Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.2.1
6.2.1 Zekerheidsrechten op onroerend goed
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388302:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Pothier, nr. 209.
Zie art. 2333 Cc. Deze onderverdeling in gage en antichrèse – zie art. 2072 (oud) Cc – is bij ordonnantie nr. 2006-346 van 23 maart 2006 vervallen. Thans is de term ‘nantissement’ voorbehouden aan zekerheidsrechten ten aanzien van onlichamelijke zaken. Hierover nader hieronder op p. 105.
Zie Locré XVI, p. 23. Het pandrecht was ingevolge art. 2076 (oud) Cc nietig indien de zaak niet in de macht van de schuldeiser of een door partijen overeengekomen derde is gebracht. Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 68 en 69, Aubry & Rau VI, § 432 en Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 86. Zie voor de uitzonderingen die de wetgever vanaf het einde van de negentiende eeuw ten behoeve van bepaalde sectoren heeft gemaakt in de vorm van de verpanding van zakenrechtelijke papieren (warrants) die roerende zaken vertegenwoordigen Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 160-163 en Planiol & Ripert/ Becqué XII, nr. 256-272 ter.
Zie Locré XVI, p. 24. Sinds de ingrijpende herziening van het zekerhedenrecht in 2006 kan ook een pandrecht zonder machtsverschaffing worden gevestigd. De gevolgen van de wetswijziging worden behandeld in par 6.2.3.
Overigens kunnen er wel conflicten ontstaan indien de zekerheidsnemer die de bezwaarde zaak onder zich heeft, deze onbevoegdelijk aan een derde overdraagt. De kern van deze problematiek komt in par. 6.3.2.2 aan bod.
De coutumes de Paris zijn te raadplegen in Nouveau coutumier general, ou corps des coutumes générales et particulières de France et des provinces connues sous le nom des Gaules, Parijs: Chez Michel Brunet 1724, p. 43.
Zie Loyseau, nr. 3,1,12. Anders Pothier, nr. 36, die het gelijkluidende artikel 447 Coutume d’Orléans aldus uitlegt dat een hypotheek op roerende zaken slechts bestaat zolang de hypotheekhouder de bezwaarde zaken in bezit heeft.
Zie Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 4 en Aubry & Rau III, § 259. Voor 2006 was deze bepaling ondergebracht in art. 2119 Cc.
Zie Basnage, p. 309 die spreekt van een ‘clause de style’ (een standaardvoorwaarde).
Een hypotheek kwam eerst tot stand bij de akte die was voorzien van ‘het zegel van het publieke gezag’ (sceau de l’autorité publique). Zie Pothier, nr. 10 en Bourjon, Livre VI, titre VI, chap. I, nr. I.
Overigens was in het uiterste noorden, in de zogenoemde ‘pays de nantissement’, de publiciteit wel geleidelijk tot ontwikkeling gekomen. Daar vond de hypotheekvestiging evenals de eigendomsoverdracht plaats voor het gerecht, waarna het zekerheidsrecht bovendien werd geregistreerd in de voor de eigendomsoverdracht bestemde registers. Zie Herman, diss. 1914, p. 35 en Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 694.
Ten behoeve van het historisch besef zij opgemerkt dat in september 1792 de Conventie was aangetreden die de republikeinse kalender had ingevoerd waarmee 22 september de eerste dag van het jaar I werd. De Conventie werd in 1795 ontbonden en vervangen door het Directoire, een vijfkoppig bestuur, dat het land zou besturen totdat de staatsgreep van Napoleon op de 18e Brumaire van het jaar VIII (9 november 1799) de staatsvorm zou veranderen in een consulaat.
Al onder de Conventie was een ontwerp voor een nieuwe hypotheekwet gereed. Deze ‘Code Hypothécaire’ van 9 Messidor van het jaar III die voor de geldigheid van iedere hypotheek registratie vereiste, is nooit ingevoerd.
Zie art. 2 van de Loi sur le régime hypothécaire, opgenomen in: Bulletin des lois de la république française, septième partie, 1er semester de l’an VII, bullet. 237, nr. 2137.
