Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/10.4.1
10.4.1 Voormalige conceptrichtlijn uit 1979
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS385082:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de harmonisatie van regelingen op het gebied van de belastingen op het inkomen met het oog op het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap van 21 december 1979, Pb EG 26 januari 1980, C 21/6 (hierna: conceptrichtlijn 1979).
P. Farmer & R. Lyal, EC Tax Law, Oxford: Clarendon Press 1994, p. 32.
P. Schonewille, ‘Commission Recommendation on the Taxation of Non-Residents’, EC Tax Review 1994/2, p. 63-64, p. 64.
Aangezien dit niet leidt tot gelijkheid op de werkvloer, hetgeen naar mijn mening de voorkeur verdient voor het goed functioneren van de interne markt. Zie in dit kader ook paragraaf 9.2.
Dit voor zowel de belastingplichtigen die in de conceptrichtlijn 1979 binnen de grensarbeidersdefinitie vielen (deel II) als de andere buitenlandse belastingplichtige werknemers (deel III).
Zie art. 4 conceptrichtlijn 1979. Indien de inhouding aan de bron ook zou plaatsvinden voor inwoners, dan mochten niet-inwoners hierbij niet zwaarder worden belast (art. 4 lid 2 conceptrichtlijn 1979). Aangezien het gebod tot nationale behandeling beperkt was tot de bronheffing, impliceert dit dat de individuele (persoonlijke en gezins)situatie door de bronstaat niet in aanmerking hoeft te worden genomen. Dit sluit ook aan bij het principe van gelijkheid met de buurman (arbeidexportneutraliteit) dat ten grondslag lag aan de behandeling van grensarbeiders in de conceptrichtlijn.
Dit volgt uit art. 4 lid 3 conceptrichtlijn 1979.
Zie in dit kader ook de vierde alinea van de considerans van de conceptrichtlijn 1979.
Zie hierover ook paragraaf 9.2.
Zie paragraaf 10.2 (slot).
Hetgeen bijvoorbeeld tot verschillen kan leiden indien een lidstaat belasting heft over de bruto-inkomsten als grondslag (i.e. zonder kostenaftrek).
Zie hierover ook de achtste alinea van de considerans van de conceptrichtlijn.
Zie art. 7 lid 1 jo. art. 7 lid 2 tweede alinea conceptrichtlijn 1979 inzake het progressievoorbehoud (‘kan bepalen’).
Zie de achtste alinea van de considerans van de conceptrichtlijn (slot): ‘dat de Lid-Staten bovendien vrij moeten blijven om inkomsten uit arbeid aan een progressief belastingtarief te onderwerpen door alle, positieve en negatieve, inkomensbestanddelen van de werknemer op dezelfde wijze te behandelen als ware er sprake van een inwoner’. Dit deel van de preambule heeft betrekking op art. 7 lid 2 tweede alinea conceptrichtlijn 1979 dat louter over ‘de toepassing van het tarief’ gaat.
Zie het voorbeeld in C. van Raad, ‘Non-Residents – Personal Allowances, Deduction of Personal Expenses and Tax Rates’, World Tax Journal 2010/2, p. 154-161, paragraaf 8.
Althans ten aanzien van de onderdelen van deel III van de conceptrichtlijn 1979. Deel II (inzake de grensarbeiders) namelijk niet, aangezien daar een gelijke behandeling met de buurman (arbeidexportneutraliteit) werd voorgesteld in plaats van gelijkheid op de werkvloer (arbeidimportneutraliteit).
In 1979 is door de Europese Commissie reeds een conceptrichtlijn ingediend met als doel onder meer fractionele belastingheffing te introduceren binnen de EEG.1 Hierover kon destijds echter geen overeenstemming worden bereikt in de Raad en het voorstel werd uiteindelijk in 1992 ingetrokken.2 Naar verluidt was de aanleiding hiervoor het onderdeel ten aanzien van de fiscale behandeling van grensarbeiders, waarbij verschillende lidstaten bezwaren hadden tegen de voorgestelde ‘woonstaatheffing’ (met volledige verrekening van de buitenlandse belastingen) voor deze groep belastingplichtigen.3 Ik deel de bezwaren tegen het destijds voorgestelde onderdeel voor grensarbeiders (deel II van de richtlijn).4 Ik acht een hernieuwd pleidooi voor het onderdeel van de voormalige richtlijn dat ziet op de nationale behandeling van niet-inwoners ten aanzien van de persoonlijke en gezinssituatie (deel III) echter wenselijk.5 Dit mede gezien de ontwikkeling van (de uitleg van) het Unierecht sindsdien.
