Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.2.2
4.2.2 Ontwerp Van der Linden
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388298:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Als bekendste werken kunnen worden genoemd ‘Verhandeling over de Judicieele Practijcq’ in twee delen, in 1794 en 1798, gedrukt en ‘Regtsgeleerd Practicaal en Koopmans Handboek’ uit 1806. De invloed van beide werken strekte zich ook uit over de Nederlandse koloniën. Het Koopmans handboek verkreeg in Zuid-Afrika in 1859 zelfs kracht van wet. Zie Van Hall 1853, p. 19 en 20 en Cohen Jehoram, AA 1970, p. 403.
Zie de memorie van Van der Linden, opgenomen in De Smidt 1967, p. 15 e.v. Cras voelde zich als academicus verheven boven de praktijkjurist. Uit zijn aantekeningen bij het uiteindelijke ontwerp blijkt de nodige minachting: ‘De man spreekt nogal op hoge toon, terwijl het mij voorkomt dat hij niet veel wetenschap bezit, en daarom zich tegen het wetenschappelijke verklaart.’ Zie geciteerd in De Smidt 1966, p. 13.
Zie Cerutti 1965, p 50. Het moment waarop Van der Linden de opdracht heeft gekregen is niet duidelijk. Van Hall heeft het zelfs over een termijn van nog geen negen maanden waarin de taak zou zijn volbracht, zie Van Hall 1853, p. 40.
Zie Cerutti 1965, p. 52 en 53 en Lokin & Zwalve 2014, p. 368.
Zie Cerutti 1965, p. 56-58 en Lokin & Zwalve 2014, p. 368. Zie J. van der Linden, Verhandeling van contracten en andere verbintenissen, Leiden: Honkoop 1804 en 1806.
Zo ook Cerutti 1965, p. 53.
Zie De Smidt 1967, p. 139.
Ontw. V.d. Linden Boek II, tit. 7, afd. 1, art. 7, opgenomen in De Smidt 1967, p. 150.
Ontw. V.d. Linden II.7.2.1, De Smidt 1967, p. 154.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.4, De Smidt 1967, p. 157. Er is wederom een uitzondering voor een oudere legale generale hypotheek. Deze gaat voor een conventionele speciale hypotheek. Zie Ontw. V.d. Linden II.7.3.8, De Smidt 1967, p. 158. Vgl. Ontw. Kreet II.6.7.5i, Van Gessel-de Roo 1991, p. 137 en 138. Zie bovendien de voorrangspositie voor de hypotheek voor onbetaalde kooppenningen Ontw. V.d. Linden II.7.3.9, De Smidt 1967, p. 158.
Ontw. V.d. Linden II.7.1.10, De Smidt 1967, p. 150 en 151.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.10, De Smidt 1967, p. 158.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.2, De Smidt 1967, p. 157, waar wordt verwezen naar enkele in de voorgaande afdeling genoemde legale zekerheidsrechten. Vergelijk de rangorderegeling van Van der Linden in het Regtsgeleerd Practicaal en Koopmans Handboek 1806, p. 108-110.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.5, De Smidt 1967, p. 158.
‘Voor ouder verband wordt gehouden, het welk slechts één dag, één uur, of zelfs nog korteren tijd, voor het andere verleden was’. Zie Ontw. V.d. Linden II.7.3.5, De Smidt 1967, p. 158.
Zie Ontw. Kreet II.6.7.5h met nota, Van Gessel-de Roo 1991, p. 137.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.5, laatste volzin, De Smidt 1967, p. 158.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.11, De Smidt 1967, p. 158.
Deze worden genoemd in Ontw. V.d. Linden II.7.2.2, 4 en 5, De Smidt 1967, p. 154.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.7, De Smidt 1967, p. 158.
Ontw. V.d. Linden II.7.3.13, De Smidt 1967, p. 158.
Zie Cerutti 1965, p. 58 en 59 en Lokin & Zwalve 2014, p. 367 en 368.
Joannes van der Linden (1756-1835), bij zijn tijdgenoten bekend als Amsterdamse advocaat en auteur van enkele praktijkhandboeken,1 zette zich af tegen de wijze waarop de Commissie van Twaalf te werk was gegaan. Hij meende met het Hoog Nationaal Gerechtshof dat een wetboek niet het karakter van een leerstellig handboek moet dragen, maar uit voor de rechtspraktijk handzame bepalingen moet bestaan.2 Met ongelofelijke spoed wist Van der Linden zijn opdracht te voltooien. Hij leverde binnen een jaar3 een volledig ontwerp af voor een burgerlijk wetboek dat beduidend korter en duidelijker was geredigeerd dan het ontwerp van de voorgaande wetgevingscommissie.
