Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/5.2.9
5.2.9 Aandacht voor financiering en kosten
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS599602:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In die zin ook Rowe 2003, p. 127-33, in het bijzonder ook noot 12 en de daar aangehaalde literatuur.
Rowe 2003, p. 133-41, 149 suggereert voor niet-Amerikaanse rechtsstelsels die de invoering van class actions- achtige mechanismen overwegen verschillende alternatieven voor no cure no pay, maar zij blijken weer andere problemen met zich te brengen: 'Some adjustments to existing fee tules, perhaps unconfortable ones, seem essenbal for the creation of a viable class action regime, but there is a considerable range of choices that are not limited to American-style approaches with what strike many as their excesses. So one can say to those otherwise inclined to adopt the class device, when it comes to framing rules goveming attomey fees, `Come on in-water fine'.'
De studie van Chen & Wang 2006 bevat naast een rechtseconomische vergelijking van de werking van de American rule en de English rule, tevens een handzaam overzicht van de bestaande rechts-economische literatuur over dit onderwerp, dat bij het ontwerp van een financieringssysteem in aanmerking dient te worden genomen.
Hodges 2001, p. 199, Rowe 2003, p. 133.
Fleming 1999, p. 259-74.
Peysner 2004.
Dus ook in de gevallen waarin niet voor een financiering via het fonds is geopteerd. De redenering is dat kansrijke zaken het fonds niet nodig zullen hebben en op no cure no pay basis zullen worden aangenomen. Het fonds zal alleen maar risicovolle zaken aantrekken en zal daardoor snel uitgeput raken, hetgeen onwenselijk is.
Collins 2005, p. 236-8 oppert 3%.
Rowe 2003, p. 141-8 behandelt alternatieven voor de afschaffing van de 'loser pays'-rule.
Sociale rechtshulp, rechtsbijstandverzekeraars, belangenorganisaties, andere financiers.
Faure e.a. 2005, p. 26.
Rowe 2003, p. 134-6 noemt een aantal nadelen, zoals `administration, cost and collection', maar het voornaamste blijkt toch het 'free rider' te zijn. De methode blijkt bovendien niet geschikt te zijn, indien het om relatief geringe vorderingen gaat en de groep schadelijders 'verspreid' ofwel niet eenvoudig te lokaliseren is.
Er is weliswaar een regeling in de polisvoorwaarden van alle rechtsbijstandverzekeraars voor gevallen die als massaschade zouden kunnen worden aangemerkt (er dient sprake te zijn van meerdere `belanghebbenden' bij een conflict; de polisvoorwaarden van alle rechtsbijstandverzekeraars die woorden van soortgelijke strekking bevatten, zijn te raadplegen via hun websites), maar die vallen juist nadelig uit voor de schadelijders. Ze stellen slechts een pro rato vergoeding voor rechtsbijstand per individueel geval in het vooruitzicht. In de praktijk probeert men hiermee soepel om te gaan en samen te werken als meerdere verzekeraars bij een voorval zijn betrokken. Dat is in de kwestie Volendam gebeurd. Het free rider probleem blijkt dergelijke initiatieven te bemoeilijken. Ook voor sluipende massaschade is voor wat betreft DES en asbest claims een bijzondere regeling getroffen. Een en ander komt in 5.2.10 aan bod.
Zo blijkt uit navraag bij de Raden voor Rechtsbijstand dat zowel bij de rampen in Bijlmer, Enschede, en Volendam, als ook in de Srebrenica-kwestie bijzondere regelingen getroffen zijn die variëren van het financieren van individuele rechtsbijstand zonder de geldende wettelijke toetsingsnormen toe te passen, omdat de rechtzoekenden geen bewijzen konden overleggen (Enschede), het financieren van een aantal proefprocedures (Srebrenica), tot het nastreven van een meer collectieve aanpak door gespecialiseerde letselschadeadvocaten in te schakelen (Volendam). Voor massale zaken, die bovendien niet territoriaal gebonden zijn, zoals bij Dexia, blijkt het echter lastig om een gecoërdineerde aanpak te realiseren.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat blijkens het Jaarplan en het jaarplanoverleg 1998 van de Raad voor Rechtsbijstand 's-Hertogenbosch er wel plannen zijn geweest voor de oprichting van een 'Fonds voor medische deskundigen' dat het mogelijk zou moeten maken om structureel te investeren in de inschakeling van medische deskundigen in zaken met een massaal karakter (bijvoorbeeld ten aanzien van asbest claims). Die plannen hebben echter vooralsnog niet een volgende (uitvoerings)fase bereikt.
Al dan niet geïnspireerd door de Engelse Collective Conditional Fee Agreement Regulations (CCRA): Tzankova & Weterings 2003, p. 30-1.
Iets dergelijks is voor Engeland bepleit door Collins 2005, p. 232-7. In zijn voorstel is een dergelijk fonds `self funded'. Voor Nederland zal mijn voorstel onder andere een aanpassing van de dekkingsvoorwaarden van rechtsbijstandverzekeraars impliceren.