Aangezien de historie met betrekking tot deze richtlijn belangrijk is voor het onderzoek en de haalbaarheid van eventuele nieuwe voorstellen, wordt de voormalige conceptrichtlijn hierna eerst behandeld. Samenvattend bevatte het voorstel van de Europese Commissie van 21 december 1979 de volgende onderdelen:
algemene bepalingen en definities;
voorstel inzake de belastingheffing van grensarbeiders;
voorstel inzake (fractionele) belastingheffing voor inkomsten uit dienstbetrekking van andere niet-inwoners;
voorstel tot verplichting tot gelijke behandeling van premies voor oudedagsvoorzieningen die zijn betaald aan buitenlandse aanbieders.
In de conceptrichtlijn uit 1979 was met betrekking tot de fiscale behandeling van grensarbeiders voorgesteld dat de werkstaat hierover slechts een bronbelasting mocht heffen.6 De woonstaat van de grensarbeider mocht het arbeidsinkomen anderzijds als onderdeel van het wereldinkomen belasten, maar diende vervolgens een volledige verrekening toe te staan voor de hierover betaalde buitenlandse belastingen. Een eventueel overschot aan buitenlandse belastingen diende te worden teruggegeven door de woonstaat.7 Op deze manier zou een grensarbeider geen aangifte inkomstenbelasting behoeven in te dienen in de bronstaat (daar zou immers een definitieve bronheffing gelden) en voor de inkomstenbelasting slechts te maken hebben met de belastingdienst van zijn woonstaat.8 Op basis van het bovenstaande zou de totale belastingdruk van grensarbeiders gelijk zijn aan de situatie waarin het inkomen binnenlands zou zijn verworven. Hierbij zou derhalve zuivere arbeidexportneutraliteit worden bereikt, oftewel gelijkheid met de buurman (die binnenlands werkt).9
Met betrekking tot andere categorieën van buitenlandse belastingplichtige werknemers en gepensioneerden werd echter een andere benadering voorgesteld. Voor hen zou namelijk een systeem van fractionele belastingheffing gelden (waarbij gelijkheid in de bronstaat c.q. op de werkvloer als uitgangspunt werd gekozen). In de conceptrichtlijn was in dit kader het volgende opgenomen:
“DEEL III
Belastingheffing van andere werknemers dan Grensarbeiders
Artikel 6
(…) [definitie van niet-inwoners die anders dan als grensarbeiders arbeidsinkomen hetzij pensioen of hiermee gelijkgestelde beloningen genieten in een lidstaat]
Artikel 7
De in artikel 6 genoemde inkomsten mogen in de Lid-Staat waar deze in de belastingheffing worden betrokken niet aan een hogere belasting worden onderworpen dan wanneer de belastingplichtige inwoner van die staat zou zijn geweest.
Indien de belastingplichtige over nog andere inkomsten beschikt, kan in afwijking van lid 1 de Lid- Staat bij de heffing van de belasting van de in artikel 6 bedoelde inkomsten vrijstellingen, aftrekmogelijkheden, verminderingen en andere algemene verlichtingen, voor zover deze slechts voor belastingplichtige inwoners gelden, toekennen in de mate waarin de in artikel 6 bedoelde te belasten netto-inkomsten zich verhouden tot het bedrag van de gezamenlijke netto-inkomsten.
Die Lid-Staat kan bepalen dat voor de toepassing van het tarief volgens hetwelk die inkomsten zullen worden belast, de belastingplichtige wordt geacht inwoner van de Lid-Staat te zijn.
