Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/4.2.5
4.2.5 Ontwerp 1820
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388299:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Voorduin I,I, p. 78-82, Cleveringa 1938, p. 282-299 en Lokin & Zwalve 2014, p. 374.
Zie Cleveringa 1938, p. 299 en 300.
Zie Cleveringa 1938, p. 300, die spreekt over een ‘herziene uitgaaf’ en Gillessen 1967, p. 443, die stelt dat met de Belgische kritiek tamelijk zelden rekening is gehouden. Overigens is het aantal artikelen wel teruggebracht tot 3631.
Herman, diss. 1914, p. 138-140. De regeling van de beperkte genotsrechten is ingekort en vernummerd, maar wijkt inhoudelijk nauwelijks af van het Ontwerp 1816.
Opgenomen in De Bosch Kemper 1864, zie p. 11 en 12.
Zie de opmerkingen onder de wettekst van Ontwerp 1816, art. 1696, Van Gessel-de Roo 1991, p. 349 en 350.
Zie Ontwerp 1820, art. 1514, De Bosch Kemper 1864, p. 168. Kritisch over de inschrijving als constitutief vereiste Herman, diss. 1914, p. 140 en 141. Ten aanzien van roerende goederen stond het ontwerp slechts vuistpand toe. Zie Ontwerp 1820, art. 1513. Roerende goederen konden als gevolg hiervan niet meer generaal worden verpand. Zie Ontwerp. 1820, art. 1516.
Zie Ontwerp 1820, art. 1517, De Bosch Kemper 1864, p. 168.
Zie Ontwerp 1820, art. 1535, De Bosch Kemper 1864, p. 170.
Het gevaar voor onbekendheid met legale hypotheken was niet helemaal geweken omdat een dergelijke hypotheek met terugwerkende kracht kon worden opgenomen, zie Ontwerp 1820, art. 1535, De Bosch Kemper 1864, p. 168.
Zie hierboven voetnoot 10.
Zie Voorduin I,I, p. 277-280. Aanvankelijk werd het Ontwerp 1820 artikel voor artikel op redactie en inhoud onderzocht, maar omdat de Tweede Kamer zodanig van het ontwerp afweek, werd vanaf 1822 de behandeling titelsgewijs voortgezet. Zie Voorduin I,I, p. 305 en 306.
Het verslag van de Belgische commissie omvatte een vernietigend oordeel over het Ontwerp 1816.1 De zuidelijke juristen waren gehecht aan het Franse recht en stelden dan ook voor om een nieuw – op de Code civil gegrond – ontwerp te vervaardigen. De Koning wees dit voorstel af en beval dat op grondslag van Kempers ontwerp door de Raad van State moest worden beraadslaagd over het te codificeren burgerlijk recht, waarna een Commissie van redactie het Ontwerp 1816 zou herzien.2 Op 22 november 1820 was het zogenoemde Ontwerp 1820 rijp om door de Tweede Kamer in behandeling te worden genomen. Hoewel het in het algemeen niet zozeer als een nieuw, als wel als een herzien ontwerp kan worden beschouwd,3 vertoonde het Ontwerp 1820 juist op het gebied van het zekerhedenrecht belangrijke verschillen.4 Uit de ‘ophelderende memorie’ blijkt dat de commissie de beginselen van specialiteit en publiciteit heeft getracht verder door te voeren.5 Deze beginselen waren door de Zuid-Nederlandse commissie in haar rapport naar voren gebracht.6 In het herziene ontwerp gold de registratie van een hypotheek op een onroerende zaak dan ook uitdrukkelijk als constitutief vereiste.7 Toch erkende het Ontwerp 1820 nog de generale hypotheek op onroerend goed, al schreef het wel aparte registratie voor in de plaatsenwaar de goederen zijn gelegen.8 Ook de legale hypotheken waren pas geldig na inschrijving in de registers.9 Vergeleken met het Ontwerp 1816 is aldus het gevaar enigszins afgenomen voor onbekendheid met legale hypotheken, wat in de rangorderegeling – die overigens inhoudelijk ongewijzigd is gebleven – mogelijk tot onredelijke resultaten had kunnen leiden.10
Tot een praktijktoepassing is het niet gekomen omdat het Ontwerp 1820 de behandeling in de Tweede Kamer niet overleefde.11 Aan een nieuw aangestelde Commissie van redactie werd vervolgens de taak toegekend om naar aanleiding van de beraadslagingen van de Tweede Kamer over het Ontwerp 1820 een vernieuwd ontwerp op te stellen.12 De samenstelling van de commissie – vijf leden uit de Zuidelijke, twee leden uit de Noordelijke Nederlanden – toont de Zuid-Nederlandse dominantie en verklaart de grote invloed van de Code civil op het oorspronkelijk in het Frans opgestelde ontwerp dat deel voor deel naar de Eerste Kamer werd gezonden.