Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/3.5.5.2
3.5.5.2 Reliance/transaction causation
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655685:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over reliance/transaction causation in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 99-100; Vandendriessche 2011, nr. 13-22; Haazen 2017, p. 84-85.
In § 6.2.3.2 zal ik de fraud-on-the-market-theorie uitgebreider bespreken.
Zie voor deze toepassingsvoorwaarden de uitspraken Basic v. Levinson, 485 U.S. 224, 248 & n. 27 (1988); Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 563 U.S. 804, 811 (2011); Amgen Inc. et al. v. Connecticut Retirement Plans and Trust Funds, 568 U.S. 455, 462 en 471-472 (2013); Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 268 and 277-278 (2014). Ik wijs erop dat de Supreme Court in de zojuist genoemde Amgen-uitspraak oordeelde dat de eisende beleggers niet reeds in de fase van class certification hoeven te bewijzen dat aan het materiality-vereiste is voldaan.
Bewust zeg ik ‘in beginsel’. Het fraud-on-the-market-vermoeden kan namelijk nog wel worden weerlegd. Zie voor de zogenoemde ‘rebuttals’ waarmee de gedaagde het vermoeden kan (proberen te) weerleggen § 6.2.3.2 sub b.
Zie in dit verband ook de uitspraken Blackie v. Barrack, 524 F.2d 891, 907 (9th Cir. 1975); Peil v. Speiser, 806 F.2d 1154, 1163 (3d Cir. 1986); Eckstein v. Balcor Film Investors, 8 F.3d 1121, 1129 (7th Cir. 1993).
Vgl. in dit verband het betoog van Justice Thomas in zijn concurring opinion in de zaak Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 287 and 297 (2014) over ‘Basic’s watered-down reliance requirement’ en ‘[Basic’s] fictional fraud-on-the-market version [of reliance]’ (aanhalingstekens weggelaten en toevoegingen ACWP).
Vgl. Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.11[2].
Zie § 6.2.3.2 sub b.
Vgl. Basic v. Levinson, 485 U.S. 224, 248-249 (1988) en Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 268-269 (2014). Ook kan in dit verband nog worden gedacht aan de belegger die besloot het litigieuze aandeel te kopen, omdat hij daarmee stemrecht wilde verwerven in de desbetreffende vennootschap of aan de belegger die genoodzaakt was het aandeel te kopen, omdat hij eerder – voordat de misleiding begon – was short gegaan en in het tijdvak van de misleiding werd gedwongen tot een zogenoemde ‘covering purchase’. Zie over het scenario van een gedwongen covering purchase ook Smith 2005, p. 1047-1049.
Ook afgezien van de in de hoofdtekst en vorige voetnoot genoemde overwegingen kan het voor de belegger een rationele beleggingsbeslissing zijn om een aandeel te kopen waarvan hij weet dat de koers als gevolg van misleidende informatie is geїnflateerd. Dat is bijvoorbeeld het geval als het litigieuze aandeel de beste risico-/rendementsverhouding heeft in de desbetreffende sector, zelfs als daarbij rekening wordt gehouden met de verwachte koersdaling die zal plaatsvinden op het moment waarop de misleiding bekend wordt.
Zie Basic v. Levinson, 485 U.S. 224, 248-249 (1988) en Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 268-269 (2014). Zie verder ook de nog de volgende uitspraken uit de lagere rechtspraak: Blackie Barrack, 524 F.2d 891, 907-908 (9th Cir. 1975); Peil v. Speiser, 806 F.2d 1154, 1161 (3d Cir. 1986); Kline v. Wolf, 702 F.3d 400, 403 (2d Cir. 1983); Fine v. American Solar King Corp., 919 F.2d 290, 299 (5th Cir. 1990); Hanon v. Dataproducts Corp., 976 F.2d 497, 507 (9th Cir. 1992); Semerenko v. Cendant, 223 F.3d 165, 179 & n.7 (3d Cir. 2000); Glickenhaus & Co. v. Household International, Inc., 787 F.3d 408, 429-433 (7th Cir. 2015). De twee eerstgenoemde uitspraken worden in Basic v. Levinson met instemming door de Supreme Court aangehaald.
Een vergelijkbare redenering kan overigens worden gevolgd voor de belegger die wel van de misleiding op de hoogte was, maar die desondanks het litigieuze aandeel toch ‘gewoon’ (tegen een geïnflateerde prijs) heeft gekocht. Ook voor deze belegger geldt dat niet aan de reliance-eis is voldaan, terwijl zijn transactievoorwaarden onmiskenbaar door de misleiding zijn beïnvloed.