Artikel 8
Indien de hoogte van de belasting op de in artikel 6 bedoelde inkomsten in de belastingheffende staat afhankelijk is van de vraag of de echtgenote of de kinderen van de belastingplichtige inwoners zijn van die Lid-Staat moeten op verzoek van de belastingplichtige diens inkomsten door genoemde staat fiscaal worden behandeld alsof diens echtgenote of kinderen tot de inwoners behoren.
Artikel 7, lid 2, tweede alinea, is van overeenkomstige toepassing.”
Op grond van bovenstaande bepalingen zouden de daar genoemde niet-inwoners door de bronstaat niet zwaarder mogen worden belast dan inwoners (art. 7 lid 1). Hierbij zouden de subjectgebonden belastingvoordelen eveneens in aanmerking moeten worden genomen, waarbij het lidstaten echter zou zijn toegestaan om die voordelen pro rata te verlenen indien tevens inkomen werd genoten in een andere staat (art. 7 lid 2 eerste volzin). Hierbij dienden de subjectgebonden belastingvoordelen dan te worden toegekend in de verhouding dat de binnenlandse netto-inkomsten staan tot de wereldwijde netto-inkomsten. De conceptrichtlijn bevestigde daarnaast expliciet dat een lidstaat de mogelijkheid zou hebben (‘kan bepalen’) om in de wetgeving op te nemen dat een progressievoorbehoud wordt toegepast ten aanzien van het buitenlandse inkomen. Een gelijke behandeling werd eveneens voorgeschreven ten aanzien van belastingvoordelen die verbonden zijn aan de echtgenote en/of de kinderen van de niet-inwoner (art. 8); ook de gezinsleden zouden fiscaal gelijk moeten worden gesteld met inwoners.
In feite had het voorstel van de Europese Commissie op dit onderdeel dan ook veel overeenkomsten met Van Raad’s latere concept van fractionele belastingheffing.10 Indien een lidstaat ervoor kiest om een progressievoorbehoud toe te passen met betrekking tot het buitenlandse inkomen van niet-inwoners, dan is in feite alleen de berekeningsmethode van de pro rata-toekenning van de subjectgebonden belastingvoordelen potentieel afwijkend. Van Raad’s fractionele belastingheffing sluit hierbij namelijk aan bij het gedeelte van het belastbareinkomen (voor ieder van de staten afzonderlijk berekend naar de eigen fiscale maatstaven), terwijl dit bij de conceptrichtlijn expliciet gekoppeld was aan het percentage van de netto-inkomsten.11 Ondanks dit nuanceverschil is duidelijk dat het principe van evenredige toekenning van de subjectgebonden belastingvoordelen in beide gevallen centraal staat.12
De conceptrichtlijn uit 1979 bevatte geen verplichtingen inzake grensoverschrijdende verliesverrekening, althans deze volgden niet expliciet uit de richtlijn zelf. Hoewel daarin was aangegeven dat de in art. 6 genoemde bronstaatinkomsten niet zwaarder mochten worden belast dan wanneer de belastingplichtige inwoner zou zijn van die staat, werd de lidstaten immers een keuzemogelijkheid gelaten ten aanzien van de inaanmerkingneming van de eventuele buitenlandse inkomsten.13 Uit de considerans volgde echter wel dat indien lidstaten zouden besluiten een progressievoorbehoud te hanteren voor het buitenlandse inkomen van een niet-inwoner, dit voor zowel de positieve als de negatieve buitenlandse inkomsten zou moeten gelden.14 Ik maak hieruit op dat onder de conceptrichtlijn buitenlandse negatieve inkomsten in dat geval met betrekking tot het progressievoorbehoud op dezelfde wijze als voor inwoners in aanmerking zouden moeten worden genomen. Dit stemt overeen met de uitkomst onder Van Raad’s voorstel tot fractionele belastingheffing. Daarbij is grensoverschrijdende verliesverrekening namelijk evenmin aan de orde maar wordt voor de tariefstoepassing wel rekening gehouden met buitenlands negatief inkomen (gezien de gehanteerde systematiek).15
Uit het bovenstaande volgt dat verschillende onderdelen van de voormalige conceptrichtlijn op hoofdlijnen beantwoorden aan het door mij gewenste secundaire Unierecht tot woonplaatsonafhankelijke belastingheffing naar draagkracht.16