Zie art. 4, derde lid, Loi sur le régime hypothécaire. Ook de hypotheek ten titel van vonnis werd gehandhaafd doch was eveneens gebonden aan de eisen van specialiteit en publiciteit.
Zie het pleidooi van Bigot de Préameneu tegen de inschrijving van hypotheken tegenover de opvattingen van Treilhard en Real die de lijn van het droit intermédiaire volgden. Zie Locré XVI, p. 124 en 125 respectievelijk Locré XVI, p. 159 en 192-193.
Zie Locré XVI, p. 139.
Zie art. 2135 (oud) Cc. Thans is in art. 2400 Cc een opsomming van de legale hypotheken opgenomen. De hypotheek van de gehuwde vrouw is in 1985 vervangen door de wederzijdse hypotheek tussen echtgenoten. Zie Simler & Delebecque 2016, nr. 458. Deze komt in de praktijk weinig voor omdat de inschrijving is onderworpen aan rechterlijke tussenkomst. Zie Aynès & Crocq 2017, nr. 708. Sinds 1964 kan iedere minderjarige op de voet van het huidige art. 2409 Cc een hypotheek op de onroerende zaken van zijn verzorgers doen inschrijven.
Zie Planiol & Ripert/Becqué XIII, nr. 771. Bovendien meenden de redacteuren van de Code destijds dat het huwelijk en het voogdijschap feiten van algemene bekendheid waren, hetgeen de vrijstelling van publicatie ten nadele van de schuldeisers met een bedongen hypotheek minder bezwaarlijk maakte.
Daar kwam nog bij dat – eveneens in tegenstelling tot de wet van 11 Brumaire van het jaar VII – ook voor de eigendomsoverdracht van onroerende zaken geen registratie werd vereist. De wetgever meende dat de registratie niet verenigbaar was met het beginsel van eigendomsoverdracht uit kracht van verbintenissen. Zie Planiol & Ripert/Picard III, nr. 627. Daardoor ontstond het gevaar voor de hypotheekhouder om te worden geconfronteerd met een heimelijke vervreemding van de bezwaarde zaak.
De hypotheekvestiging is een van de weinige rechtshandelingen die aan een vormvoorschrift zijn gebonden, in dit geval een authentieke akte. Zie art. 2129 (oud, thans 2418) Cc en Simler & Delebecque 2016, nr. 405.
Deze afwijking van het Romeinse recht is een logisch gevolg van het stelsel van registratie en publicatie dat onder het Romeinse recht ontbrak en om die reden aansloot bij het moment van vestiging. Aangezien de registratie geen constitutief vereiste is, loopt de hypotheeknemer in de periode tussen de vestiging en de registratie het risico dat een ander zekerheidsrecht eerder wordt ingeschreven dat hij dientengevolge tegen zich moet laten gelden.
Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes II, nr. 1428, Aubry & Rau III, § 291 en Planiol & Ripert/Becqué XIII, nr. 988. De gerechtelijke hypotheken kunnen hier onbesproken blijven omdat deze op dezelfde wijze rang nemen als conventionele hypotheken.
Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes II, nr. 1499 en Planiol & Ripert/Becqué XIII, nr. 780.
Zie Piedelièvre 2000, nr. 18.
De wet draagt de titel ‘Loi sur la transcription en matière hypothécaire’. In België was men al in 1851 met de uitvaardiging van de hypotheekwet afgestapt van de regeling van de Code civil.
Planiol & Ripert/Picard III, nr. 629, Aubry & Rau II, § 174 en Mazeaud & Chabas/Picod 1999, nr. 652.
Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes II, nr. 1474 en 1475, Planiol & Ripert/Becqué XIII, nr. 1008 en 1009 en Mazeaud & Chabas/Picod 1999, nr. 276.
Zie decreet nr. 55-22 van 4 januari 1955.
Zie art. 2147 (oud) Cc. Deze regeling kreeg in de literatuur de nodige kritiek te verduren. Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes II, nr. 1445 en Planiol & Ripert/Becqué XIII, nr. 992. Overigens is deze bepaling thans nog terug te vinden in art. 81 Belgische hypotheekwet.
