omschrijving van het begrip ‘rechtsvorderingen’ heb aangegeven, is het begrip rechtsvordering in art. 3:306 BW gebruikt om de bevoegdheid aan te duiden om een recht geldend te maken. Het is dus niet het vorderingsrecht zelf dat verjaart, maar slechts de rechtsvordering.2 Dat is anders bij een vervaltermijn, waarbij het vorderingsrecht zelf tenietgaat.3 Blijkens art. 3:322 BW mag de rechter de verjaring niet ambtshalve toepassen, met andere woorden: er moet door een verweerder een beroep op worden gedaan.4
510. Omdat in art. 3:307-3:311 BW de nodige uitzonderingen op de hoofdregel van art. 3:306 BW zijn gemaakt, geeft die hoofdregel feitelijk alleen nog een termijn voor de gevallen die niet door art. 3:307-3:311 BW worden bestreken. Koopmann merkt dan ook terecht op dat eerder kan worden gesproken van een hoofdregel van vijf jaar waarbij de termijn van 20 jaar als vangnet dient.5
511. Een voor de praktijk – en voor het rechterlijk bevel en verbod – belangrijk geval waarin juist de hoofdregel van 20 jaar zijn werk doet volgt uit art. 3:105 lid 1 BW.6 Volgens dat artikel verkrijgt hij die op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, een goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. De rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit verjaart door het verstrijken van een termijn van 20 jaar. Bij een geslaagd beroep op deze bepalingen zal een vordering die strekt tot een bevel tot ontruiming van bijvoorbeeld een stuk grond dat oorspronkelijk aan een ander toebehoorde, moeten worden afgewezen. Een situatie als deze is regelmatig aan de orde bij schuttingen die net op de verkeerde plek zijn gebouwd, maar ook bij mensen die willens en wetens een stukje gemeentegrond bij hun tuin hebben getrokken. De rechter die in zo’n geval met een geslaagd beroep op verjaring wordt geconfronteerd zal geen bevel tot ontruiming kunnen uitspreken. Een voorbeeld is te vinden in een arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 waarin de Hoge Raad ook overwoog dat een partij die door verjaring eigenaar is geworden van een stuk grond ‘bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van art. 3:105 BW’. Die rechtsvordering kan op zijn beurt ook weer verjaren volgens het bepaalde in art. 3:310 BW, waarbij de vijfjarige verjaringstermijn blijkens het arrest begint te lopen op het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies (en met de daarvoor aansprakelijke persoon).7
512. Dat eerder kan worden gesproken van een algemene verjaringstermijn van vijf jaar wordt geïllustreerd door art. 3:307 lid 1 BW: een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Art. 3:307 lid 1 BW heeft betrekking op de zogenaamde primaire prestatie, dus de overeengekomen prestatie en niet op de verbintenis tot vervangende schadevergoeding.8 Omdat het rechterlijk bevel en verbod juist die primaire prestatie raken, is het artikel relevant bij een normale nakomingsvordering die ertoe strekt dat een bevel tot die nakoming wordt gegeven.
513. Een rechterlijk bevel kan ook betrekking hebben op het in art. 3:311 lid 1 BW bedoelde herstel van een tekortkoming. Een rechtsvordering tot dat herstel verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaar nadat de tekortkoming is ontstaan. Het bepaalde in art. 3:311 lid 1 BW houdt een bijzondere regel in ten opzichte van het bepaalde in art. 3:307 lid 1 BW. Blijkens een arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 is art. 3:307 BW slechts van toepassing op vorderingen tot nakoming van contractuele verbintenissen die in het geheel niet zijn nagekomen. Indien een verbintenis gedeeltelijk of anderszins gebrekkig is nagekomen, geldt het bepaalde in art. 3:311 lid 1 BW, ook als de verschuldigde prestatie deelbaar is.9
514. Het belangrijkste verschil tussen de regeling van art. 3:307 lid 1 BW en art. 3:311 lid 1 BW is gelegen in het aanvangstijdstip van de verjaring.10 Volgens art. 3:307 lid 1 BW begint de verjaring te lopen op de dag na die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Art. 3:311 lid 1 BW neemt de bekendheid van de schuldeiser met de tekortkoming als beginpunt. Voor de remedie van het rechterlijk bevel telt het resultaat: een geslaagd beroep op verjaring staat in beide gevallen aan het geven van een bevel in de weg.
515. Een belangrijk deel van de rechtsplichten met betrekking waartoe een rechterlijk bevel of verbod wordt gevraagd, zijn onrechtmatige daden. Een daarmee verband houdende schadevordering verjaart volgens het bepaalde in art. 3:310 BW. Voor de onrechtmatige toestand bepaalt art. 3:314 lid 1 BW dat de termijn van verjaring begint met aanvang van de dag, volgend op die waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. Art. 3:314 lid 2 BW geeft een afzonderlijke regel voor de termijn van verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende. Volgens de wetgever was de bepaling noodzakelijk om te voorkomen dat er bij een onrechtmatige toestand dagelijks van een nieuwe onrechtmatige daad sprake zou zijn en dat er dus geen verjaring zou intreden.11 Van een onrechtmatige toestand is alleen sprake als zich een continue inbreuk op een subjectief recht voordoet, zoals bijvoorbeeld het geval is indien grensoverschrijdend wordt gebouwd. Met het artikel wordt duidelijk gemaakt dat niet iedere dag dat de onrechtmatige toestand voortduurt een nieuwe rechtsvordering ontstaat en dat ten aanzien van de vordering tot opheffing daarvan geen verjaring zou intreden. Die situatie werd door de wetgever onwenselijk geacht.12 Terugkerende, maar incidentele, onrechtmatige handelingen zoals lawaai, trillingen of stank, vormen geen onrechtmatige toestand. Hinder die bestaat uit het onthouden van licht of lucht is in principe wel aan te merken als een onrechtmatige toestand.13
516. Voor verjaring is, anders dan voor rechtsverwerking, tijdsverloop voldoende. Dat laat onverlet dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Het gaat daarbij echter om uitzonderingssituaties, die met name gereserveerd lijken te zijn voor situaties waarin de schade zich zo laat openbaart dat de vordering tot vergoeding van schade buiten de schuld van het slachtoffer al is verjaard.14