De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.3.7:5.4.3.7 Het Nederlands Bureau en het sanctieregime
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.4.3.7
5.4.3.7 Het Nederlands Bureau en het sanctieregime
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394758:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze maatregel kan worden vergeleken met de door de Richtlijn gesuggereerde mogelijkheid van intrekking van de vergunning.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 19 van de Richtlijn dient de procedure van art. 22 ook op het Bureau van toepassing te zijn. Dat geldt voor de verplichting om binnen drie maanden een aanbod te doen, althans een gemotiveerde reactie op het verzoek om schadevergoeding te geven, maar dat geldt ook voor het sanctiestelsel waarop art. 22 ziet.
In dit opzicht voldoet het Nederlandse sanctieregime niet aan de eisen van de Richtlijn: het is niet van toepassing op het Bureau bedoeld in art. 2 lid 6 Wam. Dit is het gevolg van de gekozen wetstechnische aanpak. Omdat het Bureau alleen verzekeraar is in de zin Wam en niet in die van de Wft heeft de AFM geen bevoegdheid om sancties op te leggen aan het Bureau. Hooguit zou het inlichtingen bij het Bureau kunnen inwinnen, omdat het die nu eenmaal op grond van art. 1:74 Wft van een ieder kan verlangen in het kader van zijn toezicht op de naleving van de bepalingen van de wet. Van de 'sancties' waaraan het Bureau blootstaat, resteert dan slechts de verplichting om wettelijke rente te betalen. Maar die verplichting zou, zoals hiervoor betoogd, ook reeds hebben bestaan als art. 4:70 lid 6 Wft niet naar art. 6:119 BW zou hebben verwezen.
Denkbaar is dat de ministers als sanctie de aanwijzing van het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars als bureau in de zin van art. 2 lid 6 en art. 3 lid 3 Wam intrekken.1 Weliswaar is deze bevoegdheid niet expliciet in de Wam neergelegd (anders dan bij het Waarborgfonds Motorverkeer, art. 23 lid 2 en 3, het Informatiecentrum, art 27b en het Schadevergoedingsorgaan, art. 27k Wam), maar impliciet lijkt die bevoegdheid gegeven. Als de ministers een instantie kunnen aanwijzen, omvat de bevoegdheid daartoe naar moet worden aangenomen ook de bevoegdheid tot het intrekken van die aanwijzing. De criteria op grond waarvan dat zou kunnen zijn evenwel niet duidelijk, anders dan bij de overige drie in de Wam aangewezen instellingen. Of die intrekkingsbevoegdheid in het kader van de gemotiveerd-antwoordprocedure bruikbaar is, is de vraag. Vooral de omstandigheid dat de overgrote meerderheid van de groenekaartschaden in Nederland door benoemde correspondenten wordt behandeld, en niet door het Bureau zelf, en dat het Bureau feitelijk weinig mogelijkheden tot aansturing van die correspondenten heeft noopt tot een terughoudend gebruik van de mogelijkheid van intrekking van de aanwijzing in gevallen waarin de correspondent de procedure van art. 4:70 Wft niet naleeft.
De consequentie van het intrekken van de aanwijzing van het Nederlands Bureau als bureau in de zin van art. 2 lid 6 en art. 3 lid 3 Wam betekent dat onmiddellijk in de aanwijzing van een andere rechtspersoon zal moeten worden voorzien, omdat Nederland anders niet voldoet aan de eis van de Richtlijn dat er een Bureau in elke lidstaat functioneert. Dat nieuwe Bureau zal bovendien wederom door verzekeraars moeten worden opgericht. Dat is een eis die voortvloeit uit Aanbeveling nr. 5 van de UNECE. Al met al lijkt intrekking van de aanwijzing geen begaanbare weg om de naleving van de verplichting tot het geven van een tijdig gemotiveerd antwoord door het Bureau af te dwingen.
In paragraaf 5.2.9.2 onder t) is het handhavingsbeleid van de AFM kort besproken. Daar is gewezen op het niet wettelijk geregelde, door de toezichthouder echter wel gehanteerde instrument van het 'normoverdragend gesprek' en van de waarschuwingsbrief. Ik zou willen aannemen dat deze formeel ook niet kunnen worden ingezet tegen het Bureau.