Zie art. 31 van decreet nr. 55-22 van 4 januari 1955. Sinds de wetswijziging van 6 april 1998 is deze regel ondergebracht in de tweede alinea van het huidige art. 2425 Cc.
De inrichting van de registers maakte deze oplossing terdege mogelijk, aangezien ook de volgorde van inschrijving op de voet van art. 2200 (thans 2453) Cc werd bijgehouden.
Zie Piedelièvre 2000, nr. 432, Mazeaud & Chabas/Picod 1999, nr. 708 en Cabrillac e.a. 2015, nr. 1059.
Zie Piedelièvre 2000, nr. 433 en Simler & Delebecque 2016, nr. 521. Meerdere legale hypotheken die op dezelfde dag worden geregistreerd delen hun rang.
De voorrechten zijn gebaseerd op het versterken van de positie van bepaalde schuldenaren. Zie over de voorrechten Simler & Delebecque 2016, nr. 427-455 en 756-849.
Privileges hebben op grond van art. 2324 Cc voorrang boven hypotheken en de onderlinge verhouding wordt ten aanzien van roerende zaken in art. 2332 Cc en ten aanzien van onroerende zaken in art. 2375 en 2376 Cc vastgesteld.
In het zekerhedenrecht komt in het bijzonder de gewoonterechtelijke invloed op de Code civil naar voren. Naast de Romeinsrechtelijke hypotheken die ten tijde van het ancien droit in de pays de droit écrit in gebruik waren, zijn namelijk ook zekerheidsrechten van costumiere origine gecodificeerd.1 Deze zekerheidsrechten uit de pays de droit coutumier werden nantissements genoemd en werden afhankelijk van de zaak waarop zij betrekking hadden – te weten roerend of onroerend – onderverdeeld in respectievelijk gages en antichrèses.2 Aangezien de wetgever van 1804 voor de vestiging van een nantissement vereiste dat de bezwaarde zaak uit de macht van de schuldenaar werd gebracht, kon een zaak niet meerdere malen worden verpand.3 Hiermee verschilde de nantissement van het hypotheekrecht dat wel kon worden gevestigd zonder machtsverschaffing.4 Vanwege het risico van opvolgende bezwaring dat ontstaat indien een bezwaard goed in de macht van de schuldenaar blijft, gaat in het hiernavolgende de meeste aandacht uit naar het recht van hypotheek. Eerst indien meerdere zekerheidsnemers een recht op dezelfde zaak hebben gevestigd ontstaat immers een conflict waarin de prioriteitsregel in een oplossing kan voorzien.5
Het toepassingsbereik van de hypotheek was al onder het ancien droit beperkt tot onroerende zaken. Art. 170 van de Coutume de Paris bepaalde dat ‘meubles n’ont pas de suite par hypothèque’.6 Hoewel de redactie van deze bepaling doet vermoeden dat een hypotheek op roerende zaken slechts werd beroofd van haar zaaksgevolg, werd dit artikel al onder het droit commun francais uitgelegd als een verbod op een hypotheek op roerende zaken.7 Deze uitleg wordt ook verbonden aan het huidige art. 2398 Cc dat woordelijk overeenkomt met de bepaling van de Coutume de Paris.8 Het Franse recht kent dus slechts één zekerheidsrecht op roerende zaken (gage) en twee zekerheidsrechten op onroerende zaken, te weten hypotheek en anitchrèse, ook wel gage immobilier genoemd.