Voor een uitzondering wijs ik op de uitspraken In re Vivendi Universal, S.A. Securities Litigation, 183 F. Supp. 3d 458, 466-467 (S. D.N.Y. 2016); In re Vivendi Universal, S.A. Securities Litigation, 123 F. Supp. 3d 424, 435-438 (S.D.N.Y. 2015); Gamco Investors, Inc. v. Vivendi Universal S.A., 927 F. Supp. 2d 88, 101-104 (S.D.N.Y. 2013) (deze uitspraak is bevestigd door de Second Circuit, zie 838 F.3d 214 (2d Cir. 2016)); Stark Trading v. Falconbridge Ltd., 552 F.3d 568, 571-573 (7th Cir. 2009); Gianukos v. Loeb Rhoades & Co. Inc., 822 F.2d 648, 653-656 (7th Cir. 1987), waarbij ik aanteken dat Stark Trading v. Falconbridge Ltd. geen typische fraud-on-the-market-zaak betrof en dat Gianukos v. Loeb Rhoades & Co. Inc. nog is gewezen in het pre-‘Basic v. Levinson-tijdperk’. Zie in het kader van de in de hoofdtekst genoemde rebuttal ook nog de uitspraak Lawrence E. Jaffe Pension Plan v. Household International, Inc., 756 F. Supp. 2d 928, 933-934 (N.D. Ill. 2010).
Zie over de – praktisch gezien – geringe betekenis van het recht van de gedaagde om het fraud-on-the-market-vermoeden aan de hand van de hier genoemde rebuttals te weerleggen uitgebreid Grundfest 2014, p. 358-363. Zie hierover ook de concurring opinion van Justice Thomas in de zaak Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 296-297 (2014) en de dissenting opinion van Justice White in de zaak Basis v. Levinson, 485 U.S. 224, 256 & n.7 (1988).
Affiliated Ute Citizes v. United States, 406 U.S. 128 (1972). Ik benadruk dat alleen maar sprake kan zijn van aansprakelijkheid voor een ‘failure to disclose’, als een – daaraan voorafgaande – ‘duty to disclose’ is geschonden. Zonder (afzonderlijke) duty to disclose kan een misleidende omissie niet tot aansprakelijkheid leiden. Zie over deze kwestie uitgebreid § 3.5.7.1 hierna.
Zie § 8.2.2.
Rule 23(b)(3) van de Federal Rules of Civil Procedure.
Eventueel hebben de secondary actors het misleidende document wel mede opgesteld.
De betrokkenheid van de secondary actor die ook zelf een norm heeft overtreden (of althans, kan worden geacht zelf een norm te hebben overtreden), gaat dus verder dan de betrokkenheid van degene die slechts als helper (‘aider’) of medeplichtige (‘abettor’) is opgetreden. Met aiders en abettors worden de personen of rechtspersonen bedoeld die niet zelf een norm hebben overtreden, maar die slechts hebben geholpen of geassisteerd bij de normschending van een ander.
Vgl. Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.25[3].
Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta, 552 U.S. 148 (2008).
Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta, 552 U.S. 148, 159-161 (2008).
Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta, 552 U.S. 148, 160-161 (2008).
In de woorden van de Supreme Court: ‘(…) respondents deceptive acts, which were not disclosed to the investing public, are too remote to satisfy the requirement of reliance.’, Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta, 552 U.S. 148, 161 (2008).
Janus Capital Group, Inc. v. First Derivative Traders, 564 U.S. 135 (2011).
