Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.4.1.3
3.4.1.3 De oplossing van Van der Grinten
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232467:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toen Van der Grinten dit schreef, bestond artikel 4:115 BW weliswaar nog niet, maar de regeling van artikel 4:1001 (oud) BW bevatte dezelfde regel, zie Handboek Nieuw Erfrecht, F.W.J.M. Schols 1998/VII1.1; Asser/Perrick 4 2017/152.
Vgl. Bauduin 2014, p. 16-26. Op p. 17 schrijft Bauduin over artikel 4:1 BW: ‘In dit artikel is bepaald dat erfopvolging plaats heeft bij versterf of krachtens uiterste wilsbeschikking (art. 4:42 BW) en dat de erflater bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt, kan afwijken van de erfopvolging bij versterf.’ De subjectieve wil van een derde tot het doen ontstaan van een erfgenaam past daar in het geheel niet bij.
Ook Van der Grinten heeft aandacht besteed aan het probleem van de bestaanseis. Hij heeft het probleem willen oplossen door zowel de bij uiterste wilsbeschikking als de krachtens de conversielast opgerichte stichting aan te merken als al bestaand bij het overlijden van de erflater/oprichter. Van der Grinten gaat echter nog verder en beschouwt ook de op grond van een directe last uit artikel 4:130 BW opgerichte stichting als al bestaand bij overlijden.1
Het gevolg van deze aannames is dat zowel de bij als de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting voordeel kan trekken uit makingen. Deze oplossing gaat mij te ver. Een van de redenen hiervoor is dat het Nederlandse erfrecht uitgaat van directe opvolging in de goederen. In de oplossing van Van der Grinten wordt dit uitgangspunt doorbroken. Maar er zijn meer bezwaren tegen de visie van Van der Grinten aan te voeren.
Als de krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting erfgenaam zou zijn, is het maar de vraag of voldaan wordt aan het vereiste uit artikel 4:115 BW.2 Deze bepaling eist dat de erfgenaam bij de uiterste wil is aangewezen, het zogenoemde ‘identificeerbaarheidsvereiste’. Het identificeerbaarheidsvereiste houdt in dat onmiddellijk aan de hand van de uiterste wil kan worden vastgesteld wie erfgenaam is. De rechtvaardiging van de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid is gelegen in de eisen van de rechtszekerheid.
Van onmiddellijke identificeerbaarheid is naar mijn mening geen sprake bij een last tot oprichting van een stichting. Daarbij komt dat het mogelijk is dat de last nooit wordt uitgevoerd door de erfgenamen. Als de erfgenamen niet tot oprichting worden gedwongen door de rechter, zou daardoor de oprichting – en daardoor het bestaan van een erfgenaam – afhankelijk zijn van de subjectieve wil van een derde. Dit laatste is naar mijn mening in strijd met het eigendomsrecht waarvan het erfrecht deel uitmaakt.3