De kosten van tuchtrechtelijke procedures komen thans niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking (zie de kritische noot van J.B.M. Vranken bij HR 3 juni 2005, NI 2005, 324). In de beslissing van de Hoge Raad in Vie d' Or (HR 13 oktober 2006, C04/281HR, RvdW 2006, 942, r.o. 9.3.3) is dit standpunt gehandhaafd. Dergelijke kosten vallen in mijn visie ook daaronder, als zij redelijkerwijs kunnen bijdragen aan een buitengerechtelijke afwikkeling met name in ingewikkelde technische aangelegenheden, omdat ze deskundigheidsoordelen bevatten die ook voor de civiele rechter nuttig en bruikbaar zijn en de noodzaak van een afzonderlijk deskundigen-bericht verminderen, zo niet volledig elimineren. Bij de vraag of dergelijke kosten wel voor toewijzing in aanmerking komen, mag naar mijn idee wel een rol spelen, hoe de `deskundigheidsoordelen' in de tuchtrechtelijke procedure tot stand zijn gekomen, waaronder de vraag of voldaan is aan het beginsel van hoor en wederhoor en of partijen voldoende de gelegenheid hebben gehad om hun standpunten toe te lichten.
In beide stelsels bestaat overweldigende aandacht voor de financiering van collectieve schadevergoedingsacties. Dat is niet zonder reden. Gesteld kan worden dat adequate afwikkeling van massaschade onmogelijk is als het financieringsvraagstuk geen onderdeel uitmaakt van de regeling. Adequate financiële incentives kunnen een collectieve actieregeling maken of breken.1 In het Amerikaanse systeem zijn de problemen rond de totstandkoming van een collectieve schikking illustratief (4.7.1 en 4.7.2). In het Engelse zijn dit de problemen rond het initiëren van en het procederen in multi-party acties (3.7). Doorgaans wordt het financieringsvraagstuk buiten het procesrecht gehouden. De vraag is in hoeverre dit in de setting van massaschade straffeloos mogelijk is. Massaschade creëert volume en daarmee een meer dan gebruikelijke financiële incentive voor belangenbehartigers. Gebleken is dat steeds rekening dient te worden gehouden met deze specifieke dynamiek, ongeacht de manier waarop vorm wordt gegeven aan beloningsstructuren. Dat kan betekenen dat rechterlijk toezicht op de inhoud van collectieve schikkingen en op de beloning van belangenbehartigers steeds noodzakelijk is (5.2.7).
Elk rechtsstelsel dat het ontwerp van een regeling van de collectieve schadevergoedingsactie nastreeft, zal derhalve moeten nagaan hoe de financiering daarvan in de eigen juridische realiteit geregeld is en moeten doordenken welke consequenties de schaalvergroting bij massaschade heeft. Bij een dergelijke gedachteoefening zal blijken waar verbeteringen mogelijk zijn en dus winst geboekt kan worden.2
In beide buitenlandse stelsels zijn resultaatsafhankelijke betalingsafspraken toegestaan. In de literatuur wordt verdedigd dat dergelijke beloningsarrangementen, in het bijzonder no cure no pay, bevorderlijk zijn voor de buitengerechtelijke (hier verdedigde court-annexed) afwikkeling van massaschade (5.2.6).3 Bij gebrek aan zuiver no cure no pay, is het voor belangenbehartigers lastig om de grote financiële lasten die een collectieve actie met zich brengt voor te schieten, zelfs indien het ze toegestaan is om andere resultaatsafhankelijke afspraken te maken. Een aanvullende financiering van collectieve acties uit de publieke, of uit andere private middelen, zal dan steeds nodig zijn4 In zekere zin is dit een ironische constatering, omdat de noodzaak voor en het belang van publiekrechtelijke financiering belangrijker wordt in een tijd waarin in de meeste landen, zoals ook in 2.2.1 bleek, de mogelijkheden van de sociale rechtshulp juist beperkter worden.5
Indien een zuivere no cure no pay niet tot de mogelijkheden behoort, is de Engelse (financierings)regeling inspirerend, of op zijn minst interessant, omdat die probeert om private en publieke financieringsbronnen op elkaar af te stemmen en om te zetten in een complementair geheel. Ook is er sprake van beleidsvorming en prioriteitenstelling om het beperkte budget dat de sociale rechtshulp ten deel valt zo doelmatig mogelijk in te zetten om uiteindelijk een zo groot mogelijk groep rechtzoekenden op een zo hoog mogelijk niveau te bedienen. Een manier om dat te doen, is te investeren in een gekwalificeerde rechtsbij stand, in een zorgvuldig geselecteerd aantal proefprocessen en in de beantwoording van de daaraan ten grondslag liggende gemeenschappelijke rechtsvragen. Tussenvormen zijn ook denkbaar, zoals (gedeeltelijke) financiering van noodzakelijke inschakeling van (kostbare) deskundigen.