Het reliance-vereiste houdt in – althans, in zijn oorspronkelijke/traditionele gedaante – dat de belegger bij de aankoop van het litigieuze aandeel op de misleidende informatie heeft vertrouwd en zijn beleggingsbeslissing hierdoor is beïnvloed: bij afwezigheid van de misleidende informatie zou de belegger hebben beslist het aandeel tegen een lagere prijs te kopen of zou hij hebben beslist het aandeel in het geheel niet te kopen.1 Transaction causation houdt zoals ik al opmerkte in dat zonder de misleidende informatie de litigieuze transactie niet – of niet tegen dezelfde voorwaarden – tot stand zou zijn gekomen. Wanneer beide begrippen strikt worden geïnterpreteerd, blijkt dat het hier – althans vanuit dogmatisch oogpunt – om twee verschillende concepten gaat. Dit is gemakkelijk in te zien door uit te gaan van de belegger die in goed vertrouwen op de integriteit van de beurskoers zijn aandeel tegen een (als gevolg van misleidende informatie) geїnflateerde prijs heeft gekocht, maar die verder van geen enkele informatie (en dus ook niet van de misleidende informatie) heeft kennis genomen. Strikt genomen is bij deze belegger niet aan de reliance-eis voldaan. Hij is bij de aankoop van het litigieuze aandeel immers niet op de misleidende informatie afgegaan, dus zijn beleggingsbeslissing kan er niet door zijn beïnvloed. Voor deze belegger is echter wel voldaan aan het vereiste van transaction causation. Bij afwezigheid van de misleiding zou hij namelijk een gunstigere prijs voor zijn aandeel hebben betaald, dus zijn transactievoorwaarden zijn onmiskenbaar door de misleiding beïnvloed.
Dit is echter niet het gehele verhaal. In fraud-on-the-market-zaken krijgt de traditionele reliance-eis namelijk een net iets andere invulling dan in face-to-face-zaken. De verklaring hiervoor is de (toepassing van de) fraud-on-the-market-theorie. Kort gezegd houdt deze theorie in dat wanneer sprake is van een ‘material misrepresentation’ op een efficiënte markt, de belegger die in het tijdvak van de misleiding aandelen heeft gekocht in beginsel kan worden geacht op de misleidende informatie te hebben vertrouwd.2 Er geldt dan een weerlegbaar vermoeden van reliance. Wanneer voor de eerdergenoemde belegger die bij de aankoop van het litigieuze aandeel slechts op de integriteit van de beurskoers heeft vertrouwd aan de toepassingsvoorwaarden van de fraud-on-the-market-theorie3 is voldaan, heeft – zo volgt uit de theorie – ook deze belegger in beginsel4 recht op schadevergoeding.5 Strikt genomen is de beleggingsbeslissing van deze belegger echter niet door de misleidende informatie beïnvloed en is dus geen sprake van (zuivere) reliance. Hij heeft namelijk van geen enkele informatie kennis genomen en bij de aankoop van het litigieuze aandeel ‘blind’ vertrouwd op de zuiverheid van de beurskoers. Dit laatste illustreert dat reliance in fraud-on-the-market-zaken een betekenis heeft die nagenoeg overeenkomt met transaction causation.6
Bewust houd ik nog een slag om de arm (‘nagenoeg’). Ofschoon reliance en transaction causation bij misleiding op de publieke effectenmarkt bijna op het hetzelfde neerkomen en meestal op dezelfde gronden worden aangenomen, zijn beide concepten toch niet identiek.7 Dit is althans af te leiden uit één van de stellingen waarmee het fraud-on-the-market-vermoeden kan worden weerlegd (over deze zogenoemde ‘rebuttals’ kom ik in hoofdstuk 6 uitgebreider te spreken).8 Zo kan het vermoeden onder meer worden weerlegd ten aanzien van de belegger die besloot het litigieuze aandeel te kopen op grond van overwegingen die met de misleidende informatie geen enkel verband hielden, zoals fiscale, politieke of maatschappelijke overwegingen of diversificatie-overwegingen.9 Hoewel deze belegger wellicht niet van de misleiding op de hoogte was en zijn aandeel in goed vertrouwen op de integriteit van de beurskoers heeft gekocht, zou deze belegger ook als hij met de misleiding (en de daardoor veroorzaakte koersinflatie) bekend was geweest, het aandeel hebben gekocht.10 Er waren voor hem immers andere zwaar(der)wegende (en op zichzelf volstrekt gerechtvaardigde) overwegingen in het spel om het litigieuze aandeel te kopen. Voor deze belegger is dan niet aan het reliance-vereiste is voldaan, zo volgt althans uit de rechtspraak.11 Voor deze belegger is daarentegen wel zonder meer voldaan aan het vereiste van transaction causation; zonder de misleiding zou hij namelijk een gunstigere prijs voor zijn aandeel hebben betaald.12
De soep wordt echter toch niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. De ervaring leert namelijk dat het de gedaagde zelden lukt het fraud-on-the-market-vermoeden aan de hand van de zojuist genoemde rebuttal te weerleggen.13 In theorie gaat het dus om een noemenswaardige rebuttal, praktisch gezien is zij van niet al te grote betekenis.14 Daarom mag men voor fraud-on-the-market-zaken als stelregel hanteren dat reliance op hetzelfde neerkomt als transaction causation.
