Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.2.4
4.2.4 Ontwerp 1816
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385877:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Voorduin I,I, p. 15-37 en De Bosch Kemper 1864, p. V.
Het ontwerp is wel gedrukt – de door mij geraadpleegde druk is te vinden in de bibliotheek van de Universiteit Leiden – maar nimmer in zijn geheel gepubliceerd. Het zakenrechtelijk deel is opgenomen in Van Gessel-de Roo 1991, p. 161-371. Zie voorts een samenvatting in Voorduin I,I, p. 44-65.
De Koning had lering getrokken uit de nadelige gevolgen – zoals leemtes en onsamenhangendheden – van de benoeming van verscheidene commissies ten aanzien van de Franse wetgeving en had daarom bewust één enkele commissie het ontwerp van het gehele wetboek opgedragen. Zie Voorduin I,I, p. 13 en 14. Het werk van de subcommissie moest dan ook in de gehele commissie worden overwogen. Zie Voorduin I,I, p. 38.
Zie Voorduin I,I, p. 40, De Bosch Kemper 1864, p. VI en Cleveringa 1938, p. 280.
Zulks moge gelet op de heersende anti-Franse gezindheid alsmede het feit dat Cras de leermeester was van Kemper, weinig verbazing wekken. Overigens keerde Kemper ook terug – na het beknopte ontwerp Van der Linden en idem WNH – naar een uitvoerigere stijl zoals die van de Commissie van Twaalf.
Zie Herman, diss. 1914, p. 125-128. Het ontwerp wordt het sluitstuk van de bloeiperiode van het Rooms-Hollandse recht genoemd omdat voor het laatst het recht dat het privaatrecht in West-Europa in de zeventiende en achttiende eeuw domineerde, in een boek is vastgelegd. Zie Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, p. 175 en Lokin & Zwalve 2014, p. 372.
Over de registratie van hypotheken had een op 15 juli 1814 benoemde zogeheten ‘personele kommissie’ zich reeds gebogen. Het door haar op 15 juli 1815 uitgebrachte rapport werd door een met die van Kemper gecombineerde commissie in verband gebracht met het Ontwerp 1816. Zie voor het rapport van de personele kommissie De Bordes e.a. 1815.
Zie Ontwerp 1816, art. 1713, Van Gessel-de Roo 1991, p. 356. De gerechtelijke registers waren immers door Napoleon vervangen door de Franse hypothecaire boekhouding. Zie daarover Herman, diss. 1914, p. 126-127.
In de aantekening bij de wettekst komt nog wel de suggestie aan de orde van inschrijving – overeenkomstig het Ontwerp Kreet – op alle plaatsen waar de goederen zijn gelegen, maar deze wordt verworpen omdat ‘het ongemak te groot is’. Zie Van Gessel-de Roo 1991, p. 356.
In art. 4200-4224 wordt de rang der crediteuren behandeld. Het pandrecht is te vinden in de dertiende titel van boek 2.
Zie Ontwerp 1816, art. 4211 en 4212.
Opmerkelijk genoeg wordt hier met het argument ‘de weerzin van het publiek en de potentiële aanslag op de kredietwaardigheid’ tegen de registratie van legale hypotheken gepleit. Zie De Bordes e.a. 1815, p. 1450. Vgl. Ontw. Kreet II.6.3.14 met nota, Van Gessel-de Roo 1991, p. 113.
Ontwerp 1816, art. 4207-4209.
Zie Ontwerp 1816, art. 4213 resp. art. 4221.
Zie hierboven p. 47.
Zie Ontwerp 1816, art. 1318, Van Gessel-de Roo 1991, p. 258.
Er zijn meer verbintenisrechtelijke aanspraken denkbaar. Zo zou de oudere beperkt gerechtigde de eigenaar – en mogelijk ook de jongere beperkt gerechtigde – kunnen aanspreken wegens onrechtmatige daad, hetgeen eveneens resulteert in een verplichting tot schadevergoeding.
Zie hierboven p. 26, waar deze uitkomst ook naar Romeins recht wordt verdedigd.
Ontwerp 1816, art. 1709 bepaalt dat ‘hetzelfde goed, hetwelk eenmaal verpand is, meermalen verpand [kan] worden, doch buiten nadeel, en onverminderd het regt, van den vroegeren pandhouder’.
Zie hierboven p. 47.
De vereniging maakte herziening van de Grondwet van 1814 noodzakelijk. De nieuwe Grondwet van 1815 schreef in art. 163 de invoering van een burgerlijk wetboek voor het Koninkrijk der Nederlanden voor. Zie Van Hasselt 1987, p. 262.
Zie KB 5 september 1815, opgenomen in Voorduin I,I, p. 73-75. De commissie bestond uit Lammens, advocaat te Gent, De Guchteneere, destijds kamerpresident bij het Hooggerechtshof te Brussel en Nicolai, die op dat moment kamervoorzitter was van het Hoger Hof van Justitie te Luik. Zie Gilessen, TvR 1967, p. 406 e.v.