Een ander aspect dat met de financieringsvraag samenhangt en vooral binnen het Engelse rechtsstelsel speelt als een mogelijk remmende factor bij de instelling van collectieve acties, betreft de dreiging met een proceskostenveroordeling. In de literatuur wordt door sommigen, geïnspireerd door ervaringen in Canada, de oprichting van een fonds voorgesteld dat eventuele proceskostenveroordelingen dekt, indien een verzoek tot het initiëren van een collectieve actie door het fonds wordt goedgekeurd.6 Het fonds wordt door een initiële eenmalige storting, bijvoorbeeld van de Staat, opgericht, waarna het zichzelf in stand zou moeten houden. Daarbij stelt men zich voor dat de class advocaat of de lead counsel de zaak op no cure no pay-basis aanneemt, maar in alle gevallen,7 waarin een collectieve schikking wordt bereikt of een positief vonnis voor de schadelijders wordt uitgesproken, een percentage in het fonds wordt gestort.8 Het afschaffen in collectieve acties van de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling (de American rule) lijkt met het oog op het tegengaan van gedwongen schikkingen niet wenselijk (4.7.2).9
Een tendens die in beide stelsels ontwaard kan worden, betreft de nadruk die op kostenbeheersing is komen te liggen. In Amerika komt dat onder andere tot uiting bij de verschillende selectieprocedures van de class advocaat, waarbij ook offertes van de belangenbehartigers kunnen worden gevraagd (4.5.3). In Engeland bestaat een afzonderlijke `kostenrechter' die tijdens de verschillende fases van het afwikkelingsproces door de behandelende rechter geraadpleegd kan worden en betalingsafspraken tussen de groepsadvocaten mag controleren. Ook heeft de rechter in beide rechtsstelsels bemoeienis met de vaststelling van de beloning van de groepsadvocaat. Dit is van belang met het oog op het ondervangen van het misbruikgevaar (5.2.6 en 5.2.7). Men zou zich wel kunnen afvragen in hoeverre dat laatste in die mate nodig is, als de financiering van een collectieve actie door `derden'10 geschiedt.
Nederland
Het beeld dat bestaat ten aanzien van de privaatrechtelijke financieringsmogelijkheden in Nederland is divers. No cure no pay is voor advocaten vooralsnog niet toegestaan, terwijl veel schaderegelingsbureaus wel gebruik kunnen maken van dergelijke arrangementen.11 Een andere financieringsmogelijkheid is om van alle schadelijders een relatief geringe vrijwillige bijdrage te vragen, waar de macht van de getallen voor een behoorlijk initiële procesfonds kan zorgen. Omdat aan deze methode verschillende nadelen kleven, kan ze niet als een structurele oplossing worden gezien.12 Evenmin als in Engeland beschikt de rechtsbijstandverzekeringsbranche ook hier niet over een toereikende structurele regeling voor de afwikkeling van massaschade.13
Indien we naar de publiekrechtelijke financieringsmogelijkheden in Nederland kijken, valt het op dat anders dan in Engeland geen beleid ten aanzien van de aanpak en financiering van massaschade zaken wordt gevoerd. In een aantal concrete gevallen zijn wel op ad hoc basis14 specifieke voorzieningen van uiteenlopende aard getroffen. De Nederlandse wetgeving op het terrein van sociale rechtshulp die uitgaat van een individuele behandeling van toevoegingsverzoeken en van het recht op een advocaat naar eigen keuze, maakt een collectieve of gekanaliseerde aanpak en daarmee het voeren van beleid ter zake lastig.15 Een gestructureerde geco(irdineerde aanpak met privaatrechtelijke financieringsbronnen (rechtsbijstandverzekeraars)16 zou lonend kunnen zijn. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan het gezamenlijk financieren van feitelijk onderzoek naar aanleiding van een massaschadegeval voor wat de gemeenschappelijke vragen betreft, waarna belangenbehartigers in staat kunnen worden geacht om een verantwoorde afweging te maken voor een vorm van een resultaatsafhankelijke beloningsafspraak.17
De meeste aandacht ten aanzien van het financieringsvraagstuk gaat uit naar de belangenbehartiging. Ik wijs echter nadrukkelijk erop dat de aanpassing van de financieringsstructuren van de gerechten of van het exclusief bevoegde faciliterende gerecht indien daarvoor mocht worden gekozen, niet mag worden verwaarloosd, gelet op de actieve rol die in het voorgaande voor die rechter is weggelegd (5.2.7).
Ten slotte wijs ik erop dat de vooropstelling van de court-annexed collectieve schikking als een primair afwikkelingsmechanisme tevens consequenties heeft voor een meer ruimhartige toewijzing dan thans het geval is van buitengerechtelijke kosten die aan de redelijkheidstoets voldoen, indien toch nog een procedure zou moeten worden gevoerd.18