Van der Linden heeft in belangrijke mate – inhoudelijk evenwel op uiteenlopende wijze – gebruik gemaakt van de ontwerpen van de Commissie van Twaalf.4 Daarnaast heeft de in 1804 gepubliceerde Code civil invloed uitgeoefend op het ontwerp, met name vanwege het feit dat Van der Linden veel heeft ontleend aan de door hemzelf vertaalde geschriften van Robert-Joseph Pothier, wiens ‘Traité des Obligations’ voor een groot deel letterlijk is overgenomen in de Code civil.5
De titel over het recht van erfdienstbaarheid, opgenomen in de zesde titel, eerste afdeling van het tweede boek, benadert dicht het ontwerp van de voorgaande commissie.6 De artikelen 36 en 37 bepalen uitdrukkelijk dat niet de bloot eigenaar, maar alleen de eigenaar die ‘den volkomen en onbezwaarden eigendom’ heeft, bevoegd is om een recht van erfdienstbaarheid te vestigen.7 Aangezien aldus geen conflictsituaties tussen meerdere beperkt gerechtigden konden ontstaan, verdient het ontwerp van de erfdienstbaarheden geen verdere behandeling. Ook ten aanzien van de overige gebruiksrechten zweeg het ontwerp over de mogelijkheid van een meervoudige vestiging, waardoor mede gelet op het ontbreken van enige toelichting van de ontwerper, geen aanwijzingen zijn te vinden voor de toepassing van de prioriteitsregel.
Het ontwerp van het zekerhedenrecht bouwde evenals het ontwerp Kreet in belangrijke mate voort op het Rooms-Hollandse recht. Zo werden de algemene8 en de legale9 zekerheidsrechten behouden en werden geheel volgens de Rooms-Hollandse traditie speciale hypotheken in beginsel begunstigd boven generale hypotheken.10 Dit hangt samen met het feit dat voor de vestiging van een generale hypotheek registratie slechts voor het gerecht van de woonplaats van de schuldenaar was vereist.11 Daardoor was het zekerheidsrecht ten aanzien van een goed dat buiten de woonplaats van de debiteur was gelegen, niet kenbaar voor een jongere speciale hypotheekhouder. De generale hypotheekhouder kon zijn achterstelling bij speciale hypotheekhouders echter voorkomen door de hypotheek op de plaats van de ligging van het goed te registreren. Het ontwerp bepaalde namelijk dat een oudere generale hypotheek werd geprefereerd boven een latere speciale hypotheek indien deze latere schuldeiser de generale hypotheek kende of vanwege de registratie bij het gerecht van de plaats waar het goed is gelegen, had kunnen kennen.12 Met deze registratie die in het bijzonder van belang is als een of meer goederen in een andere plaats zijn gelegen dan waar de hypotheekgever woont, was de werking van een generaal zekerheidsrecht gelijkgesteld aan een bijzondere hypotheek.
In de rangorde werden de conventionele hypotheekhouders nog steeds voorafgegaan door enkele geprivilegieerde schuldeisers die hun zekerheidsrecht ontleenden aan de wet.13 De prioriteitsregel doet van zich spreken bij meerdere speciale hypotheken op hetzelfde goed.14 Zoals opgemerkt geldt dat een generale hypotheekhouder, mits zijn recht door de overige speciale hypotheekhouders is gekend of kenbaar is, tevens rang inneemt naar het moment waarop de hypotheek wordt gevestigd. Voor de chronologie is van belang het tijdstip, zo nodig op de minuut nauwkeurig, waarop de hypotheek voor het gerecht is gevestigd.15 Hier wijkt het ontwerp af van het ontwerp Kreet dat gelet op de bewijsproblematiek aansluiting zocht bij het moment van registratie en slechts onderscheid maakte naar dagen.16 Van der Linden lijk deze problematiek te hebben onderkend en hield in geval van twijfel over het exacte vestigingsmoment dan ook de eerst geregistreerde voor ouder.17
Onder meerdere generale hypotheken gaat het oudere eveneens voor het jongere recht.18 Als uitzondering op deze toepassing van de prioriteitsregel heeft te gelden het generale legale zekerheidsrecht van de staat, de getrouwde vrouw en de minderjarige.19 Deze rechten worden door het ontwerp ongeacht hun ontstaansmoment gerangschikt boven conventionele generale en overige legale generale hypotheken.20 De laatste plaats in de rangorde wordt ingenomen door concurrente schuldeisers.21
Al voordat Van der Linden in januari 1808 het laatste deel had ingeleverd, was het ontwerp door politieke gebeurtenissen achterhaald. Keizer Napoleon had namelijk de invoering van de Franse Code Napoleon in Nederland verordonneerd. Hoewel Lodewijk niet toegaf aan de onverkorte invoering van de Code, kon hij niet anders dan het Ontwerp Van der Linden aan de kant schuiven en nauwere aansluiting zoeken bij het Franse recht.22 In november 1807 had de koning een commissie ingesteld die tot taak kreeg het Wetboek Napoleon aan te passen aan de Nederlandse omstandigheden.