De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen
Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.1:3.3.4.1 Algemeen
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/3.3.4.1
3.3.4.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649853:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Als van de BV slechts (certificaten van) aandelen worden verhandeld op een markt die niet kwalificeert als een gereglementeerde markt geldt dus art. 2:224a BW i.p.v. art. 2:114a BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk bleek: (i) dat het bestuur en de rvc het agenderingsrecht hebben omdat dit de organen zijn die volgens de wet tot bijeenroeping bevoegd zijn; (ii) in de statuten aan eenieder een al dan niet geclausuleerd agenderingsrecht toegekend kan worden en (iii) de algemene vergadering naar mijn mening wel het agenderingsrecht van art. 2:114a/224a BW heeft, maar niet zelfstandig (zonder tussenkomst van het bestuur en de rvc) een onderwerp op de agenda van een volgende vergadering kan plaatsen. In deze paragraaf behandel ik het wettelijke agenderingsrecht van aandeel- en certificaathouders, vruchtgebruikers en pandhouders.
Volgens art. 2:114a BW kan het agenderingsrecht bij de NV behalve aan aandeelhouders ook toekomen aan houders van certificaten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven. De artikelen 2:88 lid 4 en 2:89 lid 4 BW bepalen verder dat de vruchtgebruiker en pandhouder met stemrecht dezelfde rechten heeft als die door de wet zijn toegekend aan de bewilligde certificaathouder. Vruchtgebruikers en pandhouders zonder stemrecht hebben deze rechten eveneens, tenzij hun deze bij de vestiging of overdracht of overgang van het vruchtgebruik dan wel het pandrecht of bij de statuten worden onthouden. Via art. 2:88 lid 4 en art. 2:89 lid 4 in samenhang met art. 2:114a lid 2 BW komt het agenderingsrecht bij de NV dus ook toe aan bepaalde vruchtgebruikers en pandhouders. Voor de BV kent de wet een ander systeem. Art. 2:224a BW bepaalt dat het agenderingsrecht toekomt aan aandeelhouders en aan anderen aan wie het vergaderrecht toekomt. Die anderen zijn de houders van certificaten waaraan bij de statuten vergaderrecht is verbonden en vruchtgebruikers en pandhouders met stemrecht. Vruchtgebruikers en pandhouders zonder stemrecht hebben vergaderrecht (en daarmee dus agenderingsrecht) indien de statuten dit bepalen, en bij de vestiging van het vruchtgebruik of pandrecht niet anders is bepaald.1 Bij de BV waarvan (certificaten van) aandelen zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt, hebben aandeelhouders en anderen aan wie het vergaderrecht toekomt niet het agenderingsrecht van art. 2:224a lid 1 BW, maar dat van art. 2:114a lid 1 BW (zie art. 2:187 BW).2
Het is van belang om steeds goed voor ogen te houden dat het agenderingsrecht dat aandeel- en certificaathouders, vruchtgebruikers en pandhouders op grond van art. 2:114a/224a BW hebben, inhoudelijk niet gelijk is aan het agenderingsrecht van het bestuur en de rvc. Het bestuur en de rvc kunnen zelf een punt op de agenda plaatsen. Degene die het agenderingsrecht van art. 2:114a/224a BW heeft, kan dat niet. Hij kan verlangen dat de vennootschap een punt op de agenda plaatst, maar uiteindelijk beslist het bestuur en/of de rvc of het aangedragen punt ook op de agenda komt. De inhoud van een in de statuten toegekend agenderingsrecht is afhankelijk van de formulering.