In Frankrijk was onder het droit commun francais de rechtspraktijk ontstaan dat vrijwel iedere schuldeiser een hypotheek had op alle bestaande en toekomstige onroerende goederen van de schuldenaar.9 Ongeacht de hoogte van schuld werd een beding van generale hypotheek in de notariële akte vanvestiging opgenomen.10 Hoewel deze hypotheken volledig zaaksgevolg hadden, werden ze niet geregistreerd in een openbaar register. Dit werd als zeer bezwaarlijk ervaren omdat zowel derdeverkrijgers van een onroerende zaak als opvolgende hypotheekhouders op de zaak een groot risico liepen om geconfronteerd te worden met zekerheidsrechten die hen onbekend waren.11
Reeds tijdens het droit intermédiaire heeft de wetgever – op dat moment het Directoire12 – de hypotheekwet van 11 Brumaire van het jaar VII (1 november 1798) uitgevaardigd. Deze wet heeft getracht het euvel van de onbekendheid met zekerheidsrechten te verhelpen door de beginselen van specialiteit en publiciteit door te voeren.13 Alle hypotheken werden aan inschrijving onderworpen, waardoor derdeverkrijgers vóór de verkrijging door raadpleging van de openbare registers zich ervan konden vergewissen dat er geen zekerheidsrechten op de zaak rustten.14 Tevens diende krachtens art. 3 bij de registratie van een conventionele hypotheek ‘la nature et la situation des immeubles hypothéqués’ nauwkeurig te worden omschreven. Het hierin naar voren komende beginsel van specialiteit werd ook toegepast ten aanzien van de wettelijke hypotheken van een gehuwde vrouw en een pupil. Deze hypotheken dienden evenzeer te worden geregistreerd en hadden eerst vanaf het moment van inschrijving derdenwerking.15
De strikte doorvoering van de publiciteit en de afschaffing van de generale hypotheken werden opvallend genoeg niet gevolgd door de samenstellers van de Code civil. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat er verdeeldheid bestond omtrent de wenselijkheid van publiciteit voor hypotheken.16
Zo wordt het feit dat het kredietverkeer gebaat is bij eenvoudige, vormvrije hypotheekvestiging als argument tegen de invoering van publiciteit genoemd.17 Het strookt bovendien met het beginsel van de contractsvrijheid dat een hypotheek zonder nadere formaliteiten tot stand komt.
Het systeem van de Code civil hield uiteindelijk slechts gedeeltelijk vast aan de wet van 11 Brumaire van het jaar VII. De inschrijving diende uitdrukkelijk het soort en de ligging van de verhypothekeerde zaken te vermelden – zij moest derhalve speciaal zijn – doch de registratie werd alleen voor conventionele hypotheken verplicht gesteld in het kader van de derdenwerking. De wettelijke hypotheek van de gehuwde vrouw op het vermogen van haar echtgenoot en die van de pupil op het vermogen van zijn voogd waren uitgezonderd van registratie en daarmee tevens van specialiteit.18 De wetgever meende dat het registratievereiste gelet op de zwakke positie waarin getrouwde vrouwen en pupillen ten opzichte van hun hypotheekgever verkeren, de bescherming illusoir maakte die de wettelijke hypotheek beoogt te bieden.19 Deze hypotheken die uit kracht van de wet ontstonden, hadden daarmee werking jegens derden zonder dat daarvoor registratie noodzakelijk was.