Overigens wordt niet alleen bij een material misrepresentation op de publieke effectenmarkt (fraud-on-the-market) de belegger in zijn bewijslast tegemoet gekomen. Ook bij een material omission wordt de bewijslast van de belegger verlicht. In de zaak Affiliated Ute Citizes v. United States (‘Affiliated Ute’) oordeelde de Supreme Court in dit verband dat wanneer sprake is van een ‘failure to disclose material facts’, een vermoeden van reliance kan worden aangenomen.15 Er bestaat echter wel een belangrijk verschil tussen beide vermoedens en dat betreft het toepassingsbereik. Het fraud-on-the-market-vermoeden is in beginsel alleen van toepassing bij – de term zegt het al – misleiding op de (veelal geanonimiseerde) publieke effectenmarkt, terwijl het Affiliated Ute-vermoeden eigenlijk alleen van toepassing is bij misleiding in het kader van een face-to-face-transactie. Voor een nadere uitleg verwijs ik naar hoofdstuk 8.16 De hier genoemde vermoedens zijn voor de Amerikaanse securities litigation-praktijk van groot van belang, omdat dankzij (de beschikbaarheid van) deze vermoedens de handhaving van de misleidingsnormen van het federale effectenrecht kan plaatsvinden via class actions. Zonder deze vermoedens zou namelijk iedere eisende belegger afzonderlijk reliance moeten aantonen en dat zou als consequentie hebben dat niet langer is voldaan aan de belangrijkste voorwaarde voor class certification dat ‘the questions of law or fact common to class members predominate over any questions affecting only individual members’.17
Tot slot wijs ik erop dat het reliance-vereiste een bijzondere betekenis heeft – of anders gezegd: een bijzondere functie vervult – wanneer zogenoemde ‘secondary actors’ op grond van SEC-regel 10b-5 aansprakelijk worden gesteld. Met secondary actors doel ik op de personen of rechtspersonen die weliswaar nauw bij de misleiding van het beleggende publiek door de vennootschap zijn betrokken, maar die het desbetreffende misleidende document niet zelf hebben ondertekend of gepubliceerd.18 Secondary actors kunnen alleen (naast de vennootschap) aansprakelijk zijn, wanneer (i) zij zelf SEC-regel 10b-5 hebben overtreden (de secondary actor kan met andere woorden als primary violater worden aangemerkt);19 en (ii) ook aan alle overige vereisten voor aansprakelijkheid op grond van SEC-regel 10b-5 – waaronder het vereiste van reliance – is voldaan.20 De grondslag van aansprakelijkheid voor de secondary actor kan hierbij zijn gelegen zowel in SEC-regel 10b-5 sub b (het geven van een misleidende voorstelling van zaken), als in SEC-regel 10b-5 sub a jo. sub c (anderszins frauduleus en/of manipulatief handelen). Uit de uitspraak van de Supreme Court in de zaak Stoneridge Investment Partners v. Scientific-Atlanta (‘Stoneridge’) blijkt dat als de aansprakelijkheid van de secondary actor is gebaseerd op SEC-regel 10b-5 sub a jo. sub c, de basis voor het aannemen van reliance erg smal is.21 Volgens de Supreme Court is alleen aan de reliance-eis voldaan wanneer het beleggende publiek op de hoogte is – of verondersteld kan worden op de hoogte te zijn – van de handelingen van de secondary actor die aan het misleidende document ten grondslag liggen.22 Kan een zodanige relatie tussen enerzijds de misleidende informatie en anderzijds (het gedrag van de) secondary actor niet worden gelegd, dan kunnen de benadeelde beleggers niet worden geacht op (het gedrag van) de secondary actor te hebben vertrouwd.23 Althans niet op een wijze die direct genoeg is om aansprakelijkheid aan te nemen op grond van SEC-regel 10b-5, aldus – geparafraseerd – de Supreme Court.24
Na de Stoneridge-uitspraak uit 2008 heeft de Supreme Court zich in het voorjaar van 2011 in de zaak Janus Capital Group, Inc. v. First Derivative Traders nogmaals over de aansprakelijkheid van secondary actors uitgelaten.25 Gelet op het feit dat deze uitspraak – in tegenstelling tot de Stonerdige-uitspraak – niet in de sleutel van reliance staat en gelet op het feit dat zij voor het onderhavige onderzoek minder van belang is, laat ik haar hier verder rusten.