Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/10.5.2
10.5.2 De systematiek van de toetsing aan de subnorm `misleidende handeling'
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS496039:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook OFT 2008a, p. 32.
Griffiths 2007, p. 198.
In geval van aperte onjuistheid is de handelaar meteen strafbaar, ongeacht of de consument door de onjuiste bewering wordt misleid. In Ashurst/Hayes and Benross Trading Co Ltd [1974] (n.n.g.), waarover TwiggFlesner e.a. 2005, p. 28 (par. 2.74 aldaar) verwiep de rechter het verweer van een handelaar die zich schuldig had gemaakt aan een apert onjuiste 'trade description', omdat de consument hier niet door werd misleid.
Wanneer een bewering evenwel niet als onjuist kan worden aangemerkt, biedt een misleidingstoets de mogelijkheid om de betreffende praktijk toch o.g.v. de TDA 1968 aan te pakken. Zie bijv. Lord Parker CJ in Donnelly/Rowlands [1971] 1 All ER 9 en Burleigh/Van Den Berghs, waarover Twigg-Flesner e.a. 2005, p. 28 (par. 2.75 aldaar). Het effect betreft hier het eerste deel van het effectcriterium: de beïnvloeding van het beoordelingsvermogen (i.e. de misleiding), en dus niet het gedrag (i.e. het 'verkeerde' besluit). Dat sprake moet (kunnen) zijn van een 'verkeerd' besluit, komt bij de TDA 1968-toets helemaal niet ter sprake.
654. In Reg. 5(2) en (3) wordt de vaststelling van de misleidende handeling als een 'cumulatieve' toets gepresenteerd. Beide Regulations bevatten naast de eerder besproken inhoudelijke criteria, een besluitcriterium. Het 'cumulatieve' karakter van Reg. 5(2) wordt onderstreept door een puntkomma die niet voorkomt in de richtlijn. Deze verduidelijkt dat het besluitcriterium niet slechts bij het tweede deel van het inhoudelijk criterium hoort (de misleidende informatie), maar ook in geval van onjuiste informatie moet worden ingevuld. De plaatsing van het besluit-criterium aan het einde van Reg. 5(3) zou onduidelijkheid kunnen scheppen over de toepasselijkheid van het criterium op onder a, ware het niet dat het besluit-criterium breder is uitgelijnd. De Guidance benadrukt het 'cumulatieve' karakter van de toetsing aan Reg. 5(3)(a).1
Bestaande rechtspraak zou de toetsingssystematiek ondanks de vrij expliciete wettekst niettemin kunnen beïnvloeden. 2 Hoewel het effect van de misleiding op het gedrag bij de toetsing aan Reg. 2(2) CMAR 1988 al werd vastgesteld aan de hand van het besluitcriterium — dit werd uiteengezet in par. 10.4.4 — is dit bij de toepassing van de TDA 1968 (`false descriptions'), die, voor wat betreft de bestrijding van onjuiste informatie, overlapt met Reg. 5(2)(a), niet het geval.3
De rechter kan volstaan met de vaststelling van de onjuistheid.4 Die systematiek zou kunnen doorwerken in die van Reg. 5(2)(a). In de OFT/Purely Creativeuitspraak wordt echter duidelijk een 'cumulatieve' systematiek gevolgd.