Op 18 april 1814 benoemde Koning Willem I een commissie onder voorzitterschap van Joan Melchior Kemper (1776-1824) om een wetboek te ontwerpen dat van Nederlandse oorsprong diende te zijn.1 Aanvankelijk stond de commissie een bewerking van het WNH voor, doch Kemper die de minderheidsopvatting aanhing dat een oorspronkelijk Nederlands wetboek moest worden ontworpen, wist uiteindelijk de Koning aan zijn kant te krijgen. Aan dit nationale burgerlijk wetboek werd in december 1815 door een door Kemper geleide subcommissie de laatste hand gelegd. Vervolgens kon het 4264 artikelen tellende werk – het zogeheten Ontwerp 18162 – nadat het aan de beraadslaging van de volledige commissie was onderworpen,3 op 5 maart 1816 bij de Koning worden ingediend.4
Kempers ontwerp grijpt inhoudelijk in belangrijke mate terug op het werk van de Commissie van Twaalf.5 Voor de regeling van de zekerheidsrechten betekende dit – op een uitzondering na met betrekking tot de hierna te bespreken wijze van registratie – een aansluiting bij het Rooms-Hollandse stelsel.6 De verschillende soorten hypotheken bleven gehandhaafd, maar ten aanzien van de registratie daarvan voerde Kemper een vereenvoudiging door.7 Een conventionele hypotheek op onroerend goed moest worden gevestigd voor het gemeentebestuur van de plaats waar het goed was gelegen.8 Over registratie is niets uitdrukkelijk bepaald omdat de ambtenaar voor wie de vestiging plaatsvond, tevens was belast met de registratie. Voor de vestiging van een generale hypotheek was alleen de registratie ter woonplaats van de debiteur voorgeschreven, waarmee de vereiste inschrijving op de plaats waar de goederen zijn gelegen was komen te vervallen.9 In de rangorderegeling die was opgenomen in de zestiende titel van het vierde boek en inhoudelijk geheel overeenstemt met het Ontwerp Kreet,10 werd een generale hypotheek dan ook wederom achtergesteld bij een speciaal zekerheidsrecht.11 Enkele legale hypotheken die naar dit ontwerp overigens niet aan het vereiste van registratie zijn onderworpen,12 namen opnieuw een geprivilegieerde positie in.13 De prioriteitsregel beheerste alleen de verhouding tussen speciale hypotheken alsmede generale hypotheken onderling.14
De regeling van de beperkte genotsrechten stemde eveneens inhoudelijk in grote mate overeen met het Ontwerp Wierdsma en daarmee met het Rooms-Hollandse recht. Het Ontwerp 1816 is evenwel uitvoeriger en er kan ten aanzien van conflicten met betrekking tot het recht van erfdienstbaarheid meer aan worden ontleend. Dat de eigenaar van een dienend erf meerdere rechten van erfdienstbaarheid ten behoeve van verschillende buren kon vestigen, was weliswaar af te leiden uit de aantekeningen van de Commissie van Twaalf, maar bleek niet uitdrukkelijk uit het Ontwerp Wierdsma.15 Kemper concretiseerde deze bevoegdheid om meerdere erfdienstbaarheden te vestigen onder de toevoeging: ‘mits niet tot nadeel of ongerief van den genen die ouder regt heeft’.16 De bevoegdheid wordt dus beperkt tot het vestigen van erfdienstbaarheden die de reeds bestaande rechten niet schaden. Het ontwerp maakt niet duidelijk of de sanctie van het niettemin verlenen van een dergelijke erfdienstbaarheid is gelegen in het goederenrecht – op grond waarvan dit recht niet tot stand zal komen – of in het verbintenissenrecht – op grond waarvan de oudere gerechtigden de eigenaar van het dienende erf kunnen aanspreken wegens wanprestatie.17 Ervan uitgaande dat – gelet op de formulering van de bepaling alsmede de bevindingen naar Romeins recht18 – een erfdienstbaarheid die de oudere rechten frustreert, niet tot stand komt, kan van het gebruik van de prioriteitsregel geen sprake zijn omdat conflicten aldus worden voorkomen.
In de regeling van het vruchtgebruik is wederom geen aanwijzing voor de toepassing van de prioriteitsregel te vinden. Een bepaling over de bevoegdheid van een eigenaar na de vestiging van een beperkt genotsrecht waardoor hem het gebruik van de zaak is ontnomen – zoals ten aanzien van een pandgever wél uitdrukkelijk is opgenomen19 – ontbreekt ook in dit ontwerp, zodat bij hetgeen is opgemerkt ten aanzien van het Ontwerp Wierdsma kan worden aangesloten.20
Ten tijde van Kempers codificatiewerkzaamheden voltrokken zich belangrijke staatkundige veranderingen. Op het Congres van Wenen kwam namelijk het Koninkrijk der Nederlanden tot stand waarbij de Zuidelijke Nederlanden met de Noordelijke Nederlanden werden verenigd. De Zuidelijke Nederlanders dienden bij de nationale codificatie te worden betrokken.21 Daartoe werd het Noord-Nederlandse Ontwerp 1816 ter beoordeling voorgelegd aan een door de Koning benoemde commissie van drie zuidelijke juristen.22