Zodoende greep de wetgever van 1804 met het behoud van generale hypotheken gedeeltelijk terug op het ancien droit. Het probleem van de onkenbare hypotheken voor derdeverkrijgers keerde daarmee terug.20 Het vaststellen van de rang van zekerheidsnemers in verhouding tot legale hypotheekhouders werd onder het regime van de Code civil sterk bemoeilijkt. Ten aanzien van schuldeisers met een bedongen hypotheek gold dat zij hun recht dienden te registreren voordat het jegens derden werkte. De hypotheek kwam weliswaar tussen de hypotheekgever en de hypotheeknemer reeds bij de akte tot stand,21 hij nam op grond van art. 2134 (oud) Cc (thans 2425 Cc) eerst rang in vanaf de dag van de inschrijving in de registers.22 Meerdere conventionele hypotheekhouders namen aldus geheel volgens de prior-temporeregel rang in naar de volgorde van inschrijving.23
De legale hypotheken waren voor de verstrekkers van krediet bijzonder bezwarend omdat deze hypotheken niet waren te achterhalen door raadpleging van de registers doch niettemin een hogere rang konden innemen.24 Aangezien het kredietverkeer in de negentiende eeuw als gevolg van de industriële revolutie juist een grote ontwikkeling doormaakte, was de wetgever genoopt in te grijpen.25 Bij wet van 23 maart 1855 werd het registratiegebrek hersteld.26 Niet alleen dienden legale hypotheken voortaan te worden ingeschreven, ook voor de eigendomsoverdracht van onroerende zaken werd registratie voorgeschreven.27 Hiermee werden hypotheekhouders beschermd tegen het gevaar van een heimelijke overdracht en het bestaan van zekerheidsrechten die de onroerende zaak reeds bezwaarden. Hoewel legale hypotheken ter verkrijging van derdenwerking evenzeer aan inschrijving werden onderworpen, bleef deze categorie de publiciteit frustreren doordat de inschrijving met terugwerkende kracht kon geschieden.28 Legale hypotheken namen na registratie geen rang naar de dag van inschrijving, maar naar de dag waarop zij waren ontstaan, te weten de dag van de voltrekking van het huwelijk respectievelijk de dag van het aanvaarden van de voogdij. Pas een eeuw later, bij decreet van 4 januari 1955, heeft de wetgever de betrouwbaarheid van het register gegarandeerd.29 Alle hypotheken werden voor hun derdenwerking afhankelijk gesteld van registratie en ook legale hypotheken namen net als conventionele hypotheken pas rang in vanaf de dag van inschrijving. Deze strenge doorvoering van de publiciteit leidde tevens tot de praktische invoering van het specialiteitsbeginsel.
De generale hypotheek bleef strikt genomen bestaan, maar had pas derdenwerking nadat het zekerheidsrecht ten aanzien van ieder vermogensbestanddeel afzonderlijk – eventueel aanvullend – was geregistreerd.
Het decreet van 1955 heeft tevens voorzien in een vernieuwde regeling voor de situatie waarin meerdere hypotheken op dezelfde dag ter registratie werden aangeboden. Tot 1955 was het moment waarop de hypotheek tot stand was gekomen niet van belang, het moment van registratie bepaalde de positie in de rangorde. Aangezien ter zake van het moment van inschrijving slechts onderscheid werd gemaakt tussen verschillende dagen, kregen twee op dezelfde dag geregistreerde hypotheken gelijke rang.30 Bij decreet van 4 januari 1955 is echter een andere regeling geïntroduceerd om de rangorde tussen twee op dezelfde dag geregistreerde hypotheken nader te bepalen.31 Er is niet gekozen om de volgorde van inschrijving de doorslag te laten geven,32 de wetgever heeft voorrang toegekend aan de hypotheekhouder met de oudste akte.33 De rangorde tussen conventionele hypotheken kan zonder problemen worden vastgesteld omdat deze hypotheken op straffe van nietigheid worden gevestigd bij notariële akte die van een dagtekening is voorzien. Indien ook de aktes dezelfde dagtekening hebben, nemen de hypotheken gelijke rang in. De positie van een hypotheek die ontstaat uit kracht van de wet kan uiteraard niet aan een daaraan voorafgaande akte worden ontleend. Deze hypotheek ontleent zijn rang aan art. 2425, derde alinea Cc en wordt begunstigd boven de conventionele hypotheken.34
Teneinde een volledig beeld van het Franse zekerhedenrecht te krijgen, zij tot slot van deze paragraaf opgemerkt dat door de Code civil op grond van art. 2323 Cc naast hypotheken ook voorrechten (privilèges) als een wettige reden van voorrang ten behoeve van bepaalde schuldeisers worden beschouwd.35 Deze voorrechten, die op zowel roerende als onroerende zaken (art. 2328 Cc) betrekking kunnen hebben en zowel speciaal als generaal kunnen zijn, vloeien voort uit de wet en zijn tevens voorzien van een wettelijke rangorderegeling.36 Aangezien de prioriteitsregel geen rol spelt bij de totstandkoming van deze rangorde, worden de voorrechten in het hiernavolgende buiten beschouwing gelaten.